Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Niños de la Guerra

15 maart 2022 Siebrand Krul

Tijdens de Spaanse Burgeroorlog kwam een massale kinderevacuatie op gang die, tegelijk als sociaal experiment, uniek blijft in de geschiedenis. Naar schatting 32.000 ‘niños de la guerra’ of oorlogskinderen werden overgebracht naar Mexico, Rusland en verscheidene landen in Europa. Nederland hield het op financiële hulp, België plaatste ruim 5.000 gevluchte kinderen in pleeggezinnen. Ze ontkwamen aan het geweld in Spanje, maar niet aan de ideologische strijd in hun gastland. Hoe actueel.

Het naar autonomie strevende Baskenland (Euskadi) bleef in 1937 hardnekkig weerstand bieden aan de Franquisten. Dat niemand er veilig was, werd ten volle duidelijk door de zware bombardementen en beschietingen op de stadjes Durango, op 31 maart , en vooral Guernica (Gernika) kort daarna op 26 april. Hierbij vielen honderden doden onder de burgerbevolking. Overal in Europa, niet in het minst in België, was de verontwaardiging over het geweld groot, vooral bij socialisten en communisten, die aan de kant van de Spaanse Republiek stonden, toen die in de zomer van 1936 door de Nationalisten werd aangevallen. De Belgische regering bleef officieel neutraal, maar toch namen vanaf het begin van het conflict ca. 2.400 vrijwilligers actief deel aan de strijd tegen de Franquisten, als deel van de Internationale Brigades; 287 mannen en vrouwen keerden nooit terug.

Zoontjes van Republikeinse soldaten komen aan in Veracruz, Mexico, op 8 juli 1936. (Archivo General de México)

Kinderexodus

De Republikeinse regering was al sinds het begin van het conflict doende met het opzetten van kolonies in eigen land om kinderen in onder te brengen. Evacuatie naar andere landen kreeg niet de onvoorwaardelijke steun van de autoriteiten, noch van het Rode Kruis. Er waren immers in Spanje zelf nog veilige zones en in het buitenland zouden de kinderen, van de ene dag op de andere, weggerukt uit hun vertrouwde omgeving, vervreemden van hun land en hun gezin. Ook humanitaire organisaties verkozen opvang ter plaatse of in het Franse grensgebied. Uitzondering was gemaakt voor het Spaanstalige Mexico, waar 456 kinderen van Republikeinse soldaten begin juli 1936 door president Lázaro Cárdenas met open armen werden onthaald en in Morelia collectief opgevangen.

Aankomst van een groep ‘niños’ in België, onderaan de kleinsten van vier à vijf jaar. (AMSAB-ISG, Gent)

De Baskische overheid pleitte er wel voor om de kinderen naar het buitenland te sturen. Hun uittocht begon officieel op 20 maart 1937, toen een groepje, samen met onderwijzeressen, per boot richting Frankrijk vertrok. Na de aanval van het nazi-Duitse Condorlegioen op Guernica nam de Baskische president José Aguirre eind april 1937 het besluit om een ongeziene massale kinderevacuatie op touw te zetten, met hulp van het Internationale Rode Kruis, iets waar vele ouders zich eerst tegen verzetten en pas onder druk van het toenemende gevaar en dreigende hongersnood mee instemden. Er kwamen lange wachtlijsten en in de kranten stond welke kinderen konden vertrekken. Naast Rusland en Mexico gaven vrijwel alle Europese landen gehoor aan de oproep om de kinderen in veiligheid te brengen, uiteraard met uitzondering van Franco’s bondgenoten: Duitsland en Italië. Niet overal werden ze echter daadwerkelijk opgevangen; Zweden en Noorwegen waren bereid in Frankrijk kolonies te organiseren. Ook in Nederland startten het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) en de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) in augustus 1937 gezamenlijk een actie onder de leden voor een tehuis voor Spaanse vluchtelingenkinderen in Frankrijk. Dit leverde 85.000 gulden op. Een tweede actie in de zomer van 1938 werd grootser opgezet met een opbrengst van 125.000 gulden.

‘Steunt de Spaansche kinderen’, ontwerp voor praalwagen van de Belgische Werklieden Partij. (AMSAB-ISG, Gent)

Niños voor het leven

Eind 1936 en begin 1937 arriveerden er reeds een paar kleinere groepen ‘niños’ in België. Het transport gebeurde over zee tot in Zuid-Frankrijk, van daar met de trein verder noordwaarts. Na het bombardement op Guernica kwam de kinderexodus vanaf mei 1937 volop op gang. De duizenden minderjarige vluchtelingen uit Baskenland werden, samen met die uit andere regio’s, bekend als ‘los niños de la guerra’, de kinderen van de oorlog, een naam die ze hun hele leven lang bleven dragen of die hen, naargelang de omstandigheden, levenslang bleef achtervolgen. Het evacuatiecomité in Baskenland liet aan de ouders de vrije keuze van land, maar in de verwarring van het moment belandden niet alle kinderen op het juiste schip. Sommigen voeren per vergissing richting Sovjet-Unie, dat alleen de voorkeur had van de meest linksgezinde Basken.

Foto verschenen in De Standaard, 24 april 1937: ‘Een groep Spaansche kinderen, onttrokken aan de gruwelen van den strijd in hun land, is in Oostduinkerke aangekomen, waar de onschuldige slachtoffers van den burgerkrijg voorlopig een tehuis zullen vinden.’ (AMSAB-ISG)

Politieke motieven

In België was deze vorm van hulpverlening niet nieuw. In de jaren 1920 waren er reeds door WOI verzwakte kinderen uit Rusland, Oostenrijk en Hongarije voor kortere duur opgevangen. Toch stond de Belgische regering van nationale eenheid onder leiding van de katholiek Paul van Zeeland aanvankelijk, om tal van redenen, weigerachtig tegenover de komst van de Spaanse minderjarigen naar België en gaf de voorkeur aan bescherming in eigen land, georganiseerd door het Neutraal Steuncomité; ze zwichtte echter al snel voor de solidariteitsoproep van de socialisten, die ruime weerklank vond bij de brede publieke opinie. De oproep kreeg vorm in goed georganiseerde, geruchtmakende politieke actie, met inzet van alle propagandakanalen. Voor links sloot de zorg voor de oorlogskinderen uit de Republikeinse zone perfect aan bij de actieve strijd van de vrijwilligers tegen het fascisme in Spanje; het was evengoed een bijdrage aan die strijd, één die in België kon worden gevoerd en waarbij de hele bevolking kon worden betrokken. De socialistische volksvertegenwoordigers van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) wilden de Belgische burgers rechtstreeks met de gevolgen van het oorlogsgeweld in Spanje confronteren, gebruik makend van het lot der meest kwetsbaren, om zo hun regeringspartners – liberalen en katholieken – tot steun aan de Republikeinen aan te sporen. De BWP werd toen geleid door Emile Vandervelde, een fervent tegenstander van het fascisme.

Voor de Spaanse kameraden

Eind 1936 reeds werd in het Volkshuis in Brussel het ‘Nationaal Comité voor de Huisvesting der Spaanse Kinderen’ opgericht door de BWP, de Communistische partij en de Socialistische Vooruitziende Vrouwen. Laatstgenoemden waren uiteraard nodig voor de praktische kant en de rechtstreekse contacten. Naast het in huis nemen door gezinnen werd ook opgeroepen tot financiële steun. Kaartjes werden verkocht met het opschrift: ‘Wat deed u voor de Spaanse kindjes?’ – met op de keerzijde: ‘De Spaansche kameraden vechten voor ons aller vrijheid. Zorgen wij voor hun kinderen. Deze kaart wordt verkocht tegen den prijs van één frank ten voordele van de hulp aan de Spaanse kinderen. Belgische Werkliedenpartij.’ De communisten die eerst hadden samengewerkt met de socialistische steunorganisatie in functie van de volksfrontpolitiek, organiseerden spoedig een eigen opvang voor in totaal 329 Baskische kinderen. Het Neutraal Comité van de regering koos uiteindelijk ook voor gastgezinnen en ging 292 Baskjes onder zijn hoede nemen. Toen ook de katholieke zuil volgde, was België het enige land dat helemaal ging voor individuele plaatsing in pleeggezinnen, niet collectief in opvangcentra zoals in Groot-Brittannië, Denemarken, Zwitserland of, voor veertig procent, Frankrijk.

Spaanse vluchtelingenkinderen in het station van Moeskroen, 20 mei 1937. (AMSAB-ISG)

Goddeloos gif

Geconfronteerd met de grote impact van de linkse actie – notabene op hun terrein van de caritas – konden de katholieken als ideologische opponenten niet afzijdig blijven, al was het enkel maar om te beletten dat de overwegend gelovige Baskjes in rode handen zouden vallen en geen katholieke opvoeding konden krijgen. De katholieke politici namen hierbij echter niet openlijk het voortouw, wel de hoogste kerkelijke gezagsdrager van het land, kardinaal Van Roey, aartsbisschop van Mechelen. Dat gebeurde pas na een oproep van de Baskische bisschop Múgica eind april 1937. Die was er al evenzeer voor beducht dat de katholieke kinderen in socialistische en communistische middens zouden terechtkomen; hij drong er op aan dat ze ‘een onthaal konden vinden in middens en families waar hun geloof aan geen gevaar staat blootgesteld. Ik weet dat groeperingen die de Kerk vijandig gezind zijn, van de gelegenheid trachten gebruik te maken om aan deze reine zielen het gif van goddeloze beginselen in te enten,’ schreef bisschop Múgica.

Affiche van de Belgische Werkliedenpartij, Gent. (AMSAB – ISG)

Solidaire bevolking

De Belgische bevolking reageerde positief en toonde zich heel solidair, ondanks de moeilijke economische omstandigheden. Toen in 1936 vanuit socialistische hoek een eerste oproep werd gedaan om de Spaanse kinderen uit Baskenland asiel te verlenen, verklaarden honderden gezinnen zich spontaan bereid kinderen bij zich in huis op te nemen. De jongsten waren vier jaar, de oudsten twaalf. Broertjes en zusjes konden niet altijd samenblijven. Veel arbeidersgezinnen die zich hadden aangeboden bij het Nationaal Comité, konden zich slechts één pleegkind veroorloven. Dat was het geval voor Angel Mugica Gonzalez (vader van de latere Gentse politiecommissaris), die van zijn broertje Manuel werd gescheiden in het Gentse feestlokaal Vooruit; het duurde een hele tijd voor hij er achter kwam dat Manuel een paar straten verderop woonde.

In de socialistische stoet op de Dag van de Arbeid stapten ‘los niños de la guerra’ mee op, begeleid door leden van de Socialistische Vrouwenfederatie, Gent, 1 mei 1938. (AMSAB-ISG)

De broertjes Gonzalez behoorden wellicht tot de eerste groep die op 12 mei 1937 per autobus uit Frankrijk arriveerde aan het Sint-Pietersstation in Gent; buiten stond een enthousiaste menigte ze op te wachten. In stoet ging het naar het Feestlokaal Vooruit, waar ze ter geruststelling chocolade en fruit kregen toegestopt. Dan moesten ze met nummer- en naamkaartje het podium op voor de toewijzing aan de uitgekozen pleegouders. In totaal werden er met de hulp van de Socialistische Vrouwenfederatie ca. 200 kinderen uit Baskenland in Gentse gastgezinnen geplaatst.

Excursie van een groepje Spaanse kinderen. (AMSAB-ISG)

Verwend of verwaarloosd

In de grote steden konden de kinderen Spaanse les volgen in de zondagsschool, en om hun onderling contact te onderhouden, organiseerden het steuncomité allerlei excursies. In de traditionele socialistische optocht op 1 mei, Dag van de Arbeid, moesten ‘los niños’ onder sprekende spandoeken mee opstappen. In Home Emile Vandervelde, de socialistische vakantiekolonie in Oostduinkerke, werden gevluchte oorlogskinderen opgevangen, in afwachting van plaatsing in gastgezinnen. In april en mei 1937 logeerde er een groep van 200 kinderen (117 jongens en 83 meisjes); ze verbleven er een drietal weken en kregen er ondertussen les. ‘L’Age Heureux’ in Nieuwpoort en ‘La Lys Rouge’ in Heist- aan- Zee vingen eveneens kinderen op. In Wallonië gebeurde dat in de Colonie Achille Galopin van Comblain-au-Pont; van hieruit gingen de meesten naar Brussel en Luik.
In de arbeidersgezinnen liep het samenleven met de nieuwkomers niet steeds van een leien dakje. De pleegouders kenden, op een uitzondering na, geen Spaans, laat staan Baskisch; communicatie was maandenlang enkel mogelijk via lichaamstaal, hun voornamen werden niet zelden ‘ontspaanst’. Sommigen werden verwend, anderen verwaarloosd. De meeste families zorgden genereus voor een goede thuis, anderen verwachttten financiële tegemoetkoming, maar er was geen vergoeding toegezegd; soms werden ze aan het werk gezet als hulpjes. Wanneer de kosten te zwaar waren of de spanningen met getraumatiseerde kinderen te groot, werden ze in extreme gevallen gewoon het huis uit gestuurd. Voor jongens ouder dan acht werden vaak geen kandidaten gevonden; noodgedwongen belandden die dan toch in collectieve opvang.

Kaartje van Eusebio, pleekind van Emile De Coninck in Mechelen , met stempel van de Belgische Werkliedenpartij. Hij werd later geadopteerd met akkoord van de natuurlijke ouders.

Eusebio vertelt

‘Op een dag had men voor ons pleeggezinnen gevonden. We waren met zeven jongens en één meisje, Concha. We reisden met de trein naar Mechelen. De socialisten bezorgden ons een onthaal dat ik niet vlug zal vergeten. Antoon Spinoy was toen de voorman. Een fanfare haalde ons op aan het station. Er was een groot feest. Ik zie nog hoe we van het station door de Bruul marcheerden en hoe de mensen ons toewuifden en juichten alsof we helden waren. Ik was een kind van tien en begreep er niet veel van. We vroegen ons af wat er aan de hand was. We trokken met een hele stoet mensen naar cinemazaal Rio in de Bruul. Alle acht Spaanse kinderen kregen een stoel op het podium. Mijn toekomstige pleegvader, Emiel De Coninck, ging achter mij staan. Er waren toespraken, maar we begrepen toen nog geen woord Nederlands en zaten maar wat te kijken. We waren echt heel verwonderd over wat er gebeurde. Op een bepaald moment braken verschillende mensen in tranen uit. Ook dat vonden we vreemd. Er was eerst muziek en gejuich, dan plots geween. Maanden later vroeg ik uitleg aan mijn pleegvader. In een aangrijpende toespraak was verteld dat een van de kinderen, Concha, haar moeder in haar armen had zien sterven. Ik vroeg Concha achteraf of dat waar was, maar ze lachte het weg. Haar ouders leefden nog, er was niks in die zin gebeurd. Misschien was de spreker verkeerd geïnformeerd of misschien paste het beter in het propaganda voeren. Alles werd toen wellicht wat opgeblazen.

Kardinaal Van Roey ontvangt de Spaans/Baskische kinderen met hun pleegouders in Mechelen, 7 oktober 1937. (Stadsarchief, Antwerpen)

Elke donderdag kwam ik met andere Baskische kinderen samen in een jeugdhuis van de socialistische mutualiteit, maar ik kwam daar telkens opstandig van terug, zei mijn vader. Dat had zo zijn reden: we praatten er Spaans met elkaar en hadden het over onze pleegouders; we zegden dat die ons niets te bevelen hadden omdat het onze echte ouders niet waren en dat ze niets van ons begrepen.Toen beseften we nog niet wat die mensen voor ons betekenden. Mijn pleegouders wilden me opvoeden als hun eigen zoon en men liet me niet meer naar dat jeugdhuis gaan. Regelmatig kwam iemand van het Rode Kruis op inspectie in de opvanggezinnen. Zo herinner ik me nog señora Carmen uit Antwerpen die heel tevreden was hoe ik werd verzorgd. Af en toe schreef ik naar mijn ouders in Spanje, maar heimwee had ik niet. Later vernam ik dat mijn moeder met mijn twee zussen en een broer gevlucht waren naar Frankrijk toen mijn oudste broer Pepe en vader krijgsgevangen waren genomen.’

De laatste groep vluchtte in de winter van 1939 via de Pyreneeën. De minderjarigen uit Mataro in Catalonië werden in maart onthaald in het Achturenhuis van de Tramwerkers in Oostende. (AMSAB-ISG)

Kinderwerk van de kardinaal

Pas in mei 1937 kwam de oproep van kardinaal Van Roey om Spaans/Baskische kinderen in huis op te nemen, gevolg gevend aan de vraag van bisschop Múgica: ‘ de christelijke naastenliefde legt ons op alles te doen wat enigszins mogelijk is om hulp te bieden aan de ongelukkige Baskische kinderen waarvan een groot deel wezen zijn. Dientengevolge heeft het Belgisch Episcopaat een werk van hulpbetoon ingesteld om aan deze onschuldige slachtoffers van de burgeroorlog een onderkomen te verschaffen. (…) Niemand is het onbekend dat het Baskenland grotendeels diep-katholiek is: de kinderen die ons zullen toekomen, zijn katholiek.’
De organisatie droeg de naam ‘Beheer van het Werk der Baskische Kinderen’ (Aartsbisdom Mechelen), ook ‘het Baskisch Kinderwerk van monseigneur Van Roey’ genoemd. De oproep van de kardinaal verscheen, samen met die van de Baskische bisschop, in de katholieke kranten en werd tijdens de kerkdiensten voorgelezen. Ook hier was de respons groot: er waren snel om en bij de 2.000 aanvragen van families, vooral in Mechelen, Antwerpen en Brussel, terwijl er maar ca. 1.200 niños geplaatst konden worden.
In de jaren 1920 waren eerder al in totaal 20.000 verarmde ‘Hongaartjes’ met kindertreinen uit Boedapest naar België, en vooral naar Vlaanderen gekomen, in het kader van een internationaal humanitair project, om enkele maanden bij een gastgezin ‘aan te sterken’. Vele van hen stelden zich in 1937 opnieuw kandidaat, ondanks hun lage inkomen. In Antwerpen werden de Baskjes samen gebracht in kloosters voor de selectie. ‘We kwamen aan bij de paters, in een grote zaal,’ vertelt Basilia Aranceta, ‘daar moesten we allemaal gaan zitten, en zoals op een keuring kwamen de pleeggezinnen langs: ‘Die wil ik wel, dat zou er één voor mij zijn, ‘ klonk het. Ik werd gekozen door een kinderloos koppel.’ De verdeling verliep zeker niet overal op die onbeholpen manier: in Mechelen bepaalde men vooraf aan welk gezin welk kind werd toegewezen. De voorkeur ging naar wezen en jonge meisjes. Kinderloze echtparen zagen het als een vorm van adoptie en onderschreven de tijdelijkheid niet; ze bemoeilijkten contacten en sommigen zouden zich later zelfs verzetten tegen terugkeer naar de Spaanse ouders. Oudere jongens waren minder gewenst, die kwamen terecht in kostscholen en kloosters. Historica Hanne Hellemans, die onderzoek deed rond de onderduikadressen van joden in België tijdens WO II, achterhaalde dat het Mechelse clandestiene netwerk van René Ceuppens, secretaris van de kardinaal, nog grotendeels hetzelfde was als het netwerk dat voor de Baskische kinderen was opgezet, enkele jaren voordien.

Terug naar Spanje: vertrek van ‘niños ’ uit de Oost-Statie in Antwerpen, 18 januari 1938. (Stadsarchief Antwerpen)

Terugkeren of niet ?

De grootste instroom van oorlogskinderen vond plaats in de zomer van 1937, daarna volgden nog slechts kleinere groepen, maar begin 1939 zou het aantal weer sterk aangroeien, toen de val van Catalonië opnieuw een massale vlucht veroorzaakte. Nadat de Republikeinen door de Franquisten waren verslagen, in april 1939, eiste Franco de terugkeer van alle ‘gestolen’ Spaanse kinderen, zonder politiek onderscheid. Ook de ouders die de strijd hadden overleefd wilden in de meeste gevallen hun kinderen terug bij zich, niet vanzelfsprekend voor de velen die voor en vooral na de machtsovername ook zelf waren gevlucht. De militanten stonden voor een moeilijke keuze: moesten ze hen afstaan en terug naar huis laten gaan, of hen bij zich houden om ze te beschermen tegen het fascistische regime van Franco? Stalin verbood daarom hun terugkeer uit Sovjet-Rusland. Om diezelfde politieke reden weigerden sommige pleeggezinnen aanvankelijk om de kinderen terug te sturen. De meesten deden dat toch, ondanks de band die was gegroeid. Soms werd de keuze aan de kinderen zelf gelaten. Het katholieke netwerk gaf namenlijsten vrij die in de plaatselijke kranten in Baskenland gepubliceerd werden; 185 kinderen werden zo door hun ouders opgevraagd en terugbezorgd. Tegen eind 1939 waren de meeste ‘niños de la guerra’ naar Spanje teruggekeerd, dat gebeurde versneld onder de toenemende dreiging van de Wereldoorlog. Later zou blijken dat de dictatuur vele van de terugestuurde kinderen in weeshuizen had ondergebracht (hoewel de ouders nog leefden) om ze daar ‘een correcte nationalistische opvoeding’ te geven. Anderen werden zelfs aan kinderloze Franquistische gezinnen toegewezen en kwamen pas decennia later, of helemaal nooit, te weten wie hun natuurlijke ouders waren. Volgens cijfers van november 1949 van de officiële (Franquistische) Delegación de Repatriación de Menores werden 5.130 kinderen in België onthaald, van wie er 3.100 uit Baskenland kwamen, en keerden er na de burgeroorlog 3.798 terug. Slechts enkele honderden konden bij hun pleegfamilie blijven, veelal wezen, of volgens voor elk geval verschillende overeenkomsten met de familie in Spanje, die soms een betere toekomst voor hun kind zagen in België; velen kregen nadien de Belgische nationaliteit. ‘Ik kende die dame niet die me na de Burgeroorlog vanuit Spanje was komen opzoeken, mijn moeder,’ vertelde Carlos Pascual Madorran later , ‘ik wilde naar mijn mama, zoals ik mijn pleegmoeder altijd ben blijven noemen.’ Carlos kwam als jongste peuter van vier en bleef; zijn natuurlijke ouders kwamen ook in België wonen. Hij werd Belgisch kampioen worstelen en opende in de jaren zestig de dancing Don Carlos aan de Gentse Kuiperskaai. Niemand geloofde dat hij een Spanjaard was, hoewel hij nooit van nationaliteit veranderde.

Omslag van ‘Los Niños. Tien vluchtelingenkinderen uit de Spaanse Burgeroorlog vertellen’ (Hilde Pauwels e.a., Uitgeverij EPO, 2007).

Voetnoot in de geschiedenis

Na WO II keerden sommigen uit Spanje terug naar België om hun vroegere gastgezin te bezoeken of om er zich in sommige gevallen ook te vestigen en hun leven uit te bouwen. Josu de Aguirre, die op z’n tiende uit het Baskische Getxo in Aalst was gearriveerd, keerde in 1947 terug en werd later secretaris-generaal van het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs; hij overleed in 2019 als één van de laatsten, 92 jaar oud (één van zijn dochters is de bekende VRT-journaliste Phara de Aguirre). Opmerkelijke nieuwe Belgen waren voorts Eusebio De Coninck, die als geadopteerde zoon de sanitaire zaak van zijn vroegere pleegouders in Mechelen overnam, en François Santin, arbeider bij Cockerill in Luik, die carrière maakte in de linkse vakbond FGTB. Op jaarlijkse samenkomsten onderhielden de ‘niños’ – en onderhouden op hun beurt hun kinderen – een hechte band met elkaar, elk met een eigen bewogen verhaal van ontheemding, vervreemding, aanpassing en zoektocht naar identiteit.

Reünie van Belgische ‘niños de la guerra’ in Brussel, 1990. (AMSAB-ISG)

‘De grote impact op het persoonlijke leven van deze ex-kinderen – ze maakten allen een klein decennium oorlog mee – staat in schril contrast met hun marginale aanwezigheid in de grote geschiedenis’, schreef Vincent Scheltiens in het tijdschrift ‘Brood & Rozen’ (2007/4), ‘Feit is dat, mede door de dictatuur, wie van deze kinderen vanuit België ‘Spaans’ wilde blijven er een gevecht heeft voor moeten leveren: een modus vivendi vinden met de natuurlijke ouders en/of familie (al dan niet hereniging), eventueel opnieuw de taal leren, een standpunt innemen tegenover de dictatuur, al dan niet dat standpunt tot uiting brengen, de eigen kinderen betrekken bij die herkomst… Kortom, de weg terug moet afgelegd worden, in afstand én tijd, tegen de stroom van het dagelijks leven in, want de kracht van de grote geschiedenis heeft hun kleine geschiedenis meer dan duizend kilometer opgeschoven.(…) In de Spaanse historiografie zijn de niños de la guerra’ nauwelijks meer dan een voetnoot’. Die moeilijke weg hebben ze inmiddels afgelegd, vrijwel allen zijn ze nu overleden en verdwenen in de marge van de geschiedenis.
André Capiteyn

Openingsbeeld: Aankomst van een groep Spaanse vluchtelingenkinderen in Home Emile Vandervelde, de vakantiekolonie in Oostduinkerke aan de Belgische kust; ze zijn begeleid door de dochter van Emile Vandervelde, voorzitter van de BWP. (Beelbank Brugge/Collectie Jaak A. Rau)

Lees nog veel meer verhalen over de Spaanse Burgeroorlog in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. NU overal in de winkel voor slechts 5,50 euro!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder