Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

De Martelaren van Gorcum

24 augustus 2022 Siebrand Krul

Met tentoonstellingen, lezingen, stadswandelingen en re-enactments worden gebeurtenissen uit 1572 herdacht. 1572 wordt wel het geboortejaar van Nederland genoemd. Er is een organisatiecomité dat koos voor een ronkend allitererend motto: vrijheid – verdraagzaamheid – verbondenheid – verscheidenheid. Zowel in 1572 als in 1872 (bij de 300-jaarherdenking) waren er weinigen die zich in dit motto herkenden. Toch is er alle reden om aan de hand van een dramatisch voorval de impact in beide jaartallen te vergelijken.

De eerste maanden van ‘kanteljaar 1572’ stonden in het teken van afwachten en herpositionering. Terwijl de Prins van Oranje – op dat moment in zelfgekozen ballingschap in slot Dillenburg – bezig was met een zorgvuldige voorbereiding van een nieuwe en goed gecoördineerde militaire inval in de Nederlanden, kregen de gebeurtenissen vanaf 1 april dat jaar een eigen dynamiek. Min of meer bij toeval kreeg een door een storm uit de koers geslagen vloot van watergeuzen de onverdedigde garnizoensstad Den Briel in handen. De Spaanse landvoogd Alva zou er nonchalant zijn schouders over hebben opgehaald: ‘no es nada’ [het is niets]. Willem van Oranje vernam pas drie weken later dat deze eigengereide opstandelingen het heft in eigen handen hadden genomen. En wat belangrijker was: de watergeuzen en hun geestverwanten hadden niet het geduld om orders uit Dillenburg af te wachten en handelden proactief naar bevind van zaken.

Bij gelegenheid van de heiligverklaring van de martelaren van Gorcum gaf paus Pius IX aan Cesare Fracassini opdracht om deze gebeurtenis te vereeuwigen. Fracassini pakte groots uit: het schilderij meet 392 bij 289 centimeter. Het hangt prominent in de Sala Sobierski in de Vaticaanse Musea.

Lumey versus Oranje

Hierna kwamen overal in Holland en Zeeland steden in beweging en trokken – uit overtuiging of onder druk en dwang – de kaart van de opstandelingen. Zo rukten eind juni de watergeuzen vanuit Dordrecht, dat de kant van de Opstand had gekozen, op naar het strategisch gelegen Gorcum. Een groep streng katholieke burgers en geestelijken had zich, onder bescherming van een Spaansgezind garnizoen, teruggetrokken in de Blauwe Toren, een middeleeuwse burcht aan de Merwede. Met de toezegging van een vrije aftocht voor de burgers op zak, gaf de commandant zich op 27 juni over.

De martelaren worden door engelen naar de hemel gevoerd. Prent van Johannes van den Sande, gemaakt bij gelegenheid van de zaligverklaring in 1675. (Rijksmuseum Amsterdam)

De geestelijken werden nu een speelbal in de machtsstrijd tussen Oranje – nog steeds honderden kilometers van het strijdtoneel verwijderd – en Lumey, de leider van de watergeuzen. Zelfs tijdgenoten die tot het kamp van de opstandelingen behoorden, hadden weinig positieve woorden voor deze uit Luik afkomstige edelman over. Hij zou een ongeduldige, moeilijk stuurbare en uiterst wrede papenhater zijn geweest. En bovendien: zeer eergevoelig. Toen Oranje vanuit Dillenburg probeerde leiding te geven aan het ongeplande offensief van de opstandelingen, schreef hij een brief aan de stadsbesturen. De kern van de boodschap was: laat katholieke geestelijken met rust en stop met het stelselmatig verkrachten van nonnen.

Bij gelegenheid van ‘300 jaar 1572’ verschenen talrijke herdenkingsprenten. Op deze prent is de inname van Den Briel, op 1 april 1572, het centrale thema. (Rijksmuseum Amsterdam)

Lumey behoorde tot de groep die genoegen moest nemen met een afschrift van deze brief. En dit was tegen het zere been; de eer van graaf Willem van der Marck (zoals zijn adellijke titel luidde) was gekrenkt. Daarom liet hij de in Gorcum gevangen genomen geestelijken overbrengen naar zijn standplaats Den Briel. Deze groep van uiteindelijk negentien geestelijken – waarvan er elf tot de franciscaner orde behoorden – onderging uitvoerig beschreven folteringen en vernederingen. ‘De kieschheid verbiedt de schanddaden te verhalen, die aan de ontkleedde gevangenen werden uitgeoefend’, zo schreef de katholieke geschiedschrijver Nuyens drie eeuwen later. Op 9 juli kwam er een einde aan de folteringen: Lumey liet alle negentien monniken in een leegstaande turfschuur opknopen.

Een in Terneuzen uitgegeven herdenkingspenning bij ‘1 april 1872’. (Rijksmuseum Amsterdam)

Katholieke tegenpropaganda

De moord op de negentien ‘Martelaren van Gorcum’ mag volgens de hedendaagse normen beslist als een brute oorlogsmisdaad gekarakteriseerd worden. Maar in de 16de eeuw waren zulke gewelddadigheden schering en inslag. Er zijn in de beginfase van de Opstand minstens driehonderd geestelijken vermoord. En wat te denken van de wreedheden van de Spanjaarden? Het afslachten van de burgerbevolking van Zutphen en Naarden in het najaar van 1572 (met in beide plaatsen honderden slachtoffers) was nauwelijks meer dan het topje van de ijsberg. Dat de Martelaren van Gorcum een prominente plaats in een deel van de geschiedschrijving over de Opstand hebben kunnen innemen en lange tijd niet waren weg te branden uit schoolboeken met een katholieke signatuur, was de vrucht van de in het kader van de Contrareformatie gevoerde katholieke tegenpropaganda.

In 1925 werd in het veelgelezen weekblad Katholieke Illustratie uitgebreid aandacht besteed aan de bedevaart naar Den Briel.

Deze actie ging al in 1572 van start. Rutger van Est, wiens oom een van de negentien slachtoffers was, verzamelde meteen na de gruweldaad in de turfschuur bewijsstukken. Hij sprak met ooggetuigen en bezocht en documenteerde de plekken des onheils. Hij gaf Jan Thibaut Dircksz. opdracht om goed gelijkende portretten te schilderen van de slachtoffers. En hij schreef een strijdlied van 33 coupletten met de martelaren in de hoofdrol. Niet alleen met dezelfde lengte, maar ook op de wijs van het Wilhelmus. Dit lied verscheen in 1576 ook in druk. Ook in de jaren daarna verschenen er nog regelmatig prenten en pamfletten met als thema de tragische lotgevallen van de Gorcumse geestelijken. Het aantal miraculeuze verschijnselen (zoals genezingen en voorspellende droomgezichten) zwol zodanig aan dat in 1675 de zaligverklaring plaatsvond. Omdat in Den Briel na verloop van tijd niets meer herinnerde aan de gebeurtenissen van 9 juli 1572 en omdat in de Republiek de katholieken hun godsdienst niet in het openbaar mochten belijden, raakten nadien de Martelaren van Gorcum in de vergetelheid.

Dankzij onderzoek in 1572 was goed bekend op welke locatie de turfschuur stond waar de negentien geestelijken vermoord werden. Hier werd in de 19de eeuw een aan de martelaren gewijde bedevaartkerk gebouwd. Deze luchtfoto werd omstreeks 1932 gemaakt.

Verkettering, polemiek en polarisering

In het derde kwart van de 19de eeuw zouden ze weer een centrale plaats gaan innemen. Daarbij speelden twee processen een rol. Aan de ene kant het effect van de grondwetswijziging van 1848, die aan de wieg stond van de herleving van het katholieke zelfbewustzijn dat dringend behoefte had aan tot de verbeelding sprekende heiligen met een Nederlandse herkomst. Servatius, Willibrordus en Bonifatius werden weliswaar sinds mensenheugenis vereerd als de brengers van het christendom in de Lage Landen, maar hun wieg stond in een ver of overzees gelegen gebied.
Aan de andere kant speelden internationale verwikkelingen een rol. Nederlandse katholieken gaven massaal gehoor aan de oproep van de paus om hem militaire steun te verlenen bij diens strijd tegen Garibaldi. Ongeveer een derde van het Zoeavenleger bestond uit Nederlandse vrijwilligers. Als blijk van waardering verklaarde paus Pius IX op 29 juni 1867 de Martelaren van Gorkum heilig, met als gevolg een stortvloed aan hymnen en jubelliederen ter ere van de heiligen. In tal van plaatsen werden er broederschappen opgericht.

De voorzijde van Bedevaartkerk H.H. Martelaren van Gorcum, in Brielle.

In 1872 was voor de rechtgeaarde calvinisten ‘1 april’ een reden voor festiviteiten: in hun ogen werd op die datum een écht begin gemaakt met het afwerpen van het ondraaglijke katholieke juk. Voor de katholieken was het juist het begin van een periode van onderdrukking en godsdienstvervolging. Voor deze gelovigen werd 9 juli een dag die gevierd moest worden. In delen van Nederland waar katholieke en hervormde gemeenschappen dooreen leefden (zoals in het Westland) draaide in 1872 de marechaussee overuren. Uit volle overtuiging verstoorden de katholieken de herdenking van 1 april in protestantse buurdorpen. En omgekeerd kregen de katholieken op hun jubeldag een koekje van eigen deeg. In de pers werd de controverse uiteraard breed uitgemeten. Maar ook in de geschiedschrijving (en daarna in de schoolboeken) werden de degens gekruist. Het was een en al verkettering, polemiek en polarisering dat de klok sloeg.
Cor van der Heijden

Openingsbeeld: In april 1872 vonden in enkele Noord-Brabantse steden ongeregeldheden plaats. Op deze spotprent, verschenen in de Nederlandsche Spectator, wordt de indruk gewekt dat katholieke geestelijken, staande bij een anti-Orangistische banier, de onlusten zouden hebben aangewakkerd. (Rijksmuseum Amsterdam)

Lees het volledige artikel in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 6,25!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder