Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Napoleon en de stedenbouw

29 mei 2022 Siebrand Krul

‘Ik heb de glorie van mijn heerschappij laten bestaan in het vergroten en moderniseren van het grondgebied van mijn rijk. De uitvoering van deze grote werken is even noodzakelijk voor het belang van mijn volk als voor mijn eigen tevredenheid.’ Dixit Napoleon. De Corsicaan joeg honderdduizenden de dood in, bracht ook positiefs voor het moderne Europa.

Het einde van de 18de eeuw zag de opkomst van veel politieke en sociale veranderingen, gestimuleerd door de nieuwe ideeën van de Verlichtingsbeweging. Besluitvorming geleid door de rede, ver van enig obscurantisme of bijgeloof uit vervlogen tijden, had ook een impact op de stadsplanning en de esthetiek ervan. De stad werd een plek van leven, discussie en sociale activiteiten die zo gezond, inclusief en stimulerend mogelijk moesten zijn.
In die zin was Napoleon een man van zijn tijd, of het nu op wetgevend niveau was met bijvoorbeeld het eerste decreet tegen industriële vervuiling (1810), of de ontwikkeling van openbare diensten, zoals onderwijs en openbare ziekenhuizen. Het Consulaat en het Eerste Keizerrijk zagen de opkomst van de moderne stad, die planning en publieke interventie vereiste voor het collectieve en morele welzijn. Van Parijs tot Madrid, via Amsterdam, Lucca of Pontivy en Piombino: de stedenbouw onder Napoleon in Europa.

Stadsplanning

Een buitenlandse en ontwikkelde filosoof, Louis-Sébastien Mercier, die geblinddoekt in Parijs zou aankomen, zou kunnen uitroepen: ‘Ja, ik ben aangekomen. Dit is de hand van een vorst, die zei: laat dit land in een schaakbordpatroon worden gesneden zonder kronkels.’ In de tweede helft van de 18de eeuw was er in Frankrijk een groeiende belangstelling voor de versterking van steden. Niet alleen architecten, maar ook schrijvers en zelfs het grote publiek riepen op tot werk om de levensomstandigheden in steden, vooral in Parijs, te verbeteren.
Na de omwentelingen van de Franse Revolutie van 1789 probeerde het Eerste Keizerrijk de kunst van het bouwen tot een politiek en ideologisch instrument van primair belang te maken. In deze context bracht het bewind van Napoleon een periode van diepgaande transformatie in Europa teweeg in de manier waarop architectuur en stedenbouw werden bedacht en ontwikkeld.
De bestuurlijke en institutionele veranderingen die verband hielden met stilistische transformaties en politieke discoursen maakten architectuur vaak een sleutelelement in het proces van ‘nieuwe romanisering’, bepleit door het supranationale systeem van het Napoleontische rijk.
Steden begonnen te worden aangepast in de geest van de grootsheid van het rijk. Pleinen zoals Piazza Napoleone (vandaag Piazza Grande) in Lucca of Piazza Duomo in Milaan, zijn een replica van de Romeinse fora, voorbeelden die de nieuwheid van grote open ruimtes aantonen in vergelijking met de smalheid van de steden die binnen hun muren zijn ingesloten.
Deze wens om een stad te ontwerpen waarin oud en modern worden geconfronteerd in een unitair geheel, laat zien hoe de notie van stedenbouw een volledige en complexe betekenis kreeg met een geheel nieuwe systematische geest. De houding ten opzichte van de Oudheid veranderde in die tijd ook. Het werd niet langer beschouwd als slechts een overblijfsel uit het verleden, maar een toneel voor het moderne leven, het symbolische decor voor het nieuwe rijk. Monumenten werden opgegraven, gerestaureerd, bevrijd van de gebouwen die er tegenaan stonden en werden als archeologische wandelingen in de met bomen omzoomde tuinpaden geplaatst.

Symmetrie en groene ruimtes

Grote, met bomen omzoomde lanen waren katalysatoren van de stedelijke structuur, doorgangsplaatsen en het sociale leven. In 1800 regelde Elisa Baciocchi, de zus van Napoleon, de loopbrug rond de muren en wallen van Lucca, en creëerde zo een met bomen omzoomde promenade die de geometrische vorm van de stad benadrukt.
Vooral sinds de klassieke periode heeft de ingreep in de stad vaak geometrische vormen aangenomen: de boulevards, de grote lanen die in Parijs beginnen zijn, net als de nieuwe steden zoals Versailles, resoluut geometrisch. Deze geometrie werd gebruikt als een manier om de menselijke wil te manifesteren.
De nieuwe stad had een schaakbordindeling, met grote loodrechte lanen, zoals in de steden van het Romeinse Rijk. Deze stedenbouw en neoklassieke architectuur, met hun zorg voor symmetrie en geometrie, weerspiegelden een ideaal van orde en strengheid in tegenstelling tot de kronkelende smalle straatjes van de middeleeuwse stad. Een perfect voorbeeld is de Rivolistraat in Parijs. Onteigeningen en sloop begonnen in 1802. De gebouwen van deze parallelle straat aan het Louvre werden ontworpen met overdekte arcades, ‘vrij voor het publiek in alle weersomstandigheden, zullen degenen die de tuin bezoeken een veilig en gemakkelijk toevluchtsoord bieden in die onvoorziene stormen, zo vaak in het mooie seizoen’, aldus Pierre-François-Léonard Fontaine. In het geval van de nieuw gebouwde stad Pontivy verbindt de Rue Impériale (vandaag de Rue Nationale) de oude middeleeuwse nederzetting en het 15de-eeuwse kasteel met de Napoleontische wijk.
De opbouw van de nieuwe orde en centralisatie verliep via een ‘deconstructie’ van het grondgebied van het Oude Regime. In de 18de eeuw ontstond het idee van een globaal ontwerp van de stedelijke omgeving, ingegeven door de wens om elke stedelijke ingreep te verzoenen met de precieze vereisten van een landschappelijke orde. Fonteinen, trappen en tuinen waren allemaal elementen die in een evenwichtige verbinding tussen de architecturale gebouwen en de omgeving werden geplaatst.
Tijdens het Napoleontische tijdperk werd de stedelijke omgeving opgevat als functioneel voor het leven van de burger. Gebouwen werden hiërarchisch gerangschikt volgens hun functie in de nieuw gebouwde steden (Napoleonville, Napoleon-Vendée), en ruimtes werden op een symmetrische en rationele manier ontworpen. Het doel was om een formeel evenwicht te bereiken dat typisch is voor de klassieke kunst, door historische modellen te herstellen die de grootsheid van het rijk zouden vergroten. De steden moeten daarom functioneel, veilig, hygiënisch en groen zijn.

Napoleontisch Kadaster

De verandering van het begrip eigendom in de 18de eeuw, zoals vermeld in de Déclaration des droits de l’Homme et du citoyen (Verklaring van de rechten van de mens en van de burger), is een van de belangrijkste verschuivingen geweest in de ontwikkeling van steden. Opgericht in 1791 in Frankrijk, werd het kadaster onder Napoleon verbeterd en uitgebreid met het zogenoemde ‘Napoleonisch kadaster’ (1807). Het maakte een eerlijkere belastingheffing mogelijk, rekening houdend met de huurwaarde van elk perceel en het inkomen van elke eigenaar. Zijn systeem werd ingevoerd, vaak in aanvulling op bestaande, in verschillende landen zoals Nederland, Duitsland en Italië, waarvan we de sporen nog steeds vinden in het huidige kadaster.
Het kadaster is verre van slechts een fiscaal instrument, maar streeft naar gelijkheid van iedereen voor de wet. Daarom kan onroerendgoedbelasting niet langer worden gekoppeld aan sociale voorwaarden: het is nu een individuele aangelegenheid en eigendom wordt erkend als een heilig en onschendbaar recht.
[De onverklaarbare rechten van de mens] zijn vrijheid, eigendom, veiligheid en weerstand tegen onderdrukking. Aldus Artikel 2 van de Verklaring van de rechten van de mens en de burger (1789). In bijna alle steden waar Napoleon stedenbouwkundige werkzaamheden uitvoerde, vooral buiten Frankrijk, hadden openbare werken niet alleen een esthetisch en politiek, maar ook een strategisch karakter.
Enerzijds sloopte hij ouderwetse vestingwerken die vaak werden omgevormd tot openbare promenades en tuinen. In 1800, onmiddellijk na de overwinning van Marengo, beval hij de sloop van verschillende forten in Piëmont en de citadel van Milaan, zodanig dat herstel was uitgesloten. In 1803 werden forten in België afgebroken, onder meer die in Brussel, Leuven, Gent, Brugge, Bergen, Doornik, Namen, Luik en Mechelen. Hetzelfde besluit nam hij ook voor Duitse steden als Düsseldorf. Nadat deze vestingwerken waren afgebroken, liet hij het terrein inrichten als openbare promenades om de steden te omringen met een groene gordel, zoals hij al was begonnen in Frankrijk.

Aan de andere kant versterkte hij bepaalde strategische steden, zoals Antwerpen, Oostende, Mayence of Osoppo en Palmanova in Italië. In Polen kreeg de vesting Modlin, ongeveer vijftig kilometer ten noorden van Warschau, zelfs bijna stadsrechten vanwege de ongeveer 20.000 arbeiders.
Om de militaire posities te versterken, werden vaak kazernes geplaatst in de buurt van de stadsmuren om ze te beschermen, zoals de Montesano-kazerne in Palmanova of in Napoleonville (Pontivy). Kazernes boden huisvesting, wapenrustingen en stalling voor soldaten en hun rijdieren, samen met de ruimte die nodig was om hen te trainen. Ze waren getekend door symbolen van soliditeit en macht van de regering, waren ook ontworpen om verdedigbaar te zijn en konden zelfs als gevangenis dienen.
Binnen het kustverdedigingsprogramma, bekend als de ‘modeltorens en schansen uit 1811’ of Napoleontoren, waren aanvankelijk 160 modelwerken gepland (106 aan de Atlantische kust; 54 in de Middellandse Zee). Er werden echter slechts een tiental torens voltooid in 1814 vanwege de troonsafstand van Napoleon.

Strategische wegen: staatscontrole

Bonaparte gaf de voorkeur aan openbare infrastructuurwerken voor politieke doeleinden. Hiermee bedoelde hij allereerst werken van militair belang, zoals strategische wegen: de grote wegen van Parijs naar Italië, Duitsland, Spanje enzovoort. Deze dienden voornamelijk voor zijn bijna continue oorlogen en ten tweede voor de administratieve centralisatie van Parijs, niet alleen van de Franse provincies, maar ook van een groot deel van Europa. Bij de bouw in de provincies was het doel vaak direct politiek: nieuwe steden in Frankrijk (La Roche-sur-Yon – Napoléon / Pontivy – Napoleonville) waren bedoeld om de controle van de staat over opstandige of nieuw ‘gepacificeerde’ regio’s te verbeteren.
In Kroatië werd de weg die bekend staat als ‘Napoleons Weg’ of de ‘Franse Weg’ voornamelijk gebouwd dankzij de militaire commandant en hertog van Napoleon, August Marmont, die in de geschiedenis van Kroatië wordt herinnerd vanwege de talrijke maatregelen die hij daar heeft genomen. De 61 kilometer lange weg strekt zich uit van het zuidoosten van Orebić tot het noordwesten van het schiereiland. Deze weg langs de oostkust van de Adriatische Zee is een van de weinige overgebleven getuigen van de periode in de omgeving van Dubrovnik. Het is strategisch gelegen omdat het ontoegankelijke bergachtige streken doorkruist. Ze passeert 48 kleinere nederzettingen.
‘Communicatieassen’ waren een absolute politieke prioriteit voor Napoleon. Natuurlijke grenzen, zoals de Alpen tussen Frankrijk en Italië, werden overschreden met behulp van poststations die postvervoer van de ene naar de andere kant mogelijk maakten. Een van de effecten van de ontwikkeling van postdiensten in de steden was het straatnummeringssysteem: deze rationalisering van de ruimten draagt bij tot een hogere efficiëntie van de postdienst en een belangrijke verandering in de dagelijkse praktijk. In plaats van naar het postkantoor te moeten gaan, ontvingen mensen hun post rechtstreeks thuis of op hun kantoor.
Het paleis wordt al eeuwenlang beschouwd als het symbool van het politieke machtscentrum van de stad en als een allegorie die tijdens het Napoleontische tijdperk standhield. De rol van licht was erg belangrijk om de grootte van de kamers te benadrukken en de ruimten te definiëren. In 1799 verhuisde Napoleon zijn officiële residentie naar het Tuilerieënpaleis en vestigde hij zich in het centrum van Parijs.
Elisa, zijn zus, herstructureerde het gebied rond het paleis in Lucca, Italië, om het geschikt te maken voor het hofleven en regeringszaken. Een hele wijk werd gesloopt en daarmee een aantal belangrijke gebouwen, waaronder de kerk van San Pietro Maggiore, de munt en de paleistoren, tot dan toe het hoogste gebouw van de stad. Het zo ontstane plein is uiteraard vernoemd naar Napoleon en versierd met vier zuilen ter herdenking van de vier belangrijkste veldslagen die Bonaparte heeft gewonnen, terwijl het geplande standbeeld van de keizer nooit werd gebouwd. In perfect Franse stijl werd het plein begrensd door rijen platanen.

Nieuwe uitdagingen in groeiende steden

‘De graankwestie is de belangrijkste en de meest delicate voor de vorsten. Het volk moet gevoed worden om het te controleren. De landeigenaren hebben andere belangen. Zij zijn het nooit eens. De eerste plicht van de soeverein is om naar het volk te luisteren en niet naar de landheren. Aldus Napoléon Bonaparte in zijn brief aan Eugène de Beauharnais, september 1810.
In de 19de eeuw was Europa getuige van een enorme bevolkingsgroei vanwege de Industriële Revolutie. Van ongeveer honderd miljoen aan het begin van de 18de eeuw, bereikte het ongeveer 400 miljoen tegen het einde van de 19de, voornamelijk in stedelijke gebieden. Deze trend leidde tot een grote verandering: de noodzaak om te zorgen voor een gezonde leefomgeving, met water- en voedselvoorziening in de stad.
Een van de enorme veranderingen die Napoleon in dat opzicht opdroeg, vond plaats in Parijs. Hij verbeterde de watervoorziening door een waterweg aan te leggen tussen de rivier de Ourcq, de Seine en de Marne. Met de constructie van het Villette-bassin (1806-1809) werd een drinkwaterreserve voor Parijzenaars gecreëerd, evenals een transportroute over de kanalen van Saint-Denis en Saint-Martin. Napoleon zou uiteindelijk alle waterwegen van Parijs samenbrengen en een bevoorrading plannen die direct gericht is op het verbruik voor de inwoners en het schoonmaken van de straten. Verder werden er nieuwe fonteinen gebouwd op de belangrijkste openluchtmarkten van de stad en werden honderden drinkfonteinen door de hele stad geïnstalleerd. In 1812 vaardigde hij een decreet uit dat de gratis distributie van water uit fonteinen voorschreef en beschermde tegen elke speculatie over drinkwater.
Net als andere aspecten op het gebied van hygiëne en voedsel, zoals markten en schuren, waarvoor de overheid al ambitieuze plannen had ontwikkeld, werd het slachten van dieren in steden als een grootschalig probleem beschouwd.
In 1807 beval Napoleon de oprichting van grote slachthuizen om Parijs van vers vlees te voorzien. De slachthuizen, buiten gebieden met een hoge woondichtheid, waren gemakkelijk toegankelijk en dicht bij een grote waterbron, die overvloedig aanwezig was door het recent gebouwde Ourcqskanaal. Vanwege het beperkte budget, werd gekozen voor niet voor de hand liggende gebieden waar het land goedkoop kon worden verworven.
Cultuur, die de weg vrijmaakt om over het verleden na te denken en onze toekomst beter te definiëren, stond niet alleen in het teken van aardse behoeften, maar ook centraal bij andere belangrijke hervormingen. Met de Franse Revolutie wordt het principe bevestigd dat kunstwerken, zelfs die van vorsten, eigendom zijn van het volk en in openbare voorzieningen moeten worden ondergebracht.
Het Napoleontische Louvre stond open voor alle sociale klassen en was vrij toegankelijk. Het Louvre-model bevorderde de opkomst van nieuwe musea en een moderne historisch-kritische geest, die van vitaal belang wordt geacht voor de ontwikkeling van hedendaagse kunst.
Veel nationale musea werden beïnvloed door de visie van Napoleon, het zijn kinderen van revolutionaire idealen. Al in 1798 richtte Nederland naar Frans voorbeeld een nationaal museum op dat open was voor het publiek. In 1808 beval Lodewijk Napoleon, broer van Napoleon en inmiddels koning van Holland, de overdracht van de koninklijke collecties van Den Haag naar Amsterdam, dat de hoofdstad van het koninkrijk zou worden. Sommige meesterwerken werden toegevoegd aan de collectie van het nieuwe Rijksmuseum om het een bredere geografische representatie te geven, en de museografie was grotendeels geïnspireerd op het Louvre. Tegelijkertijd gaf Joseph Bonaparte, zijn andere broer en koning van Spanje, in 1809 bij decreet opdracht tot de oprichting van een museum in Madrid dat bedoeld was om de meest representatieve Spaanse schildercollecties, bekend als El Prado, te huisvesten. In tegenstelling tot het Louvre was het Prado niet bedoeld als encyclopedisch museum, maar had het dezelfde missie: de koninklijke kunstcollecties die voor iedereen toegankelijk waren.
De Napoleontische ambities op artistiek gebied komen ook Milaan ten goede. In tegenstelling tot andere grote Italiaanse musea, is de Pinacotheek van Brera niet het resultaat van privécollecties van prinsen en aristocratie. Het werd door Napoleon gemaakt als een klein Italiaans Louvre en was bedoeld om de belangrijkste geroofde schilderijen uit alle door de Franse legers veroverde gebieden tentoon te stellen. De schilderijen, bijna allemaal heilige altaarstukken, kwamen vooral uit gesloten kerken en kloosters in het hele grondgebied van het Koninkrijk Italië.

IJzer, een symbool van militaire en industriële macht

Het bewind van Napoleon was ook een voorloper van het wijdverbreide gebruik van ijzer in de stad. Het zou duurzaam zijn. Dat weten we nu, maar destijds was dat helemaal niet zeker, althans werd niet als zodanig begrepen. Openbare monumenten moesten steevast associëren met Napoleons militaire prestaties: hetzelfde ijzer dat zijn overwinningen tijdens de oorlog diende, zou worden gebruikt om vrede en veroveringen te bezegelen.
Een van Napoleons meest dramatische voorstellen op dit vlak was de gietijzeren zuil op Place Vendôme, geïnspireerd op de zuil van Trajanus in Rome. Napoleontische monumenten waren vaak gemodelleerd naar die van het oude Rome. Het zo grootschalig gebruik van ijzer in die tijd was ongekend in Frankrijk, en Napoleon ondervond in de meeste gevallen zelfs tegenwerking in de toepassing ervan. Napoleon drong echter meer aan op bruggen, misschien omdat hij niet wilde dat Frankrijk door de Britten zou worden overtroffen. De Pont des Arts was de eerste ijzeren brug in Frankrijk en de derde ter wereld, na Coalbrookdale en Sunderland in Engeland. Dit voetgangerspad werd gebouwd voor zowel openbaar nut als voor de verfraaiing van de steden.
Het meest spectaculaire ijzerproject van zijn tijd is het dak van de cirkelvormige graanbeurs, ‘La Halle aux blés’ genaamd. Na een brand in 1802 werd de koepel herbouwd met gietijzer geproduceerd in Le Creusot. Het was de grootste ijzeren constructie van zijn tijd, en de nieuwigheid van het gebruik van ijzer en de dunnere afmetingen maakten de Halle aux blés tot een opmerkelijke attractie in de tijd van Napoleon en gedurende de 19e eeuw.
‘Er zijn maar twee machten in de wereld, het zwaard en de geest. Op den duur wordt het zwaard altijd door de geest geslagen.’ Napoleon Bonaparte in Le Mémorial.
Terwijl tijdens de Franse Revolutie locale besturen een zekere autonomie en gekozen functionarissen bezaten, gaf Napoleon de voorkeur aan een top-down systeem met benoemde bestuurders die verantwoording moesten afleggen aan de centrale regering. Afgezien van de lange levensduur, is een opmerkelijk aspect van de wet van 1800 met betrekking tot de administratieve verdeling van Frankrijk de impact op het vasteland van Europa. Franse instellingen werden vaak geëxporteerd naar en opgelegd aan vazalstaten en veroverde gebieden om hun integratie in het rijk te vergemakkelijken.
Aan de voet van de Napoleontische administratieve piramide bevonden zich de gemeenten, in het besef dat op dit niveau moet worden gewerkt om de acceptatie van de natie als geheel te verbeteren. Burgemeesters fungeerden als zowel vertegenwoordigers van de gemeenten als agenten van de staat.
In 1800 richtte Napoleon de Bank van Frankrijk op om het land te helpen herstellen van een zware economische en financiële crisis. Hij introduceerde een valuta van constante waarde en richtte een instelling op die niet zou moeten dienen als een fonds voor de staat, maar om zijn bedrijven te promoten. De piepjonge Banque de France vestigde zich in het Hôtel de Toulouse, rue de la Vrillière in Parijs. Al snel was de Bank van Frankrijk de enige bank die bevoegd was om waardepapier uit te geven, vandaar de naam ‘centrale bank’. De belangrijkste klanten van de bank waren gewone banken, die tot taak hadden geld te lenen aan particulieren en bedrijven. De hoeveelheid geld steeg in het land en stimuleerde handel en industrie. Door de toenemende waarde van de door de staat geheven belastingen kon het land rijk worden en zijn leger financieren.

Onderwijs als sociale ladder

De Franse Revolutie bevorderde gratis basisonderwijs voor iedereen ten laste van de staat. Napoleon ontwikkelde het concept van de middelbare school met de oprichting van middelbare scholen (1802), die tot doel hadden studenten voor te bereiden op de universiteit en de toekomstige heersende klasse van het land op te leiden. Dit was ook een culturele revolutie: onderwijs werd aangemoedigd door middel van beurzen voor degenen die het waard waren, waardoor het mogelijk werd om op de sociale ladder te klimmen.
Napoleon wordt wel beschouwd als hoeder van de sociale orde en hij geloofde dat religie nuttig was voor de samenleving, maar ondergeschikt moest zijn aan de staat en alleen een spirituele rol moest vervullen. Hij beperkte daarom zijn macht, vooral in het onderwijs. Religieuze ordes werden onderdrukt, kerken en kloosters werden vernietigd of veranderd in openbare gebouwen (kloosters werden vaak gebruikt als kazerne, zoals het klooster van San Romano in Lucca). Kunstschatten, boeken en archieven van kerken en kloosters werden in beslag genomen om de musea en instellingen van Napoleon te verrijken. Kerkelijke eigendommen werden verkocht om de praktisch lege staatskas aan te vullen.
Met de Napoleontische oorlogen werd het Franse lycée-model geëxporteerd over Europa en beïnvloedde het de onderwijssystemen van Italië, Nederland, Spanje en het hertogdom Warschau. Vanaf 1806 fuseerde het met het Duitse systeem, waar het Gymnasium en de Universiteit van Berlijn al bestonden. Elke afdeling had zijn eigen middelbare school, gevestigd in oude kloosters, abdijen of hogescholen, waarvan vele al de centrale scholen huisvestten.
Stedelijke hygiëne werd ontwikkeld onder Napoleon door een reeks maatregelen op het gebied van watervoorziening van de stad. De noodzaak van een hervorming van het gezondheidssysteem werd gedreven door een tweeledig doel: het terugdringen van ziekten en ziekenhuisopnames, met behoud van een goed zorgniveau.
Tegen 1810 werden religieuze orden onderdrukt, maar een specifiek decreet dat de farmaceutische activiteiten van kloosters regelde, koos ervoor om deze activiteiten te behouden omdat ze essentieel waren voor de stad. Medische laboratoria werden gescheiden van het kerkelijk management en werden autonoom. Religieuze voorzieningen, zoals kloosters, werden geherstructureerd om ziekenhuizen te huisvesten.
Stedelijke herstructurering vond plaats zowel vanuit hygiënisch oogpunt als vanuit de wens om de aanwezigheid van het rijk voelbaar te maken en vond plaats met een zekere grootsheid. De opkomst van nieuwe ziekenhuizen in Piombino, Italië, gelegen in een achterstandswijk van de stad, had ook een belangrijke sociale impact op de bevolking. Er werden ook gespecialiseerde ziekenhuizen ontwikkeld en in de tijd van Napoleon ontstond bijvoorbeeld het eerste kinderziekenhuis in de westerse wereld, het Hôpital des enfants malades (1801) in Parijs, Frankrijk.
Het concept van openbaar nut hoorde onlosmakelijk bij de culturele uitwerking van de revolutie. Aandacht voor de aanleg van de stadsstraten, met name de uitbreiding van de periferie om het verkeer te versnellen en de doorlooptijden van de steden te verkorten, kenmerkte alle Napoleontische plannen en toont de veranderde gevoeligheid van de tijd voor functionele aspecten. Dit impliceerde in sommige gevallen de noodzaak van vernietiging en verbouwing. Zo liet Joseph Bonaparte, door de inwoners van Madrid ‘Pepe Plazuelas’ genoemd, veel kerken en kloosters in de Spaanse hoofdstad slopen om plaats te maken voor de aanleg van openbare pleinen zoals de Plaza real en Plaza de Oriente.
De nieuwe opvatting van de stad betekende ook een ongekende overeenkomst met de natuur en tegelijkertijd de garantie van fysieke en sociale hygiëne voor de gemeenschap. ‘Promenades’ werd een element van primair belang. Ze vergden veel arbeid om ze te realiseren, maar creëerden een gezonde omgeving, in contrast met de malariamoerassen rond steden. In Rome zijn de Villa Napoleone, de Tuin van de Grote Caesar en de wandeling van het Capitool hoogtepunten van het Napoleontische stedenbouwkundige programma (1809-1814). In sommige steden, vooral in Frankrijk, bleven de ‘promenades’ bestaan tot het einde van de 19de eeuw. Het waren de belangrijkste openbare groene ruimten, waar het mogelijk was om te zitten en te genieten van schaduwrijke plekken.
In Kroatië streefde Auguste de Marmont, de militaire gouverneur van Dalmatië, ernaar om de steden te verfraaien door vrije ruimtes te creëren op de plaats waar de afgebroken stadsmuren stonden. In 1807 vernietigde het Franse bestuur in Dalmatië de oude vestingwerken van Split. Generaal Marmont gaf opdracht tot het planten van bomen, waardoor een groot groen gebied en het eerste openbare park in de stad ontstond. Het bedekte de beek die in de buurt stroomde, en riolen en drainage werden aangelegd voor afvalwater. Midden in het park was een obelisk opgericht ter ere van Marmont.

Thermale baden: gezond en aangenaam

In Italië beschouwde Elisa Baciocchi, de zus van Napoleon, het thermaal- en zeewater als heilzaam voor welzijn en gezondheid. Dit leidde tot de oprichting van de Bagni di Lucca, een kuuroord met een park vol met bomen omzoomde lanen en tuinen. De stad werd verfraaid met goed onderhouden stadsmeubilair. Dankzij een publiek-private samenwerking werden faciliteiten zoals thermale baden en casino’s gebouwd om gezondheid en amusement te bieden. Dankzij haar werd Bagni di Lucca een referentiepunt voor het sociale leven. Er werd ook een ander kuuroord ontwikkeld, Viareggio, waar haar zus Paolina zich later vestigde, wat de eerste badplaats in Toscane werd.
Tijdens de Verlichting werd crematie in Europa opnieuw ingevoerd en nieuwe gezondheidsregels met betrekking tot het beheer van lijken en begraafplaatsen verbeterden, zij het langzaam, de oude gebruiken van de bevolking. In 1804 standaardiseerde het zogenoemde Edict van Saint-Cloud uitgevaardigd door Napoleon de regels voor de begraafplaatsen in Frankrijk en in de landen onder Napoleontisch gezag, zoals Italië. Dit edict had hygiënische en ideologische motieven. Het beheer van bestaande begraafplaatsen werd toevertrouwd aan de overheid en niet meer aan de kerk. Ook was het, uitzonderingen daargelaten, verboden om binnen stadsmuren en in kerken begraven te worden.
Het edict bepaalde dat graven buiten de stadsmuren moesten worden geplaatst, op zonnige en luchtige plaatsen, en dat alle graven gelijk moesten worden behandeld om elke vorm van discriminatie te voorkomen. Voor de illustere overledene besliste een commissie van magistraten of ze een grafschrift op het graf moesten maken. Onder de beruchte begraafplaatsen die onder Napoleon zijn gesticht, kan men denken aan Le Père Lachaise in Parijs of de monumentale begraafplaats van Brescia die bekend staat als Vantiniano.

Onvoltooide projecten

In veel steden in Europa konden tijdens de relatief korte Napoleontische keizertijd slechts enkele gebouwen worden gerealiseerd. In het eerste decennium van de 19de eeuw ontstond echter een architecturale taal die bekend staat als de ‘Empire Style’. Veel architecten die na 1815 actief werden, hadden gestudeerd aan de ‘Ecole centrale des Travaux publics’ of ‘Ecole polytechnique’ in Parijs, de belangrijkste Europese bouwacademie voor de ontwikkeling van hedendaagse architectuur rond 1800.
Verschillende projecten werden gepland, vooral in Italië, zoals de Grand César-tuin in Rome of de openbare tuin van Specola in Napels. De vooraanstaande positie van Aken in Duitsland, vooral vanwege de band met Karel de Grote, leidde echter tot een globaal stedenbouwkundig concept met grote nadruk op nieuwe representatieve gebouwen. Badpaleizen, culturele voorzieningen en nieuwe brede promenades moesten het kuuroord Aken weer aantrekkelijk maken voor zwemmers, nadat het baden in de tweede helft van de 18de eeuw bijna was gestopt. De straten van de stad moesten worden rechtgetrokken door ze op een regelmatige en uniforme manier uit te lijnen, waarbij de middeleeuwse stadsassen werden vernietigd.
De Franse regering wilde een nieuw prefectuurgebouw dat zowel de flat van de prefect als het kantoor en de archieven van het departementsbestuur zou huisvesten. Daartoe werd het voormalige kapucijnenklooster van Egulier afgebroken en werd de eerste steen gelegd op 15 augustus 1813, de verjaardag van Napoleon. Toen de Pruisische troepen Aken binnentrokken, werden de fundamenten van het prefectuurgebouw nog gelegd. In 1824 werd het terrein verkocht en kort daarna werden er woongebouwen opgetrokken.
Een ander belangrijk aspect waren de thermale baden van Aken. Na de Franse bezetting in 1792 namen de badactiviteiten in de stad af. Baden werden voornamelijk gebruikt voor de medische revalidatie van soldaten. In 1811 gaf Napoleon opdracht tot de wederopbouw, modernisering en uitbreiding van de badzones. ‘La Maison Thermale d’Aix-La-Chapelle’ was een van de duurste bouwprojecten en omvatte een gebouw met flats, restaurants, een café, een literaire kast, twintig baden, badcabines en douches. Dit thermaalpaleis zou gebouwd worden in de buurt van het huidige stadstheater.

Bron: De Europese Federatie van Napoleontische steden – Bestemming Napoleon brengt meer dan vijftig Europese steden samen met gemeenschappelijke geschiedenissen van Napoleontische invloed.
Europeana Foundation


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder