Stelling

De wereld is beter af met Elon Musk

Stem

Agenda

Alkmaar in Suriname

De tentoonstelling 'Plantage Alkmaar' in het Stedelijk Museum Alkmaar belicht de relatie tussen de stad en de slavernijgeschiedenis en specifiek het verhaal van plantage Alkmaar in Suriname, een weinig bekend en nauwelijks onderzocht thema uit de Alkmaarse geschiedenis. Er worden gereedschappen, archiefstukken, kaarten en kunstwerken getoond. Bijzonder is een serie waterverftekeningen van plantage Alkmaar en omgeving, gemaakt door plantage-eigenaar Louise van Panhuys in de periode 1811-1816.

Hoogbouw in de Lage Landen

Mensen herken je aan hun silhouet, steden aan hun skyline. In ‘SkYline. Hoogbouw in de Lage Landen’ daagt het Gentse museum STAM onze – vaak terloopse – blik op de stad uit. Wat zit er achter de grillige lijnen van steen, staal en glas? En waarom blijven we het hoog, hoger, hoogst zoeken? Vroeger domineerden kerk- en belforttorens, vandaag evengoed kantoor- en woontorens. De Burj Khalifa is de hoogste, het Belfort de vurigste, de Boekentoren de wijste.

Einzelganger in Anatolië – Emilie Haspels

13 december 2022 skrul

Domineesdochter Emilie Haspels is een van de spaarzame Nederlandse archeologen die baanbrekend onderzoek hebben verricht in de gebieden waar de grote namen van de Bronstijd hun domicilie hadden of hun slagvelden kozen. Zij groeide op in een intellectueel en kunstzinnig milieu. In Rotterdam ging ze naar het gymnasium, waar ze het enige meisje in de klas was. Ze was al vroeg in de ban van Grieks aardewerk.

Maar omdat klassieke archeologie toen geen aparte studierichting was, begon ze in 1912 met haar studie klassieke letteren. Bij professor Six (voluit: jhr. Jan Six VII, heer van Hillegom en Wimmenum) volgde zij de bijvakken oude geschiedenis en klassieke archeologie.
Na haar afstuderen slaagde ze er niet in een baan te vinden die zowel bij haar opleiding als interessegebied aansloot. Ze werkte een paar jaar als docent klassieke talen en verbleef van 1924 tot de zomer van 1926 in Shanghai, waar ze zich vooral bezig hield met de opvoeding van de kinderen van haar haar jongere zus. Terug in Nederland was een terugkeer naar het klaslokaal de minst slechte optie. Maar oude liefde roest niet: de wens om een proefschrift te schrijven over Grieks aardewerk werd steeds sterker. Een stipendium maakte het haar mogelijk om colleges in Oxford en München te volgen en voor een langdurig studieverblijf naar Giekenland af te reizen. Hier werd ze (weliswaar met tegenzin, maar een andere keuze had ze niet) ‘buitenlands lid’ van de École française d’Athènes. In deze jaren was ze betrokken bij tal van opgravingen en legde ze contacten met een keur aan buitenlandse onderzoekers die her en der in Griekenland actief waren. Haar talrijke omzwervingen door de Griekse wereld weerhielden haar er niet van een proefschrift af te ronden.

Emilie Haspels bij opgravingswerkzaamheden in Perachora, omstreeks 1930. Samen met enkele collega’s wast ze, half verscholen met hoofddoek, opgegraven aardewerk.

Na de verdediging ervan, in 1935, keerde ze terug naar Nederland. Emilie Haspels – inmiddels 42 jaar oud en opnieuw werkloos – besloot naar ‘wat voor baan dan ook’ te solliciteren. Maar midden in de crisisjaren lagen deze niet voor het oprapen. Dat ze een vrouw was, werkte evenmin in haar voordeel. Vandaar dat ze niet lang na hoefde te denken toen ze een verzoek kreeg van het Franse Archeologisch Instituut in Istanbul. Dit instituut had in Centraal-Anatolië een proefopgraving uitgevoerd in Yazılı Kaya. De Fransen waren op zoek naar een veldwerkarcheoloog met kennis van aardewerk om de vervolgopgraving te gaan leiden. Haspels had geen kennis van het gebied en sprak geen Turks, maar ze greep het aanbod met beide handen aan. En zo ondernam ‘Matmazel Haspels’ in het voorjaar van 1937 haar eerste reis naar ‘het hoogland van het antieke Frygië’. ‘De tocht erheen’, zo noteerde zij in haar Boekie, ‘over het steppeland, eentonig en warm met maar een enkele keer stoppen bij een in een nis gevat waterreservoir en dan maar weer verder hobbelen over ruwe wapensporen.’
In deze jaren was de archeologie in Turkije volop in ontwikkeling. In het seculiere Turkije van Kemal Atatürk stond de zoektocht naar de oorsprong van de Turkse identiteit hoog op de politieke agenda. Archeologen waren op zoek naar de bakermat van de Turkse beschaving die – zo was de aanname –van ouder datum moest zijn dan die van het Osmaanse tijdperk. Het antwoord hoopte men in de Anatolische Hooglanden te vinden. In deze streek, halverwege Izmir en Ankara, leefden de Frygiërs. Het is niet precies bekend wanneer en waarom de Frygiërs zich vanuit de westelijke Balkan in de Anatolische hoogvlakte vestigden. Vermoedelijk woonden ze er al voordat de neergang van de bronstijdvolkeren zich inzette. Zo zouden – aldus de Ilias, maar dat is niet bepaald een betrouwbare historische bron – er Frygische ruiters aan Trojaanse kant aan de legendarische strijd hebben deelgenomen. Vast staat dat de Frygische indringers rond 1200 v. Chr. de ondergang van het allesbehalve stabiele Hettitische Rijk versneld hebben.

Een van de Frygische monumenten in de Anatolische Hooglanden. (Foto Ingeborg Simon)

In die paar eeuwen dat Frygië als gecentraliseerde eenheidsstaat bestond, zou koning Midas er de scepter gezwaaid hebben. Met enkele avonturen heeft deze vorst een vaste plaats in de canon van de Griekse mythologie veilig gesteld. En het is juist deze koning Midas die Emilie Haspels naar Yazılı Kaya lokte. Want daar bevond zich een groot monument – een tegen een verticale rotswand gebeeldhouwde façade – met daarboven een in grote antieke letters aangebrachte Frygische inscriptie. Deze letters leken sprekend op die van het Griekse alfabet uit de oudste periode. In deze inscriptie was sprake van ‘vorst Midas’. Vandaar dat dit monument bekend werd als het Midasmonument.
En rondom deze plek begon Haspels met haar veldwerk. In het begin zorgde vooral de ploeg Tsjerkessische werklieden voor veel kopzorgen. ‘Ongeschoold als ze zijn’, zo noteerde ze in haar Boekie, ‘denken ze dat het erom gaat er maar op los te hakken; hoe energieker hoe beter. Ik had heel wat moeite om ze de techniek bij te brengen; om te leren dunne horizontale lagen los te schrapen, zo ongeveer als schoffelen, en dan voorzichtig te verplaatsen.’ Het opgravingsteam, dat aanvankelijk uit zestien werklieden bestond, groeide uit tot een ploeg van ongeveer tweehonderd man. Zij legden in de rots uitgehouwen trappen bloot die naar een plateau leidden. Daar trof Haspels de resten aan van drie nederzettingen uit verschillende periodes die boven elkaar lagen.

Emilie Haspels met op de achtergrond het Midasmonument, 1938.

Het was de bedoeling dat er twee opgravingscampagnes per jaar zouden plaatsvinden: een in het voorjaar en een in het najaar (in de winter is het in Centraal-Anatolië te koud en in de zomer te heet). In het najaar van 1939 moest ze haar werk plotseling afbreken omdat de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Ze keerde terug naar het Franse Archeologisch Instituut in Istanbul om de gegevens uit werken. Maar dit moest ze in mei 1940 op last van de Franse ambassadeur verlaten: met de Duitse bezetting van Nederland was zij immers ‘een inwoner van een niet-bevriende natie’ geworden. Zo werd Emilie een onvrijwillige balling in de Turkse stad aan de Bosporus. Een plan om uit te wijken naar Nederlands-Indië mislukte, evenals verwoede pogingen om een aanstelling aan een Amerikaanse universiteit te krijgen. Er zat niets anders op dan met een grote diversiteit aan baantjes haar kostje bij elkaar te scharrelen.
Omdat na de Duitse capitulatie diverse functionarissen het proces van de zuivering niet zonder kleerscheuren overleefden, kwamen er aan de universiteit en in de archeologische musea diverse functies vrij. Haspels was duidelijk over haar voorkeur. ‘Ik doceer graag en goed; als professor heb ik meer kans om wetenschappelijk werk te doen; ik ben meer op mijn plaats aan een universiteit dan aan een museum.’ Maar in de zomer van 1945 zat ze echter in een onmogelijke spagaat. Om te kunnen solliciteren naar een leerstoel in Nederland, moest ze zich persoonlijk presenteren. Maar zonder betrekking (of bewijsstuk van een toekomstige betrekking) kreeg ze geen reispermissie. Er was persoonlijke bemoeienis van de minister van Buitenlandse Zaken voor nodig om dit obstakel uit de weg te ruimen.

Een door Haspels gemaakte afdruk van een afbeelding van een Frygische krijger.

Uiteindelijk volgde op 16 januari 1946 de benoeming in een dubbelfunctie: gewoon hoogleraar in de Klassieke Archeologie en de Kunstgeschiedenis der Oudheid aan de UvA én directeur van het Allard Pierson Museum. Hoewel er aan de universiteit en in het museum genoeg werk te doen was, maakte Haspels al in het voorjaar van 1946 plannen voor een nieuw archeologisch veldwerkproject. Het reisdoel was uiteraard het binnenland van Centraal-Anatolië. Deze plannen hingen nauw samen met het uiterst eervolle verzoek van Robert Syme om voor Oxford University Press een boek over Frygië te schrijven. Dit project zou de komende ruim twintig jaar haar wetenschappelijke aandacht opeisen en haar activiteiten in Nederland domineren. Voor dit onderzoek zou ze nog vele malen naar Turkije afreizen. Onder vaak primitieve omstandigheden voerde ze daar zelf het veldwerk uit. Doorgaans alleen, soms met een assistent. Ondanks dat ze een dagje ouder werd, maakte ze zelf, liggend op de grond, latex afdrukken van moeilijk toegankelijke of te fotograferen reliëfs en inscripties. Ze klom tijdens inventarisatietochten zelfs naar plekken waar haar begeleidende voerman haar niet durfde te volgen.

Op deze staatsiefoto draagt prof. dr. C.H.E. Haspels de toga die ze van de weduwe van haar leermeester professor jhr. Jan Six VII had gekregen. (Foto J. Merkelbach)

Ook nadat ze op 71-jarige leeftijd met emeritaat ging, bleven de Frygische monumenten haar aandacht opeisen. In 1965 leverde ze het manuscript The Highlands of Phrygia. Sites and monuments in. Toch zou deze omvangrijke studie pas in 1971 in twee delen verschijnen (niet in Oxford, maar bij Princeton University Press). Deze vertraging was deels te wijten aan de eigenwijsheid van de solistisch werkende auteur. Over de kleinste details werd eindeloos met de verantwoordelijke redacteur gecorrespondeerd. Maar ook botte pech speelde een rol. Zo werd een geredigeerd deel van het manuscript per ongeluk als vierdeklas zeepost naar Nederland verstuurd. Het pakket raakte zoek, waardoor er niets anders op zat dan dit deel opnieuw te reconstrueren.
Om al deze redenen kon Emilie Haspels op 77-jarige leeftijd pas écht met emeritaat. Als Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, draagster van de Palme de l’Académie française, lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en Member of the Hellenic Society overleed ze in 1980 op Eerste Kerstdag.
Cor van der Heijden

Koning Midas

Dat de Frygiërs niet helemaal een ‘vergeten volk’ zijn, is te danken aan verhalen uit de Griekse mythologie. In een van de verhalen speelt koning Midas een belangrijke rol. Hij had de wijngod Dionysos een grote dienst bewezen. Als blijk van waardering mocht Midas een wens doen. Diens hebzucht won het van zijn gezonde verstand. Hij wenste dat alles wat hij aanraakte in goud zou veranderen. Dionysos hield woord.
De lol was bij koning Midas snel voorbij toen hij merkte dat elke kippenbout of lamskotelet in goud veranderde. Zelfs de kleinste druif werd een goudklompje. Ook voor zijn eigen geestrijke drank maakte wijngod Dionysos geen uitzondering. Geen wonder dat Midas snel tot inkeer kwam en van zijn bijzondere gave verlost wilde worden. Dionysos was de beroerdste niet: door zich grondig in de rivier de Paktalos te wassen, zou de wens van koning Midas ongedaan gemaakt worden en weer als iedere gewone sterveling kunnen eten en drinken.

Een verkorte versie van dit artikel verscheen in het themanummer ‘Helden van de Bronstijd’ in G-GESCHIEDENIS, editie 2002/7, pps. 10-11

Openingsbeeld: Haspels vierde haar 64ste verjaardag in de Frygische Hooglanden. Jaap Hemelrijk, jarenlang haar vaste assistent, haar enige promovendus én opvolger als hoogleraar, maakte op 15 september 1958 deze foto.


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Netwerk van vriendendiensten

Wie meer over Poetin en het machtscentrum waarin hij fungeert wil weten doet er goed aan het lijvige boek van Catherine Belton ter hand te nemen. 480 pagina’s dik en nog eens ruim honderd pagina’s met annotaties, waarin de herkomst van het materiaal aan de hand van interviews en documenten verantwoord wordt. Geen eenvoudig boek en ook weinig hoopgevend voor wie op korte termijn ingrijpende wijzigingen in Rusland verwacht.

Lees verder

Kroniek

Bloedbad in Fort Zeelandia

In de nacht van 7 op 8 december worden zestien prominente Surinaamse burgers in Paramaribo van hun bed gelicht en overgebracht naar het Fort Zeelandia, het toenmalige hoofdkwartier van het zogeheten Militair Gezag met aan het hoofd legerleider Desi Bouterse. Op 26 februari 1980 had hij, sergeant-majoor, samen met andere onderofficieren een coup gepleegd omdat de regering Arron weigerde tegemoet te komen aan de in zijn ogen gerechtvaardigde eis om een eigen vakbond voor onderofficieren op te richten.

Lees verder

Heilige van de week

Lucia van Syracuse

13 december († ca. 303) Deze naam betekent licht, stralend of geboren bij zonsopgang. Lucia maakt tijdens haar leven veel mee. Haar moeder is stervende. Lucia bidt net zolang bij het graf van Sint-Agatha totdat ze is genezen. Ze verbreekt haar verloving. Hierop verraadt haar verloofde haar aan de Romeinse overheid.

Lees verder