Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Sneeuw voor de Nijl?

13 april 2022 Siebrand Krul

Omstreeks het jaar 150 na Chr. tekende Ptolemaeus de Nijl, diep in Afrika ontspringend uit twee meren gevuld met sneeuwwater uit de ‘Montes Lunae’, de Bergen van de Maan. In de zoektocht naar de bron van de stroom duurde het tot het eind van de 19de eeuw vooraleer Europeanen die legendarische bergen voor het eerst zouden zien. Wat zo lang onmogelijk leek – gletsjers aan de evenaar - was waar.

De Griekse dichter Aeschylus (525-456 v. Chr.) legde voor het eerst een verband tussen de Nijl en sneeuw in zijn treurspel Aethiopis, precies in het enige vers dat ervan bewaard bleef. De dichter zou zich hierbij hebben geïnspireerd op een geschrift van een tijdgenoot, de filosoof Anaxagoras. Ruim vijf eeuwen later landde een Griekse koopman, Diogenes, op terugweg uit Indië in Raphta aan de Oost-Afrikaanse kust. Van daar reisde hij bijna een maand landinwaarts tot in de buurt ‘van twee grote meren en de besneeuwde bergen waar de Nijl zijn dubbele bron uit put.’ Diogenes’ relaas werd genoteerd door Marinus van Tyr, een geograaf uit Syrië, en het was onder meer op diens gegevens dat Claudius Ptolemaeus uit Alexandrië zich baseerde voor de vierde kaart van Afrika in zijn Geographia, een werk dat overleefde in de vele kopieën die middeleeuwse cartografen ervan maakten; voor 1600 verscheen er een dertigtal Latijnse of Italiaanse uitgaven van. In die vroegste atlassen zijn aan de oorsprong van de Nijl steeds twee meren getekend, Nili paludes, en een gebergte Montes of Mons lunae genaamd. In 1519 schreef de Spaanse geograaf Fernandes de Encisco: ‘Ten westen (van Mombassa) ligt de Ethiopische Olympusberg die erg hoog is, en verder daarvandaan liggen de Bergen van de Maan, met daarin de bronnen van de Nijl…’

Middeleeuwse voorstelling van de astronoom, wiskundige en geograaf Claudius Ptolemaeus uit Alexandrië.

Legendarische fascinatie

Tot ver in de 19de eeuw kon het Afrikaanse continent heel wat van zijn raadsels bewaren. Kaarten uit die tijd gaven wel een vrij gedetailleerd beeld van Noord- en Zuid-Afrika, en van de West- en de Oostkust, maar al het overige bleef terra incognita, onbekend terrein. Sommige verlichte geesten vulden de blinde vlekken naar eigen goeddunken in. Ze onderzochten klassieke of Arabische teksten op zoek naar oplossingen voor de geografische geheimen van Centraal-Afrika en vooral voor het ontspringen van de Nijl. Door het ontbreken van solide bewijzen waren eindeloze discussies mogelijk. Bij dit alles bleven de Bergen van de Maan een dominante rol spelen, hoewel de meningen verschilden over hun precieze ligging. In de Londense Royal Geographical Society werden de standpunten als een ware halszaak verbeten verdedigd; hele betogen verschenen in de kranten, want het onderwerp sprak sterk tot de verbeelding van het Britse publiek. De eerste berichten van protestantse zendelingen over sneeuwtoppen in Oost-Afrika werden op ongeloof onthaald. Na een hevige controverse bewees de ontdekking van de Kilimanjaro door Johan Rebmann in 1848 het bestaan van sneeuwbergen, maar de Maanbergen waren het niet, geen druppel smeltwater ervan bereikte de Nijl, de Kilimanjaro was veeleer te identificeren als de Ethiopische Olympus van Fernandes de Encisco.

De leden van de Emin Pasha Relief Expedition, na drie jaar heelhuids terug in Caïro, v.l.n.r. Thomas Parke, Robert Nelson, Henry Morton Stanley, William Stairs en Arthur Mounteney Jephson, 1890.

De laatste schakel

Door de expedities van Richard Burton, John Speke, James Grant en Samuel Baker kwam vast te staan, dat de Nijl niet één scherp afgetekende bron had, maar groeide uit het waterbekken van diverse grote meren, vooral Victoria en Albert. Als gevolg daarvan ging de belangstelling voor de Bergen van de Maan grotendeels wegebben, hoewel grote delen van Midden-Afrika nog steeds onbetreden gebied waren. Pas een kwarteeuw later zou die allerlaatste schakel van de Nijlbronnen worden onthuld. De vele toevallige kronkels van de Nijlexploratie maakten dat pas door die laatste ontdekking de oudste woorden over de Nijl zouden worden bevestigd. Ptolemaeus had gelijk, de Maanbergen bestonden wel degelijk: ten zuiden van het Albertmeer strekte zich inderdaad een bergketen uit, toegedekt door sneeuw; het smeltwater van dit massief vloeide via het Edwardmeer in het Albertmeer en vervolgens in de Witte Nijl.
De 20ste eeuw was haast aangebroken vooraleer die sneeuwbergen zich eindelijk aan westerse ogen zouden openbaren; telkens weer slaagden ze erin aan de aandacht te ontsnappen. Samuel Baker was er als eerste heel dicht bij gekomen. Hij ontdekte het Albertmeer op 14 maart 1864 en wist dat daar in de buurt de laatste kans lag om de legende hard te maken. Als de Maanbergen echt op realiteit berustten, moesten ze in dit laatste stuk onbetreden gebied liggen. Op het punt waar hij het Albertmeer bereikte, stond hij inderdaad slechts een zeventigtal kilometer ten noordoosten van de met sneeuw overdekte toppen die zich tot een hoogte van meer dan 5.000 meter verheffen. Hij merkte ze niet op omdat ze, zoals haast altijd, achter mist en wolken schuil gingen. Niet alleen Baker maar ook Emin, Gessi, Casati en Stanley zouden in de daaropvolgende jaren erg dicht in de buurt van de bergketen voorbij trekken zonder haar te zien.

Expeditieleider Henry .M. Stanley (midden), Arthur J. Mounteney Jephson (midden) en Thomas H. Parke (onder).

Zout of sneeuw?

In 1876 zag Henry Morton Stanley ‘een enorme blauwe massa’ heel ver weg, maar het was pas twaalf jaar later, tijdens zijn laatste expeditie, dat hij zich de ware aard ervan realiseerde. Hoewel Stanley later met succes alle eer voor de ontdekking naar zich zou toehalen, waren de bergen in werkelijkheid al ruim een maand eerder opgemerkt door Arthur J. Mounteney Jephson en de Ierse dokter Thomas Heazle Parke, leden van de door Stanley geleide expeditie die de gouverneur van Equatoria, Emin Pasha, moest ophalen na de opstand in Soedan. Parke vermeldt het gebergte als eerste, op 20 april 1888: ‘Jephson en ik werden vanochtend door Stanley uitgestuurd om de boot op het meer te water te laten (…). Tijdens de mars zagen we duidelijk sneeuw op de top van een enorme berg, ten zuidwesten van het punt waar we ons bevonden. Aangezien dit vreemd en onverwacht was, hielden we halt om een goede kijk te hebben. Sommige Zanzibari’s poogden ons te overtuigen dat de witte bedekking zout was, maar Jephson en ikzelf waren er zeker van dat het sneeuw was.’

Dokter Parke zuigt het gif uit het lichaam van William Stairs, getroffen door een giftige pijl, ca.1888. (Wellcome Library, Londen)

Op 26 mei 1888 noteerde Jephson zijn versie van de ontdekking in zijn dagboek: ‘Uitgestuurd om Emin Pasha op te halen, was ik met de boot op weg van Stanley’s kamp naar het meer. Plotseling zag ik, na een berg te zijn rondgetrokken, een met sneeuw bedekte top, heel ver weg boven de vlakte uit torend. De mannen die mij vergezelden, riepen dadelijk uit: ‘Dit is als de Kilimanjaro’. Ik zei hen dat ze gelijk hadden en dat er ongetwijfeld sneeuw lag. Toen ik samen met Emin Pasha bij Stanley terugkeerde en hem mijn vondst meedeelde, lachte hij mij uit en zei dat het slechts mist kon zijn geweest. Maar nu zegt hij aan Emin Pasha dat hij op vier mijl van het (Albert-)meer een sneeuwberg ontdekte, de eerste die hij ooit in Midden-Afrika zag; volgens de ligging moet het de Ruwenzori zijn, met een ontzaglijke hoogte, aangezien wij hem, zo stelt hij, op een afstand van veertig à vijftig mijl kunnen waarnemen in deze streek waar bergen van 2.000 voet alom oprijzen. Hij vermeldt niet dat Parke en ik de berg reeds meer dan een maand geleden hebben gezien en dat wij het hem toen hebben gezegd, neen, hij stelt het voor als zijn eigen ontdekking.’

Detail van het openingsbeeld: de Nijl op een kopie van Ptolemaeus’ kaart van Afrika, in de Cosmographia door Jacobus Angelus en Nicolaus Germanus, circa 1460, Helemaal onder staat: ‘Mons lune aquo Nili paludes nives suscipiunt’ – ‘Het Maangebergte van waaruit sneeuwwater in de meren van de Nijl vloeit.’ (The New York Public Library)

Schitterende zilveren wolk

Stanley beschreef zijn ‘ontdekking’ aldus: ‘Terwijl ik naar het zuidoosten keek en nadacht over de gebeurtenissen van de afgelopen maand, vestigde een jongen mijn aandacht op een berg, waarvan hij vertelde dat hij met zout was bedekt. Ik zag een wolk van bijzondere vorm, schitterend zilver gekleurd, die de afmetingen en het uitzicht van een enorme besneeuwde berg leek te hebben. De vorm naar beneden volgend, kwam ik onder de indruk van de donkerblauwe, haast zwarte massa daaronder en ik vroeg mij af of dit geen nieuwe wervelstorm aankondigde. Toen mijn blik echter afdaalde tot de opening tussen de oostelijke en westelijke plateau’s, werd ik er me voor het eerst van bewust dat de kolos die ik zag geen fata morgana was, maar de stevige substantie van een echte berg, waarvan de top met sneeuw was bedekt… ‘
Een jaartje later werd de ontdekking bevestigd door dezelfde expeditie die nog steeds in de buurt rondzwierf. Het verslag komt andermaal van Jephson, 2 april 1889: ‘Enkele dagen geleden zagen we de grote sneeuwberg, die de inboorlingen Ruwenzori noemen, goed en wel. Vorig jaar zagen we enkel iets als een grote, eenzame besneeuwde bergtop, maar nu zagen we een uitgestrekte reeks besneeuwde pieken, de ene na de andere, tot heel ver. Het was een prachtig gezicht, die uitgestrekte sneeuwflanken, schitterend in het zonlicht, precies in het midden van tropisch Afrika. Bij zonsondergang kreeg de sneeuw een rozige kleur. Het hele kamp was in alle staten, iedereen troepte samen en staarde ernaar.’

Stanley bij de sneeuwbergen van Ruwenzori, getekend door William Stairs, in The Illustrated London News, 1 februari 1890.

Onsterfelijke roem vergaren

Stanley vond het nodig zijn fel geteisterde expeditieleden de bergflanken op te jagen. Op sarcastische toon bracht hij verslag uit van die eerste, roemloze klimpartij: ‘3 juni 1889: Nu was het ogenblik gekomen voor onderzoek en botanisch verzamelwerk. Daarom liet ik weten dat elkeen zich diende voor te bereiden om onsterfelijke roem te vergaren bij het bestijgen van de beroemde Bergen van de Maan. Mijn krachten waren in zoverre hersteld dat ik haast 200 meter kon afleggen. Mr. Jephson moest tot zijn spijt meedelen dat koorts zijn opgewekt gemoed had veroverd en verslagen. Kapitein Nelson vond het echt jammer, waarlijk, kon het beklimmen van dergelijke woeste hoogten enig praktisch nut hebben; hij wierp een plechtige blik naar omhoog en sprak: ‘Neen, dank u wel’. Dokter Parke was helemaal in beslag genomen door de lijdende mensheid. Mr. Bonny had geen geluk – hardnekkige koorts had hem in haar greep, zijn ledematen waren haast in stokken veranderd. Kapitein Casati glimlachte droevig als leek hij te willen zeggen: ‘Kijk me aan en schat hoever ik zou komen’. Voor de Pasha evenwel was het een erezaak. Ontelbare keren al had hij vroeger bij de idee zijn verrukking geuit en nu was de hachelijkste fase van de hele mars aangebroken. William Stairs wierp een sluikse blik op de dreigende, onoverwonnen hoogten en riep: “Ik ga als een speer”. ‘s Ochtends vertrokken ze allebei, doch helaas, al na een 300-tal meter moest de Pasha het opgeven en naar het kamp terugkeren, terwijl Stairs voort ging’. Stairs startte om zeven uur ‘s morgens en arriveerde opnieuw in het kamp om drie uur de volgende dag. Hij was tot 2.500 meter boven het kamp geraakt, niet hoog genoeg om in de sneeuwvelden zelf door te dringen.

De sneeuwberg Ruwenzori in het Virunga National Park in Congo. (Foto Cai Tjeenk Willink)

Naar de top van Ruwenzori

In 1906 arriveerde Luigi Amedeo di Savoia, hertog van de Abruzzen, met een grote groep bedreven klimmers, vergezeld door wetenschapslui en biologen. De groep vertrok met 150 gehuurde dragers en slaagde erin voor het eerst de hoogste toppen te beklimmen en het hele gebied in kaart te brengen. Langzaam groeide het beeld van de Ruwenzori – Regenmaker in de lokale taal – als een gebergte met zes hoge pieken, zich uitstrekkend over bijna 130 kilometer lengte op het grensgebied van Oeganda en Congo. De hellingen aan de voet van het gebergte vormen een bevreemdend landschap, met unieke vegetatie, donkere meren en moerassen. De zes hoofdpieken zijn genoemd naar de sterkmakers van de Nijlexploratie: Speke, Burton, Gessi, Emin, Stanley, en als nakomer Luigi di Savoia. Een Mount Jephson of een Mount Parke – de ware ontdekkers van de Bergen van de Maan – is op de kaarten niet te vinden.
André Capiteyn

Openingsbeeld: Ptolemaeus’ kaart van Afrika met rechts de Nijl, in de Cosmographia van Jacobus Angelus en Nicolaus Germanus, ca.1460. (The New York Public Library)

Lees nog veel meer spannende en verrassende verhalen in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder