Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

De missing link: botjes op Java

16 februari 2022 Siebrand Krul

In Indonesië kennen alle kinderen hem want op school wordt onderwezen wie Eugène Dubois was, in onze contreien is hij vrijwel onbekend. Dubois’ missie, meer obsessie, was zijn zoektocht in Nederlands-Indië naar Darwins ‘missing link’ tussen aap en mens. Op Java vond hij de ‘ontbrekende schedel’. Naturalis in Leiden bewaart zijn ‘Java-schedel’ in een kluis met brandvrije metalen wanden.

Eugène Dubois (1858-1940) was de zoon van de apotheker en tevens burgemeester van Eijsden, vlakbij de Sint-Pietersberg. Hij zocht als jongen gesteenten en fossielen in de omgeving en met zijn vader en broer Victor medicinale planten. Hij is rusteloos, leergierig en een goede zwemmer. Als hij in 1868 van een leraar hoort dat de Duitse bioloog Karl Vogt een lezing komt geven over de evolutietheorie, wil Eugène er heen, maar zijn vader vindt hem te jong. De volgende dag leest hij er een krantenartikel over en laat dan, op dertienjarige leeftijd, ‘de katholieke kerk vallen’. Zijn zus kiest voor het klooster, wat hij verafschuwt: ‘Marie (…). Je hoeft je hele leven niet op te geven om een goed katholiek te zijn.’

Koelies die begin jaren negentig op de site bij Trinil voor Dubois werkten.

Verklaring ligt onder je, niet boven

Als beoogd opvolger in zijn vaders apotheek volgt hij een medische opleiding. Op de universiteit blinkt hij uit, zijn dissecties zijn het beste uitgevoerd en zijn experimenten lijken altijd te werken. Hij wordt gepest vanwege zijn ‘gouden handjes’ en feilloze geheugen. Dubois is diep teleurgesteld als Max Furbinder, professor anatomie, aan de haal wil gaan met zijn onderzoeksresultaten. Het is zijn eerste teleurstelling in de wereld der wetenschap. Qua relaties gaat hij aanvankelijk om met de geëmancipeerde Mia, dochter van architect Pierre Cuypers, die in Indië heeft gewerkt. Maar uiteindelijk huwt hij de aanvankelijk luchthartige Anna Lojenga, die tegen haar geleerde man opkijkt. Hij bekwaamt zich in de vergelijkende anatomie, richt zich op de oorsprong van de mens, geeft een carrière als anatoom op (evenals het geloof in het scheppingsverhaal), slaat een hoogleraarschap af en gaat in een tijd dat vermoed wordt dat de eerste mens in de tropen leefde, in 1887 met Anna en dochtertje Eugenie als legerarts naar Nederlands-Indië; zijn feitelijke doel is daar de missing link vinden. Ofwel, hij kijkt niet naar de hemel voor de schepping, maar naar de grond.

Een gedenkteken bij de vindplaats bij de Solo rivier.

Hij is aanvankelijk gestationeerd op Sumatra. Omdat de vondsten tegenvallen, vraagt hij overplaatsing aan naar Oost-Java. Het gezin gaat naar Toeloeng Agoeng, waar Dubois in een lokaal hospitaal wordt gedetacheerd. Hij raakt bevriend met planter Adam Prentice, bij wie hij een luisterend oor vindt voor zijn fossielen-obsessie. Prentice herinnert zich in een brief een wandeling samen: ‘….hoe een slang langs een landweggetje een kikvors wilde verzwelgen en jij meteen te hulp schoot door de slang te dwingen de kikvors los te laten die (…) vervolgens opgelucht in het stroompje naast de weg sprong.’

Het gevonden bot. (Naturalis Biodiversity Center)

De Pithecanthropus-erectus

Dubois, financieel ondersteund door de Nederlandse overheid, zet zijn archeologische werk voort. Hij graaft overigens niet zelf. Twee genieofficieren die hem naar Java zijn gevolgd, Gerardus Kriele en Anthonie de Winter, geven leiding aan twintig Javaanse gevangenen die als dwangarbeiders voor hem werken. Ze zijn volgens Dubois ‘zo indolent als kikvorsachtigen in de winter’, maar vinden in 1891 wel bij Trinil in de kleibedding van de Solorivier een afwijkende schedel en een kies, die aan een voorloper van de homo sapiens moeten hebben toebehoord. Omdat de schedelkap boven de ogen verdikt is, lijkt het aanvankelijk een reststuk van een schildpad. Pas na verwijdering van aangekoekte lagen met een tandartsboor komt de gedachte aan een schedel boven. Een jaar erna wordt vijftien meter verderop een linker dijbeen gevonden. Dubois schrijft dat een bot met die lengte niet voorkomt bij aapachtigen, ongeschikt is voor klimmen in bomen en ‘dezelfde rol vervult als in het menselijke lichaam’. Het is nu zeker dat deze soort ’rechtop stond en bewoog als een mens’. Dubois noemt zijn vondst Pithecanthropus-erectus, vooral bekend als de Javamens. Intussen heeft hij ook nieuwe technieken bedacht om fossielen zo goed mogelijk te meten (zo onderling vergelijkbaar te maken) en ze optimaal, zonder vervormingen, te fotograferen.

De olifant die Dubois leende van de maharadja. (Naturalis Biodiversity Center)

Op zijn publicaties over de ‘missing link’ komen kritische reacties, die hij moeilijk kan verstouwen. Intussen wordt in het gezin een dochtertje dood geboren, waardoor Anna erg aangeslagen is. Voordat ze na zijn diensttijd eind 1895 terugkeren naar Nederland, bezoekt Eugène opgravingen in noordelijk Brits-India, vanwege daar gevonden ‘Siwalik’ fossielen. Hij rust een expeditie uit met een van de plaatselijke maharadja geleende olifant, maar treft niets bijzonders aan. Intussen verdenkt hij dat Anna en Prentice, die haar herhaaldelijk heeft opgezocht, een affaire hebben, waardoor het huwelijk nog sterker bekoelt. Op de terugreis naar Nederland komt hun schip in zwaar weer en als de passagiers in reddingsboten moeten plaatsnemen, realiseert Dubois zich dat hij zijn ‘missing link’ bewijsstukken in zijn hut heeft achtergelaten. Hij spoedt zich terug en komt even later aanzetten met de waardevolle houten koffer.

Dubois met zijn vrouw Anna Lojenga in 1877. (Wikicommons)

Koele ontvangst

Eenmaal terug in Holland zegt Dubois’ moeder relativerend: ‘Maar wat heb je er aan?’. Dat is slechts een voorbode van de teleurstellende ontvangst die hem wacht; een Leidse lector volkenkunde noemt zijn vondst en theorie ‘apekool’. Meer critici vechten zijn vondst aan, maar hij ontvangt in Frankrijk wel de Prix Broca ‘voor uitmuntende prestaties op antropologisch gebied’. Zijn collectie is in vierhonderd kisten verscheept, 40.000 botten, tanden, schelpen en een mosselschelp met een ingekraste grafische zigzaglijn. De laatste werd pas in 2014 in zijn collectie ontdekt door José Joordens, lid van de Human Origins Group van de Leidse universiteit, die erover publiceerde in Nature.

Dubois (tweede van rechts) met een bezoekende Jac. P. Thijsse (tweede van links).

Tijdens een bezoek aan Parijs om daar zijn vondsten te verdedigen, vergeet Dubois in een bistro bijna weer ‘zijn koffertje’, onder de eettafel neergezet, en keert met veel misbaar terug. Maar de ober heeft het veilig opzij gezet. Hij raakt verbitterd, weigert zijn vondsten (in de kruipruimte van zijn huis verstopt) beschikbaar te stellen voor de Wereldtentoonstelling in Parijs in 1900, maar wil wel een levensgrootte weergave van zijn Pithecanthropus tentoonstellen. Daarvoor moet Jean, oudste van zijn drie zonen (die een Spartaanse opvoeding ondergaan) eindeloos model staan. Het beeld krijgt uiteindelijk een dierenvel omgehangen om de edele delen aan het gezicht te onttrekken.
Dubois wordt in 1897 benoemd tot hoogleraar in de kristallografie, mineralogie, geologie en paleontologie aan de Universiteit van Amsterdam. Daar verricht hij behalve naar de afstamming van de mens en zijn cephalisatietheorie (relatie lichaamsgrootte/herseninhoud), onderzoek naar de geologie van Nederland, zoals het ontstaan van Hondsrug en de ontwikkeling van vroegere klimaten.

De villa op landgoed De Bedelaar. (Foto Lex Veldhoen)

Een egoïstisch monster

Woont hij met zijn gezin aanvankelijk in Den Haag, later verhuizen ze naar Haarlem, omdat hij conservator wordt bij Teylers Museum. Anna vindt hem obsessief, veeleisend en een tiran. Ze verwijderen steeds meer van elkaar. Dubois koopt een huisje verderop in de straat, leeft steeds meer als een kluizenaar, heeft een affaire met een dienstmeisje, zo vertelt een assistente die hem qua intellect ver vindt uitstijgen boven collega’s, maar hem tevens een egoïstisch monster noemt. Hij publiceert tussen 1911 en 1920 zevenentwintig wetenschappelijke artikelen, wordt geridderd, maar steeds intoleranter. In haar biografie over hem schrijft Pat Shipman: ‘Zijn ontdekking van de Pithecanthropus erectus, het eerste exemplaar van een soort die de antropologen nu betitelen als de Homo erectus, zou al voldoende zijn om zijn naam te vestigen, zelfs zonder het buitengewone verhaal van zijn weloverwogen beslissing de missing link te gaan zoeken en zijn moed om dat ook daadwerkelijk te doen.’ Volgens haar ‘bepaalde deze paranoïde, briljante en koppige man onbedoeld, ontegenzeggelijk zijn eigen lot (…) weggezet als een gek die zijn fossielen verborgen hield’; het laatste overigens onterecht volgens Shipman.
In Eijsden is men trots op ‘onze professor’. Tegenover zijn geboortehuis is een klein museum in het Ursulinenconvent, waar zijn zus intrad als non. Dubois staat er geëvoceerd als levensgrote pop met valiezen in een Indische entourage. In een tweede ruimte staat een eveneens levensgrote replica van de missing link, waarvoor zijn zoon model stond.

Dubois in 1928 geschilderd door Frans Oerder. (Universiteit van Amsterdam)

Tante Trui hield hem in het gareel

Vlakbij Roermond ligt landgoed De Bedelaar aan de Professor Duboisweg in Haelen. Dubois liet er een buitenhuis bouwen, een ijskelder, een uilen- en een vleermuistoren. Hij experimenteerde met aanpassingen in het landschap, plantte moeras-cipressen, sequoia’s en tropische soorten, gelijkend op de soorten waarvan zaden en pollenkorrels zijn aangetroffen in de twee miljoen jaar oude klei van Tegelen en bootste zo een historisch landschap na. Bij de ingang van het landgoed stapt Sjra van Horne, voormalige wethouder van Haelen, van zijn fiets. Hij heeft zich beijverd de torens te behouden. De tegenwoordig wit geverfde villa is nu een opvangtehuis. Erachter staat de vleermuistoren op gemetselde staanders. Van Horne: ‘Dubois experimenteerde zo met het bestrijden van muggen en liet dorpsjongetjes egels vangen tegen muizen. Op den duur vingen ze die opnieuw op het landgoed en verkochten ze hem zo twee keer.’ Terwijl we naar de uilentoren wandelen, memoreert Van Horne: ‘Twee tantes van me zijn bij de professor huishoudster geweest. Hij was een liefhebber van boerenmeiden en er zou een bastaardzoon van hem ergens hebben rondlopen. Hij werd in deze katholieke streek gezien als een rare snuiter. Tante Trui was de enige die hem enigszins in ‘t gareel kon houden. Later lag hij in scheiding. Elke dag kreeg hij post, waaronder pakketjes met geamputeerde ledematen. Die moest mijn tante met de fiets afhalen bij het postkantoor. ’s Zomers droop het menselijke vocht er soms uit; de hoveniers moesten die botten daarna schoonmaken.’
Lex Veldhoen

Openingsbeeld: De gevonden schedel van Dubois. (Naturalis Biodiversity Center)

Lees ook de andere helft van dit boeiende artikel, plus nog veel meer historische verhalen, in de nieuwe G/GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder