Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Mozaïek van het leven

25 januari 2022 Siebrand Krul

Van de vele Italianen die sinds de 19de eeuw emigreerden, vertrokken sommigen vanwege hun beroep, anderen ontvluchtten de werkloosheid en begonnen elders een Italiaanse winkel, ijssalon of restaurant. Uit de regio Friuli-Veneto migreerden talloze in mozaïekkunst gespecialiseerde kunstenaars-ambachtslieden. En daar was ook in België vraag naar. Het verhaal van mozaïst Silvio Tolomei (1865-1930) is te reconstrueren dankzij het familiearchief met briefwisseling, contracten en tekeningen. Met andere archieven en interviews levert dat een intrigerend beeld op.

In 1910 woonden er drieënveertig verschillende nationaliteiten in Brussel: 35% Fransen, 26% Duitsers, 17% Nederlanders en 4% Engelsen. Italianen vormden een minderheid met 5%. Zij openden bedrijfjes in fotografie, meubelen, tapijten, fabricatie van schoenen en handschoenen. De hoofdstad telde tussen 1880 en 1914 29 Italiaanse cafés, acht restaurants, zeven kruidenierszaken en ijsventers. Voor 1900 was meer dan 35% van alle Italianen mozaïst; beroepslui die zich tot een specifieke groep ondernemers ontwikkelden. Door de opkomst van meer weerbestendige tegels en de lagere kostprijs van sgraffito nam de vraag naar mozaïek vanaf 1900 een stevige duik.
Vertrekkend van mozaïekwerven in Frankrijk en Pruisen reisden tussen 1869 en 1872 de eerste Friuliërs naar België, om zich in Brussel te vestigen: Jacomo Pellermi, Domenico Pellarin, Domenico Fuser, Louis Bernardin, Jacomo Mion, Pietro De Bernardin. Latere mozaïsten migreerden rechtstreeks uit Fanna, Spilimbergo, Sequals, Cavasso Nuovo, Travesio en Maniago. Alleen, of vaders met zonen, broers, neven en soms een echtgenote, gingen ze in loondienst. Of ze begonnen samen een familiebedrijf in Antwerpen, Gent, Aalst, Ieper, Luik of Charleroi. De zeventienjarige Luigi Mion reisde alleen vanuit Fanna naar Bergen op Zoom, om te gaan werken bij mozaïst Santuz. Daar was zijn broer Sante reeds in dienst. Kort na de Eerste Wereldoorlog begonnen Luigi en Sante op de Ieperse ruïnes een eigen bedrijf in mozaïekvloeren.

Silvio Tolomei (1865-1930). ((Kris Tolomei/Tolomeiarchief)

Mozaïekbedrijven maakten gretig gebruik van Friuliaanse seizoenarbeiders. In drukke tijden of bij een specialistische opdracht kwam familie over om te helpen. Niet-ingeschreven ambachtslui in het vreemdelingen- of bevolkingsregister doken zo vaak op in politieverhoren, en in de briefwisseling tussen de vreemdelingenpolitie en andere instanties. Meermaals ontstond verwarring over vaders, zonen, neven en niet-familieleden met dezelfde naam, die uit dezelfde regio kwamen en/of rond dezelfde datum geboren waren.
Veel mozaïsten verbleven bij hun patroons. De naar New York geëmigreerde Pasqueli bijvoorbeeld regelde slaapplaatsen voor overgekomen Friuliërs. D’Agostin & Frère uit Roubaix richtte boven de werkplaats een slaapzaal in waar grootmoeder dagelijks pasta kookte voor de werklui. Anderen huurden een kamer, een appartement of een studio in een winkel of café vlak bij het atelier. Ook Silvio Tolomei verbleef boven winkels en cafés en gebruikte ateliers van collega’s, of huurde er een in de buurt van zijn opdracht. Totdat de familie enkele jaren voor WO I een handelshuis met werkplaats kocht in de Antwerpse Belegstraat. Hier opende Silvio’s vrouw een zaak in papierwaren en fotografie.

Timpaan in Venetiaanse mozaïek uitgevoerd door Silvio Tolomei in 1905, boven de hoofdingang van de Sint-Mariakerk in Schaarbeek. (Kris Tolomei)

Dikwijls woonde in Friulise dorpen eenzelfde familie in huizen rond een pleintje met een familieschuur. Leden van de ene borgo trouwden met iemand uit een mozaïstenfamilie uit een andere borgo. Mozaïst Isidor Odorico huwde met mozaïstendochter Marcelle Favrer, en trad zo toe tot de families Mander en Fabris, terwijl hij reeds via zijn moeder met de mozaïsten Carere en Pellarin verbonden was. Sommige echtgenotes bleven met de kinderen in Italië wonen en schreven dagelijks brieven, tot vader in de vakanties overkwam. Tijdens het verlof werden werklui voor vaste of periodieke arbeid geronseld, en een echtgenote zoeken stond ook op de agenda voor vrijgezellen.
Silvio Tolomeis vrouw Adriana Ballarin kwam echter niet uit een mozaïstenfamilie, hoewel haar broer als mozaïst bij hen inwoonde en jaren samenwerkte met zijn schoonbroer. Tolomeis zonen trouwden met Belgische vrouwen en naturaliseerden, op Giuseppe na, de oudste in Italië geboren zoon. Geregeld trok Adriana met de kinderen naar Venetië voor een kort of langer verblijf. Vanuit hun thuisland brachten de inwijkelingen wijn, grappa, kaas en zaden mee. Ze teelden groenten, soms zelfs hier en daar een rijtje tussen de tegels van hun geplaveide koer waar, naast platen marmer, stenen, zakken en bergen zand, cement en kalk, ook kippen, geiten, eenden, ganzen, katten en honden rondscharrelden. Onder elkaar spraken de Friuliërs Friulia en Italiaans. Eind 19de eeuw schakelde de tweede generatie over naar Frans en Nederlands. Adriana sprak Italiaans met de oudste zonen en Frans met de drie jongsten. Die volgden ook les aan een Nederlandstalige school en werden lid van de scouts.

Pharmacie Delacre in Brussel door architect Paul Saintenoy in 1998. Gevel versierd met mozaïeken. Op de foto: zonnewijzer uitgevoerd in 1899 door Silvio Tolomei. (Kris Tolomei)

In Friuli gaf traditioneel de vader het ambacht door aan zijn zonen, en ging men in de leer bij familie. Of men trok naar Spilimbergo, de in 1922 opgerichte mozaïekschool die vandaag vele internationale studenten telt. Tolomei volgde zijn opleiding aan de Scuola Veneta d’arte, applicata alle industrie, vandaag het Instituto d’arte Liceo artistico statele Guggenheim. Mogelijks was hij tegelijkertijd in de leer bij Salviati, waarvoor hij tien jaar werkte. Antonio Salviati stopte zijn advocatenpraktijk en begon in 1859 een glasfabriek in Murano en een mozaïekwerkplaats met winkel in Venetië. Zijn leerjongens verplichtte hij tekenlessen te volgen aan de academie. Giuseppe, Tolomeis oudste zoon, leerde de stiel bij zijn vader en trad later in dienst bij Maison Vve J. Mion & Fils in Antwerpen.
Een mozaïek maken vereist gespecialiseerde kennis en vaardigheden. De meeste mozaïsten in België waren ervaren in vloermozaïek; slechts een minderheid in decoratieve wandmozaïek. Niet iedereen was gekwalificeerd voor elk aspect van het werk. Men was kundig in het uitvoeren van ornamenten, zoals Gian Domenico Facchina, of in personages, zoals Salviati. Tekenaars ontwierpen en maakten het karton, en vergrootten ten slotte de mozaïektekening op ware grootte. Ontwerpen van beeldend kunstenaars of architecten, niet bekend met en dus onkundig in de mozaïekentechniek, leverden soms bij de uitvoering problemen op. Silvio Tolomei was opgeleid in het hele proces, van ontwerp tot uitvoering van zowel vloer- als wandmozaïek in alle stijlen. Meestal kreeg hij opdrachten voor muurdecoraties uit binnen- en buitenland.

Leeuw boven de ingang van Zoo Antwerpen, door Silvio Tolomei. (Kris Tolomei)

Wereldtentoonstellingen

Salviati stond in 1862 op de International Exhibition in Londen. Daar kreeg hij vele opdrachten, waarna hij winkels opende in Londen, New York en Parijs. Op de Parijse Wereldtentoonstelling van 1867 werd Facchina gevraagd om het interieur van de Opéra Garnier in glasmozaïek te versieren. Ook op de Brusselse Wereldtentoonstelling van 1897 kregen mozaïeken veel belangstelling, net als de (nieuwe) wandtegels. Mozaïeken werden gebruikt in religieuze en publieke gebouwen, winkels, scholen, privéwoningen, op grafmonumenten en meubels. Gerenommeerde architecten lieten Italiaanse kunstenaars-ambachtslieden deze bouwwerken versieren. Architecten als Saintenoy, Blerot, Horta, Bascourt, Van Dyk en Van Averbeke integreerden mozaïekvloeren en wandversieringen in hun gebouwen.
Er bestaan twee soorten vloeren: de ‘Romeinse’, met kleine marmersteentjes in figuratieve vormen, en de zeer arbeidsintensieve ‘granito’ of Venetiaanse stijl, waarbij men kleine stukjes marmer- of granietkeitjes in een kalk- of cementmortellaag strooit en dan glad poliert. Eind 19de eeuw paste men in de Romeinse vloeren meer gestileerde planten- en bloemmotieven toe, en bij granito plaatste men rondom een marmermozaïekversiering. Lange tijd werden mozaïeksteentjes op de werf in vorm gekapt, en in de natte cementplaaster gedrukt. Deze directe methode was vooral voor wandmozaïek erg duur, waarbij de verplaatsing en het verblijf de kostprijs opdreven. Sinds Facchina de indirecte methode toepaste voor de Opéra Garnier werd de uitvoering goedkoper. In het mozaïekatelier kleefde men de steentjes omgekeerd op sterk papier in panelen en verzond men ze in houten kisten per boot of trein tot bij de werf. Gespecialiseerde werknemers kwamen ter plaatse om het mozaïek te verankeren. Zowel Salviati als Facchina beweerden de uitvinder te zijn van dit procedé. Figuren op een gouden achtergrond zien we bij Byzantijnse muurdecoraties en allegorische mozaïektaferelen tussen 1875 en 1885. Eind 19de eeuw evolueerden mozaïeken naar de art-nouveaustijl en later naar de art deco.

Mozaïeksteentjes gevraagd

Elke opdracht vroeg veel steentjes. In de 17de eeuw waren er op Murano ongeveer 300 fabrieken van smalti (glassteentjes, red.). In de 19de eeuw waren er dat nog maar twee. Met treinen en schepen exporteerde Salviati vanaf 1859 vanuit Murano grote hoeveelheden smalti over heel de wereld. In 1877 begon Facchina een glasfabriek in Venetië. Usine Briard in Frankrijk maakte eerst knopen in email en stapte begin 20ste eeuw over naar mozaïek. Silvio Tolomei plaatste smalti van Salviati, Usine Briard en ook marmer- en keramieksteentjes van andere leveranciers.
Soms werkte Tolomei in onderaanneming of met collega’s van over de hele wereld. Ook andere Friuliërs werkten in onderaanneming, in loondienst of op freelancebasis. Materiaal en personeel transporteerde men naar de werf op de hand- of paardenkar, per trein, auto, vrachtwagen, tram, fiets of te voet. Voor verderaf gelegen opdrachten huurde de patroon een kamer of hotel. Over het werfverloop of de vraag om extra materiaal voerde men per post een levendige correspondentie. Het was hard en soms zwaar werk, vanaf vier of vijf uur ’s morgens tot ’s avonds laat, zeventig uur per week, ook in het weekend en soms ook ’s nachts. Slechte verloning was schering en inslag, niet alle gewerkte uren werden betaald. Tolomei reisde veel voor opdrachten in binnen- en buitenland, en kreeg soms laattijdig of ook gewoon niet betaald. Van aannemers met financiële problemen kreeg (of nam) Dominique Mion huizen als vergoeding, zoals een rij woningen op de Deurnese Confortalei.

Maître-mosaïste-décorateur Silvio Tolomei

Na drie jaar in dienst bij de Parijse mozaïst-ondernemer Henri Bichi vestigde Silvio Tolomei zich in 1897 in Brussel. Daar zijn nog enkele decoratieve mozaïeken van Tolomei te zien: het timpaan boven de hoofdingang van de Koninklijke Sint-Mariakerk in Schaarbeek, gevelmozaïeken met zonnewijzer voor Pharmacie Delacre op de Koudenberg en verschillende mozaïeken in en aan private woningen. In 1907 verhuisde hij naar Antwerpen, waar hij reeds jaren eerder samenwerkte met Salviati, Pellarin en Mion. In Borgerhout ontwierp en plaatste Tolomei het timpaan boven de hoofdingang van de Sint-Jans-Evangelistkerk, met Salviati de wandmozaïeken van de Antwerpse Sint-Michiel en Sint-Pieterkerk, de dierenmozaïeken boven de ingang van Zoo en talrijke andere, in en aan gebouwen. Verhuisde Tolomei naar Antwerpen om, na het overlijden van Jacques Mion in 1905, diens weduwe en zoon bij te staan met zijn ervaring in de voortzetting van hun bedrijf?
Tolomeis eigen onderneming met personeel bloeide tot het begin van WO I, wanneer de familie naar Engeland vluchtte. In 1915 verliet de familie Derbyshire en verhuisde naar Londen waar vader en de twee oudste zonen werk vonden. Silvio werkte als tekenaar voor J. Whitehead & Sons, een bedrijf dat mozaïeken plaatste in Westminster Cathedral. In Londen vonden ze een grote woning om de hele familie in te herbergen, ook de in 1917 uit Antwerpen overgekomen verloofde van Giuseppe. De opkomst van nieuwe materialen zorgde voor een terugloop in decoratief mozaïek, waarop Tolomei besliste een importbedrijf in terrazzosteentjes op te starten. Tegelijkertijd aanvaardde hij vooral buitenlandse opdrachten. In Jeruzalem plaatste Silvio mozaïeken voor de Church of Gethsemane op de Olijfberg. In 1930 stierf hij tijdens zijn werk aan de Sint-Pietersbasiliek in Rome. Zijn vrouw en kinderen woonden voor de rest van hun leven in Antwerpen.

Bijzonder erfgoed

Het mozaïekambacht vraagt precisie, kleuren- en materiaalkennis en artistieke kwaliteiten. Na WO I evolueerden mozaïsten tot vloerders van nieuwe materialen en technieken. Bedrijven zoals Mion en D’Agostin fabriceerden en plaatsten na 1930 naast tegels en natuursteen ook vensterbanken, betonvloeren, wasbakken en trappen. Sommige familiebedrijven gingen failliet door het luxueuze leven van de nazaten. Vele mozaïeken − ook van Silvio Tolomei − verdwenen door oorlogen, afbraakwoede en onkunde. Academies in België onderwijzen deze kunstdiscipline niet meer. Het zou ongetwijfeld helpen indien eigenaars, beheerders, architecten en aannemers van gebouwen met mozaïeken deze werken niet zomaar zouden slopen. Een respectvolle behandeling, met kennis van zaken, gebaseerd op onderzoek en, waar mogelijk, de restauratie, zal bijdragen tot de appreciatie van deze bijzondere kunst- en ambachtsvorm. En wie weet ontdekken we zo nog onbekende parels van Silvio Tolomei en zijn collega’s.
Bron: Bron: FARO, Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed.
Tekst: Kris Tolomei (amateurhistoricus, onderzoeker en kunstenaar)
Roel Daenen is de communicatiecoördinator van FARO en hoofdredacteur van dit tijdschrift.

Openingsbeeld: Het mozaïekbedrijf D’Agostin et frère. Roubaix, Frankrijk. (Kris Tolomei/A. D’Agostin)

https://faro.be/faro/tijdschrift


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder