Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Farao spreekt!

01 november 2022 Siebrand Krul

Ik, koninklijke trompet van farao Toetanchamon, ben geboren om legers, priesters en hele volkeren te bevelen. Maar schaars waren mijn dagen met hem. Rustend met mijn mondstuk gericht naar de negentienjarige farao, zweeg ik 3262 jaren lang. Tot één van u mij weer wou doen klinken. Luister goed. We leven allen in een wereld vol lawaai. In de mijne klonk het gebrul van krokodillen, het getrappel van vee, het pleziermaken van werklieden en het gejammer van rouwenden.

Bij u komt de herrie van het verkeer, van drilboren, van beukende koptelefoons vlakbij of van vliegtuigen. In die chaotische kakofonie doen uw oren hun uiterste best om er de geluiden die er toe doen uit te halen. Is dat mijn uitlaat die knalt ? Is dat gekraak onder mijn voeten? Komt er een vliegtuig op mij af of is het gewoon een zware baslijn van iemands playlist? U heeft hulp nodig, en dan kom ik op de proppen. Tenminste, dat deed ik lang geleden. Sheneb heette ik in de taal van de farao’s, ik ben een koninklijke trompet, geschapen om alle nutteloze geluiden te overstemmen en om te waarschuwen wanneer er iets belangrijks stond te gebeuren.

De sheneb of koninklijke trompet in zilver en goud, met houten inzetstuk ter bescherming.

Bij staatsgelegenheden kondigde ik uit volle borst de komst aan van de god-koning bij zijn volk; ik riep aanbidders op tot religieuze diensten; ik beval zelfs legers op het slagveld. Terwijl uw moderne trompetten spelen voor hun plezier, moesten wij, shenebs, werken voor ons bestaan. Onze taak was het er voor te zorgen dat niemand met zijn vingers zat te draaien, wij moesten orde scheppen in de wereld rondom de farao . Wij waren de ultieme technologische communicatie van onze tijd – megafoons, microfoons en massamedia tegelijkertijd.
Onze nuttige rol maakte ons tot steunpilaren van oorlog en religie in heel het Midden-Oosten. Mijn voorouders verspreidden zich over Noord-Afrika en vervolgens naar Spanje en ver daarbuiten. Op vele plaatsen klinkt de shenebachtige nafir nog steeds tijdens de Ramadan, en sommigen beweren dat uw woord ‘fanfare’ eigenlijk is afgeleid van al-nafir. Gelovigen van diverse slag verwachten van ons dat we op de Dag des Oordeels de finale klanken op aarde zullen uitstoten. Deze verwachting doet me denken aan de Egyptische legende die vertelt hoe Osiris, heer en rechter van de onderwereld, de allereerste sheneb uitvond.

Trompetspeler op een tempelmuur tijdens de 18de dynastie.

Jammer genoeg overleefden er slechts twee leden van mijn familie het lange faraonische tijdperk. Allebei zijn we samen begraven in het legendarische graf van Toetanchamon. Jarenlang hadden mijn broer en ik aan elk bevel van de jongenskoning stem gegeven. Onze verschillende toonhoogten zorgden ervoor dat de geschikte personen adequaat reageerden op onze verschillende oproepen, net zoals u uw mobiele telefoons programmeert met persoonlijke ringtones. Twijfel er echter niet aan dat ik het grootste respect afdwong, zoals te zien is aan mijn fraaier uniform. Ik schitter in zilver en goud als de generaal; mijn kleine broer is mijn adjudant.
Ik ben 58, 2 centimeter groot, terwijl hij kleiner is en gemaakt van een koperlegering. Mijn vorm gelijkt, geheel gewild, op een grote bloeiende lotus. Het onmiskenbare patroon van de Nymphae caerulea Savigny staat inderdaad onuitwisbaar in mijn klankbeker gegrift. Daar staan ook een paar van de vele faraonamen, gevat in een dubbele cartouche met daarin Nebkheperure Toetankhamun, gevolgd door één van zijn koninklijke titels. Die hiërogliefen zijn zo georiënteerd dat ze steeds te lezen zijn vanuit het gezichtspunt van de trompettist; het toont aan dat het niet uitmaakte wie mij deed klinken in zijn naam, ik ben de stem van Toetanchamon in persoon. Als een sheneb mis ik het aparte, komvormige mondstuk van moderne trompetten, noch heb ik de drie kleppen om de speellengte en daardoor de toonhoogte te variëren.

Man met trompet in de hand op een kalksteen uit El Amarna ten tijde van farao Achnaton.

Dit betekent dat ik geen deuntje kan neuriën, zelfs niet iets zo eenvoudigs als een taptoe of een réveille. Mijn natuurlijke stem is beperkt tot één enkele harde noot (de Griekse schrijver Plutarchus vergeleek me later met ‘een balkende ezel’), maar in mijn tijd kon de krachtige intonatie van een sheneb niet worden genegeerd: ‘Hoor, Farao, heer van de twee landen, spreekt ! ‘ Mijn stem weerklonk over de Nijlvallei, resoneerde met overtuiging en communiceerde in toonhoogte beperkt, maar met uithalen, lange of staccato, een beetje als uw elementaire morse code. Dit geluid voortbrengen was lastig voor de trompettist. Hij greep me stevig bij de keel, meestal met beide handen, en met een stevige kus bracht hij het vereiste aantal stoten uit om het bevel van de farao uit te drukken. Daar waren vaardigheid en uithoudingsvermogen voor nodig; zo maakten de Grieken later van het trompet spelen een Olympische sport.

De goden Amoen-Ra, Ptah en Ra-Horakhty, ingegrift op de klankbeker, onder de cartouches.

Omdat ik bij Toetanchamon moest zijn waarheen hij ook reisde, zowel in vredes- als in oorlogstijd, was er een houten inzetstuk nodig om me te beschermen tegen deuken en andere schade. Dit tweede lichaam, stopper genoemd , hield mijn vorm intact tijdens de negen drukke jaren van mijn farao’s bewind, en gedurende de 33 eeuwen daarna. Beschilderd in rood, blauw en groen om er ook als een lotus uit te zien, werd dit inzetstuk enkel verwijderd wanneer ik werd verzocht om voor farao te spreken. Op sommige Egyptische kunstwerken is de trompettist te zien met de stopper onder zijn arm terwijl hij op de hoorn blaast. Met mijn lange buisvormige constructie ben ik ironisch genoeg een fragiel teken van macht – daarvan zou één van uw stuntelige moderne muzikanten persoonlijk kunnen getuigen.
U zult spoedig begrijpen dat ik geluk heb dat ik nog leef, na wat hij mij heeft aangedaan. Velen van u zouden huiveren bij alles wat ik heb gezien en gesignaleerd. Verbeeld u het paleis van de farao, vol mensen die allen op elk van mijn oproepen reageren. Haal u grote processies voor ogen, voortschrijdend op mijn bevel. Denk aan de donderende gelederen van het leger van de god-koning, aanstormdend naar mijn wens. Temidden van dat alles klonk ik, in een tijd dat Egypte in de hele wereld afgunst wekte. Met mij aan zijn zijde gaf Toetanchamon de voorouderlijke goden van de Nijl weer een prominente rol, na het experiment van zijn voorganger Achnaton, die het monotheïsme had omarmd. Egyptes priesters en generaals vonden nieuwe hoop in het bewind van de jongen-farao wiens krachtige stem ik was. Alles leek goed te gaan. Tot ik, in een jaar nu 1323 v.Chr. genoemd, stil bleef liggen naast mijn farao. Niemand weet tot op de dag van vandaag precies welke ziekte of verwonding Toetanachamon herschiep van levende Horus tot verrezen Osiris. Die winter was het nieuws een vreselijke schok, want hoewel hij mankte, werd hij aanbeden als een icoon van jeugdige vitaliteit.

De koninklijke trompet met inzetstuk, gefotografeerd door Harry Burton, na de ontdekking door Howard Carter in 1922. (The Griffith Institute, Oxford)

Toetanchamon was 1,7 meter groot, minder dan drie keer mijn eigen lengte, maar in de ogen van zijn volk torende hij boven alles uit. Hij glimlachte met ongewoon gezonde tanden (dat merkt een sheneb), en hij genoot een avontuurlijk zij het afgeknapt leven. De koning had een grote voorliefde voor strijdwagens; het gerucht gaat nog steeds dat een hevige crash zijn linkerdij heeft verwond en oorzaak kan zijn geweest voor zijn dood. Geen koninklijke tombe was klaar om hem zo jong te ontvangen, daarom stapelden dienaars de schatten van deze gevallen tiener op in een vervangend graf: zes van zijn favoriete strijdwagens, acht fraaie schilden, vier zwaarden en dolken, vijftig bogen en ander wapentuig. Ze zetten er ook koffers, bedden en modelboten bij. Kledij en cosmetica bedongen een plaatsje naast sieraden en wijnkruiken. Zelfs de twee kleine mummies van Toetanchamons doodgeboren kinderen werden in het graf geborgen.
Ik vervoegde ik me bij hem in deze krappe ruimte samen met mijn broer: hij in de voorkamer, ik met meer prestige in de grafkamer, mijn mondstuk gericht naar farao. Voordat ik mijn plaats innam naast de koninklijke sarcofaag, liet ik me door bekwame kunstenaars voor de gelegenheid opsmukken. Op mijn vergulde klankbeker voegden ze een ontwerp toe met de triade van de Egyptische goden Amoen-Ra, Ptah en Ra-Horakhty. Deze bijzondere goden belichaamden alle waarden van het omvangrijke Egyptische pantheon, misschien als laatste verwerping van de ketterij van Achnaton. Zij vertegenwoordigden ook drie afdelingen van het faraonisch leger. Zo kon de decoratie die me omvormde van actieve sheneb tot begrafenisoffer, als extra voordeel, zowel de priesters als de generaals van Toetanchamons entourage behagen. Dit moet het briljante idee zijn geweest van de oude Aye, die mijn farao begroef en al snel de volgende god-koning van Egypte werd.

Silver Trumpet (nr.175): beschrijving door Howard Carter. (The Griffith Institute, Oxford)

Denk volgens uw moderne opvattingen maar niet dat ik in die duistere diepte lag te wanhopen. Aan de Nijl blijven de doden druk doende. Toetanchamon, de eeuwige tiener, leefde voort; ik hoorde zijn op een vogel lijkende ba (ziel / persoonlijkheid) naar believen komen en gaan, in zijn vlucht niet gehinderd door de acht meter hoge rots boven ons. Soms voelde ik trillingen wanneer werklieden in de buurt meer graven uit beitelden, gevolgd door zwak hoorbaar voetgeschuifel in de Vallei der Koningen, waar de ene begrafenis op de andere volgde. Ik weet nu dat een graf, aangelegd door Ramses V, kruiselings vlak boven dat van Toetanchamon liep en zich 116 meter verder uitstrekte in de rots, over het graf van Horemheb heen (die ik kende als één van Toetanchamons generaals) en uiteindelijk doodlopend in de tunnels van weer een ander graf! Het was net een gigantische mierenkolonie.
Toch was niet elk geluid welkom. Tot drie keer toe verstoorden goddeloze grafrovers de rust van de koning en mij. De eerste keer was kort na Toetanchamons dood. Brutale kerels braken door de toegang van het graf en snuisterden door de persoonlijke bezittingen van de farao. Hun onreine handen betastten zijn sieraden, vazen met parfum en oliën, beddengoed en zelfs de kist die mijn koperen broer bevatte in de voorkamer. Gelukkig schoten de lokale autoriteiten in actie en herstelden ze de orde in de geschonden tombe. De zware deuren werden opnieuw verzegeld… om korte tijd later door meer vastberaden dieven opnieuw te worden verbroken. Ze doorzochten het hele graf en kwamen dicht langs mij op weg naar de zogenaamde schatkamer. Er werd veel meegenomen, maar ook sommige overvallers werden gegrepen. Ik neem aan dat deze gevangenen werden gemarteld en vervolgens als naar gewoonte gespietst.

Bij het schrijn van Toetanchamon in het Egyptisch Museum in CaÏro op 16 april 1939: James Tappern met de grootste trompet (links), Alfred Lucas met de kleinere (rechts), en BBC-omroeper Rex Keating tussen drie Egyptische functionarissen.

Er is veel bekend over de grafrovers van het oude Thebe dankzij hun bewaarde strafdossiers. Papyrusverslagen vereeuwigden hun wandaden. Ik schaam me om te zeggen dat een sheneb- speler genaamd Perpethewemōpe één van de ergste dieven was. Hij waagde het zijn loon aan te vullen door te plunderen en beschuldigde zelfs valselijk een andere trompetspeler Amenkhau genoemd, tegen wie hij een wrok koesterde. In Toetanchamons graf was de puinhoop hartverscheurend. De koninklijke schrijver Djehutymose inventariseerde de omgewoelde tombe en pakte haastig sommige stukken opnieuw in, mij achterlatend naast het schrijn van de koning , gewikkeld in riet onder een prachtige lamp van albast. Daar lag ik tevreden tot de derde – en ergste – van de plunderingen.
Lange tijd waren de begrafenissen gestopt, maar toen begon het gegraaf weer. Ik hoorde het lawaai van voetstappen hogerop en vroeg me af welke farao’s er nu weer naar eeuwige rust zochten. Ik wist niet dat een nieuw soort grafrover op zoek was naar mij. Ik hoorde hun leider lang voordat ik hem zag. Hij sprak een vreemde taal, en hij regisseerde zijn dievenbende met onverschillig geduld, alsof hij zich helemaal geen zorgen maakte om de necropool- politie. Hij noemde zichzelf ‘Howard Carter’, ‘Engelsman’ en ‘archeoloog’. Volgens zijn vreemde kalender vond zijn bende de eerste verborgen trappen die naar het graf van Toetanchamon leiden op 4 november 1922. Ik hoorde ze rondscharrelen en opgewonden kletsen, en toen stopte het plotseling. Om de een of andere reden gooiden de mannen de ingang die ze hadden gevonden weer dicht. Ik hoorde later dat de plunderaars hadden besloten om te wachten op de komst van Howard Carters opdrachtgever, een rijke man met bijna evenveel namen en titels als farao: ‘George Edward Stanhope Molyneux Herbert, vijfde graaf van Carnarvon’.

De grafkamer van farao Toetanchamon in de Vallei der Koningen in Luxor vandaag. De mummie staat apart opgesteld in de antichamber of voorkamer.

Toen hij en zijn dochter Evelyn arriveerden, begonnen de werken weer volop. Een paar dagen later hoorde ik iemand een gat door de voorkamerdeur slaan; de volgende dag kwamen de overvallers naar binnen. Van de andere kant van de afgesloten doorgang naar de grafkamer kon ik ze horen. Iets afwetend van grafroven, was ik niet verrast door wat er daarna gebeurde. Laat op een avond baanden drie van de troep – Carter, Carnarvon en Lady Evelyn – zich een doorgang naar de grafkamer op zoek naar het lichaam van farao. Ik staarde ze aan toen ze me rakelings passeerden, observeerde hun gelaat in de zwakke, maar pijnlijke flikkering van hun kaarsen. Licht van welke aard dan ook was al lang verbannen uit mijn wereld. Ik wilde alarm slaan, maar kon mezelf niet bevrijden van de beschermende prop in mijn keel. Monddood zag ik de overvallers wegsluipen.
Zorgvuldig verborgen ze de opening die ze hadden gemaakt in de deur, als om de bewakers van de necropool te misleiden. Vele maanden zouden voorbij gaan voordat twee van hen terugkwamen; de derde was blijkbaar ondertussen gestorven door een geïnfecteerde insectenbeet, en Toetanchamon kreeg onmiddellijk de schuld van zijn einde, precies zoals ik later zou worden beschuldigd van Howard Carters dood – samen met 60 miljoen medemensen. Op 16 februari 1923 openden Carter en zijn ploeg ‘officieel’ de grafkamer in aanwezigheid van een klein publiek, comfortabel neergezeten in de voorkamer. Weinig van deze toeschouwers wisten iets over de geheime inbraak van enkele weken tevoren, dus de rovers veinsden verrassing voor alles wat ze vonden, met inbegrip van mij. Ik werd van de vloer gelicht en bestudeerd, zoals neergeschreven in Carters notities. Ik kreeg een onaangename reiniging met ammoniak en water; mijn houten kern werd behandeld met iets dat celluloid heet.

De grafkamer.

In een brief die hij later schreef, liet Carter zich een ander van zijn geheimpjes ontvallen: ‘Hoewel ik geen expert ben van dergelijke muziekinstrumenten, slaagde ik erin om een luide klank uit te stoten die de stilte van de Vallei doorbrak’. Maar toch kon het alarm dat ik dan zo toch nog sloeg (in naam van Toetanachamon, weet u wel) niemand optrommelen – geen necropool-politie, geen koninklijke troepen, helemaal niemand. Waar waren ze allen gebleven? Verbolgen over zo’n insubordinatie werd ik al snel naar het Egyptisch Museum in Caïro overgebracht, op 600 kilometer afstand van de crypte en de koning aan wie ik nog steeds toebehoorde. Ik lag me daar zwijgend voort op te winden tot februari 1933 – toen moest ik verschijnen voor een bezoeker, Percival Kirby genaamd, die grote belangstelling had voor alle muziekinstrumenten van Afrika. Natuurlijk wou hij me onderzoeken. Aangemoedigd door mijn conservator, zette die professor me tegen zijn lippen en produceerde één luide noot, een C ( do) op uw westerse toonladder. Zes jaar later sprak ik nogmaals, maar op een vreemde, nieuwe manier. Een radiopionier, Rex Keating, regelde in het Cairo Museum voor mij een uitzending met een boodschap die over de hele wereld te horen zou zijn. Keating wist natuurlijk dat ik slechts één enkele noot kon uitbrengen en achtte dit onwaardig voor de gebeurtenis. Dus liet hij een militaire trompettist, gestationeerd in Egypte, een modern mondstuk in mijn keel stoppen om een soort deuntje te spelen. Tijdens de tweede repetitie was de druk te groot en ik brak. Voor de ogen van een moderne farao, Farouk, viel ik in stukken op de grond. De geschokte koning, de trompettist en de museum stafleden vielen op de knieën om de gebroken overblijfselen samen te schrapen. Alle getuigen van deze ramp zwoeren geheimhouding, opdat mijn mishandeling wereldwijd geen verontwaardiging zou wekken. Terwijl deskundigen koortsachtig werkten om me weer tot leven te wekken, zoals Isis voor Osiris had gedaan, zocht Keating naar een meer betrouwbare muzikant. Hij koos voor een Brits bandlid, James Tappern, die me overeenkomstig mijn superieure status met meer respect behandelde.

Op een avond in april 1939 stelden Keating en Carters oude compagnon Alfred Lucas mij op het afgesproken uur voor aan miljoenen opgewonden luisteraars. Met sonore stem en met alle zwaarwichtigheid die hij kon opbrengen, annonceerde een BBC-omroeper : ‘De trompetten van Farao Toetanchamon! Heer der Kronen, Koning van het Zuiden en het Noorden, Zoon van Ra!’ Op een teken ontlokte trompettist Tappern mij klanken die ik nog nooit in mijn leven had gehoord, dit met behulp van een modern mondstuk, deze keer veilig op zijn plaats gehouden met katoenvulling. Ik klonk erg schril, met versieringen hoog opstijgend boven mijn aangeboren C, zulks tot grote tevredenheid van Keating. Tappern liet me iets spelen dat de ‘Posthorn Gallup’ heette, een levendig deuntje dat onbekend is voor de sheneb van het Oude Egypte. Ik veronderstel dat het exploot om die reden gedenkwaardig zij het niet historisch was.
Ik heb gehoord dat mijn optreden nog steeds door iedereen en op elk gewenst moment kan worden beluisterd, gewoon door te zoeken op de communicatiedoolhof Internet geheten. Die dag speelde mijn adjudant- broer ook een beetje, maar niemand schonk hem veel aandacht. Ik daarentegen maakte het helemààl. Menig bevreesd luisteraar was er van overtuigd dat mijn stem een vloek ontketende, één die op dat eigenste moment mijn ontvoerder, Howard Carter, doodde. Dat was onzin, natuurlijk – hij was al enkele weken voordien overleden. Niet minder verrassend beweerden velen zelfs dat ik de slachting die u de Tweede Wereldoorlog noemt, heb veroorzaakt. Mijn machtige stem zou naar verluidt hebben opgeroepen tot strijd tussen een hoop landen met wapens die geen farao zich ooit had kunnen voorstellen. Ik zweer dat ik geen dergelijk bevel gaf! Zoals ik al zei, Tapperns mondstuk gaf me een moderne stem, geen mandaat namens mijn farao of het Oude Egypte. Keating was blijkbaar gewaarschuwd dat luisteraars mij verkeerd zouden begrijpen, vooral gezien de beruchte ‘Vloek van het graf van Toetanchamon’ , die naar men zei met de dood van Lord Carnarvon begon. Ik moet zeggen dat zo’n gepraat over moorddadige mummies geen compliment is voor uw beschaving. Statistieken tonen aan dat de leden van Carters bende eigenlijk een normale levensduur hadden, en overleden zijn op leeftijden die de gemiddelden van toen meestal overschreden: Carnarvon stierf op 57 jaar, Carter op 65, Lucas op 78, en Lady Evelyn op 79 jaar. Sedert die dag heb ik nog maar twee keer iets uitgevoerd.

In 1941 liet ik een paar noten klinken als onderdeel van een akoestisch experiment uitgevoerd in het Cairo Museum. Later, in januari 1975, bracht ik nog een korte solo. De trompettist, de beroemde muzikant Philip Jones, zei over mij: ‘Het geluid was niet echt melodieus … maar het was waarschijnlijk de meest opwindende ervaring die ik ooit zal hebben als trompetspeler.’ Waarschijnlijk? Kan je iets grootser bedenken dan uw lippen te mogen zetten op de sheneb van Toetanchamon? Ik weet zeker dat hij grappig wou zijn, ik ben tenslotte de hoorn van Afrika. De aanwezigen waren toen de laatsten die ooit de klank van een oude beschaving mochten horen. Gelet op mijn gevorderde leeftijd en de recente tegenslagen, zal ik allicht nooit meer klinken, hoewel ik volgens de gewoonte van uw beschaving al enige tijd op tournee ben. Ik mocht weer eerste klasse reizen, en leerde dat er naast mijn geboorteland van de Nijl nog vele landen bestaan. De namen van uw steden zijn natuurlijk veel moeilijker uit te spreken dan mijn Tjeb-nut-jer, Hut-Tahery-Ibt, en Taya-Dja-yet. Vooruit dan maar: Fort Lauderdale, Chicago, Dallas, Londen, Melbourne. Van mijn kant van het glas gezien, vind ik die hectische tentoonstellingen op die exotische plaatsen fascinerend. Kinderen niet ouder dan Toetanchamon toen hij over een rijk heerste, verdringen zich rond mijn vitrine, blazen in hun vuistjes als om me te doen spreken.
Kinderen houden natuurlijk van alles wat geluid maakt. Ze dollen en en gekscheren over mummies en vervloekingen, terwijl hun ouders trompetgewijs neuriën, iets van een zekere Steve Martin en zijn groep, ‘ The Toot Uncommons’. Kennelijk werd Toetanchamon ooit gehuldigd op een festival dat ‘Saturday Night Live’ heette. Ik bekijk die fratsen met milde blik, mij er van bewust dat u Nebkheperure Toetanchamon eert op uw eigen, bizarre wijze, hoewel ikzelf, nog steeds getooid voor zijn bijzetting, voor eeuwig de herinnering aan hem koester op mijn traditionele manier.
Frank L. Holt, ‘I, horn of Africa’, in AramcoWorld, January/February 2018
Vertaling en beeldkeuze: André Capiteyn

https://www.aramcoworld.com/Articles/January-2018/I-Witness-History-I-Horn-of-Africa
Trumpets of Tutanchamon – BBC broadcast april 1939: https://www.youtube.com/watch?v=zr_olu7chEY

Openingsbeeld: Op 16 april 1939 liet James Tappern de trompet opnieuw klinken voor het schrijn van Toetanchamon in het Egyptisch Museum in Caïro, uitgezonden op de BBC-radio voor meer dan 150 miljoen luisteraars.


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder