Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Duizend-en-één Nacht in Parijs

25 januari 2022 Siebrand Krul

Recente vertaling van een vergeten Arabisch reisjournaal onthult dat geen oude manuscripten maar een jonge Syriër Aladdin en Ali Baba tot leven wekte in ‘Duizend- en- één-Nacht’, de verzameling Oosterse sprookjes die vanaf de 18de eeuw de westerse wereld betoverden. De ontmoeting van Hanna Diyab uit Aleppo met de Franse oriëntalist Antoine Galland in Parijs anno 1709 klinkt haast even sprookjesachtig.

In mei 1709 waren de Parijzenaars woedend. De inflatie was op hol geslagen, de prijs van de tarwe steeg dagelijks. Lodewijk XIV, toen al 65 jaar lang koning van Frankrijk, regeerde met absoluut gezag, maar zijn troon begon te wankelen. Mensen schreeuwden op straat om brood. Een aristocraat rapporteerde hoe Louis’ zoon, veilig in zijn koets op weg naar de opera, zijn dienaars opdracht gaf muntjes te gooien naar de hongerige menigte en vervolgens onverstoord door reed.

De Franse oriëntalist Antoine Galland (1646-1715) kende Latijn, Grieks en Hebreeuws, toen hij in 1670 op 24-jarige leeftijd de Franse ambassadeur naar Constantinopel vergezelde. Hij bleef er vijf jaar en leerde daar Turks, Arabisch en Perzisch. Van Hanna Diyab is geen portret bekend. Gravure door J. Cazon., ca. 1675. (Kean-collection /Getty Images)

Honger naar magische verhalen

Maar niet overal is alles in rep en roer. Een zondag, een rustige kamer ergens in de stad, afgeschermd van het tumult, twee mannen praten ernstig met elkaar. De oudere man, een zestiger, luistert aandachtig naar wat de jongere, amper twintig, hem vertelt. Hij krabbelt korte notities en slaat zoveel mogelijk op in zijn geheugen. Maar het is geen politieke bijeenkomst, wat de mannen bespreken heeft weinig of niets met de werkelijkheid te maken, en toch zouden de woorden die ze op 5 mei 1709 uitwisselen de wereld veranderen. De oudere man was Antoine Galland, geleerde, bibliothecaris en archeoloog. Hij stond op het toppunt van een glansrijke carrière, met reizen naar Syrië en door de Levant, speurend naar oudheden voor collecties in Frankrijk, een carrière die bekroond was met een koninklijke benoeming tot antiquair van Lodewijk XIV. In 1709 werd Galland door het publiek geprezen voor de acht delen van een reeks fabels, gegroeid uit de vertaling van een middeleeuws Arabisch manuscript, dat hij via een Parijzenaar uit de Syrische stad Aleppo in handen had gekregen. De fabels waren in het Frans gepubliceerd als ‘Les Mille et Une Nuit’, een vertaling van de Arabische titel ‘Alf layla wa layla’. Maar nu, na bijna een decennium arbeid, was Galland uitgeschreven. Het achtste deel was een aanfluiting. De uitgever had het in elkaar geflanst, buiten Gallands medeweten of toestemming; diens vertalingen uit het Arabisch waren verhaspeld met verhalen uit een andere, Turkse collectie vertaald door één van Gallands concullega’s. Dat had hem woedend gemaakt, maar het toonde aan dat de vraag van lezers naar magische verhalen uit het Oosten onverzadigbaar was. Galland was wanhopig op zoek naar nieuw materiaal.

Hannah Diyab kwam uit Aleppo, stad van ‘hakawati’s ‘ of verhalenvertellers. Gravure in: Alexander Drummond, Travels through different Cities of Germany, Italy, Greece, and several Parts of Asia, as far as the Banks of the Euphrates: In a Series of Letters. London, 1754.

East meets West

Toen hij, in 1709 kort voor Pasen, toevallig Hanna Diyab ontmoette, een jonge man uit Syrië die pas was aangekomen in Parijs, kon hij die kans bijgevolg niet laten liggen. Hij vroeg hem of hij misschien geen ‘contes arabes’ kende om te vertellen. ‘Verhalen? Wel! De bibliothecaris had geluk: Diyab was geboren en getogen in Aleppo, befaamd om zijn koffiehuis-cultuur, zijn literaire kosmopolitisme, en zijn professionele vertellers. De uitgesponnen verhalen van de Syriër waren als zijden draden van brokaat. Galland was verrukt. Kort daarna troffen ze elkaar opnieuw. Meer ontmoetingen volgden gedurende de hele maand mei tot in juni. Dan begon Galland te schrijven; volumes negen en tien van ‘Duizend-en-één-Nacht‘ werden in 1712 enthousiast ontvangen. Galland was er nog meer aan het voorbereiden op het moment van zijn dood in 1715; deel elf en twaalf verschenen postuum. De faam van de oosterse verhalen verspreidde zich snel. Duitse en Engelse vertalingen van zijn werk (onder de titel ‘The Arabian Nights Entertainments’) waren al enorm populair geworden. Meer versies volgden, in het Italiaans, Russisch en andere talen. Allemaal voedden ze een literaire voorliefde voor legendes en vertelsels over magiërs en het bovennatuurlijke die sindsdien nooit is afgenomen.

Arabische verhalenverteller in een koffiehuis in Bagdad. Foto Max Ehlert, 1935. (Ullstein Bild/Getty Images)

Aladdin en de wonderlamp

Meer dan een eeuw lang werd Galland geprezen als een genie op eenzame hoogte, een briljante creatieve geleerde die zonder andermans hulp ‘Aladdin’ en andere sprookjes uit het Arabisch in de Europese literatuur had geïntroduceerd. Dan kwamen de vragen. Geleerden konden de vertellingen in Gallands eerste delen terugvoeren tot manuscripten in het Arabisch. Maar sommige van de latere fabels die het populairst waren bij Europese lezers – ‘Ali Baba en de Veertig Rovers’, bijvoorbeeld, en ook ‘Aladdin en de wonderlamp ‘ – leken geen vroegere bron te hebben dan Gallands publicatie in het Frans. Uiteindelijk bleek dat Arabische manuscripten over ‘Aladdin’en andere personages, die onder kenners circuleerden, niet enkel vervalste bronnen waren maar gewoonweg hervertalingen van Gallands eigen tekst. Zelfs toen het dagboek van de bibliothecaris werd gevonden ( gepubliceerd in 1881), waarin hij onthulde dat hem op 5 mei 1709 het verhaal van Aladdin was gedaan door ene Hanna Diyab, die hem nog vijftien andere fabels had verteld, door Galland gebruikt voor de laatste vier delen van zijn magnum opus, bleef de reputatie van de archeoloog/ bibliothecaris intact. Diyab leek dan ook niet belangrijk; Galland had hem niet in zijn uitgave genoemd, noch vermeldden andere bronnen zijn naam. De korte verwijzing in het dagboek was het eerste wat men van hem hoorde. Sommigen betwijfelden zelfs of Diyab überhaupt wel bestond, daarmee suggererend dat Galland een toevallige ontmoeting met een Syrische verhalenverteller had verzonnen als plausibele dekmantel voor het tevoorschijn toveren van zijn eigen verdichtsels.

De traditie van de ‘hakawati’ of verhalenverteller leefde tot in deze eeuw nog door in het Al Nofara-koffiehuis in Damascus, 2006 (Syrian Arab News Agency)

Hanna’s memoires gepubliceerd

Nog eens honderd jaar gingen voorbij. Tot de taalkundige Jérôme Lentin in 1993 in Rome op Hanna Diyabs eigen memoires stuitte. Het manuscript lag tientallen jaren in de bibliotheek van het Vaticaan, daar gedeponeerd in het begin van de 20ste eeuw, maar er als anoniem gecatalogiseerd omdat de eerste bladzijden (met de titelpagina) ontbraken. De memoires, vooral een terugblik op zijn reisavonturen, werden pas voor kort gepubliceerd: in 2015 eerst in het Frans door Lentin en anderen; in 2017 in het Arabisch, en vervolgens twee maal in het Engels de laatste jaren. Het wijzigde op slag de kijk op hoe Aladdin en andere cruciale figuren van ‘Duizend-en één-Nacht’ de Europese cultuur binnen traden. Niet enkel wordt het mogelijk eindelijk te achterhalen hoe Galland de Syrische reiziger in die dagen van 1709 ontmoette, maar ook kan de ontstaansgeschiedenis van Gallands latere verhalenbundels worden herschreven. ‘De memoires bieden ons een zeldzame blik op de mediterrane wereld van de 18de eeuw, gezien door de ogen van een Syrische man. Diyab was een sterke verteller, de opbouw getuigt van kunstzinnigheid, de beschrijvingen zijn levendig,’ zegt vertaler Elias Muhanna, professor Literatuur (Brown University). Jérôme Lentin was evenwel niet de eerste taalkundige om het gehavende manuscript van Diyab te analyseren. In 2020 publiceerde de Britse schrijfster Caroline Stone een vertaling door haar overleden echtgenoot Paul Lunde, een Amerikaanse geleerde en taalkundige opgegroeid in Saoedi-Arabië. In haar voorwoord van de uitgave ‘The Man Who Wrote Aladdin’, schrijft Stone hoe Lunde Diyabs reisverslag in de Vaticaanse bibliotheek vond in de vroege jaren 1970, maar verkoos om zijn ontdekking, of zijn vertaling ervan, niet te publiceren voor zijn dood in 2016. ‘Hij was nooit geïnteresseerd in publiceren,’ zegt ze. Na 250 jaar in de schaduw is Hanna Diyab nu beroemd. ‘Wat zo opwindend is bij het lezen van zijn memoires is hoe het beeld groeit van een zeer complex persoon met een complexe gevoeligheid, die allerlei specifieke ervaringen en smaken had,’ zegt Yasmine Seale; ze schreef het voorwoord bij Muhanna’s Engelse vertaling van 2020 en is nu helemaal benomen door een nieuwe vertaling van ‘Duizend-en-één-Nacht’, gepland voor 2023. ‘De vraag wie Aladdin heeft geschreven, wordt vaak als een tegenstelling gezien: is het een oriëntalistische fantasie verzonnen door Galland dan wel een Arabisch verhaal van een Arabische auteur ? De ontdekking van deze memoires wijst meer in de richting van een Franco-Arabische samenwerking,’ stelt Seale.

De eerste volumes van ‘Les Mille et une Nuit’ verschenen in Parijs in 1704, de auteur was toen 58 jaar. Tome 9, in 1712, was het eerste deel met door Diyab geleverde verhalen. (Bibliothèque Nationale de France)

Van Aleppo naar Parijs

Dank zij de memoires weten we meer details. Diyab werd geboren in een christelijke Maronitische familie in Aleppo rond 1688, precies op het moment dat de Maronieten ‘de favoriete gesprekspartners werden van Europese kooplieden en missionarissen’, zegt Seale, de nadruk leggend op het voorrecht dat zijn religieuze identiteit hem verleende. Van jongs af aan werkte Diyab voor Aleppo’s handelsmagnaten, en pikte zo andere talen op, waarbij Frans en Italiaans. Als tiener trad hij in het klooster van Mar Lichaa (Sint-Elisha) in de bergen van Libanon, maar voelde zich al snel ongeschikt voor het religieuze leven. Het was op de terugweg dat hij na een ziekte toevallig Paul Lucas ontmoette, ‘een reiziger uitgezonden door de sultan van Frankrijk.’ Lucas, toen een midden veertiger, behoorde eveneens tot de losse kring van archeologische schatzoekers verbonden aan het hof van Lodewijk XIV. Dit was zijn derde reis naar de Levant om artefacten te bemachtigen voor Parijse vitrines, maar hij beheerste het Arabisch niet. Lucas deed Diyab een voorstel: gids en tolk worden voor de rest van zijn reis en in ruil een baan krijgen bij de Koninklijke Bibliotheek in Parijs, plus koninklijke bescherming voor het leven. Diyab accepteerde, hij was nog geen twintig. Met deze episode eindigt het eerste veelbewogen hoofdstuk van het reisverslag; volgen allerlei avonturen van het fout passend koppel, langs een route die leidde van Syrië, Egypte en Tunesië naar de Italiaanse kust, Marseille, en tenslotte, in september 1708, Parijs. Diyab bleef ongeveer negen maanden in de metropool, tot hij genoeg kreeg van het wachten op wat Lucas hem had beloofd. Na zijn vertrek uit Parijs in juni 1709, maakte hij een lange tussenstop in Istanbul en kwam de volgende zomer terug aan in Aleppo. Met hulp van de familie ging hij in zaken en werd een vaste waarde in de befaamde soek, waar hij meer dan twintig jaar stoffen verkocht. Hij voltooide zijn memoires in 1764, op de respectabele leeftijd van 75. Wanneer hij stierf is onbekend, maar het boek dat zijn nalatenschap werd, bleef in zijn familie gedurende verschillende generaties tot Paul Sbath, een Syrische katholieke priester en verzamelaar van manuscripten, het in bezit kreeg. In de eerste helft van de 20ste eeuw schonk Sbath een deel van zijn bibliotheek, waaronder Diyabs werk, aan het Vaticaan. Daar bleef het.

Sheherazade en de sultan door de Iraanse kunstenaar Sani-ol-Molk (1814-1866).

Meesterverteller in koffiehuis

Hanna Diyab leverde een staaltje vertelkunst van de bovenste plank af, meeslepende lectuur, rijk aan anekdotes, personages, en netelige of kleurrijke situaties. ‘Een verbazende aanwinst’, vindt Seale en situeert zijn betekenis in de context van vroegere, middeleeuwse Arabische reisgeschriften; die bestaan doorgaans uit onpersoonlijke opsommingen van bezochte plaatsen, volgepakt met citaten en literaire verwijzingen. ‘Diyab is anders: hij laat je binnen treden en houdt je dicht bij zich’, merkt ze op. ‘Er is geen poëzie in deze memoires, geen citaten. Het ritme is dat van de Syrische spreektaal, zijn onderwerpen verraden alledaagse emoties: angst, schaamte, verbazing, opluchting.’ Dit impliceert dat deze meesterverteller zijn eigen verhaal niet schreef als autobiografie, maar het reciteerde als een koffiehuis-vertelling. Een passage eindigt geregeld met: ‘Laten we terug gaan naar het verhaal’ of, ‘Laat me terug gaan naar wat ik aan het zeggen was.’ Taalkundige analyse door redacteur Johannes Stephan bevestigt deze theorie: de woordenschat en de vervoegingen zijn niet die van het literair Arabisch. Seale grinnikt. ‘Bij het lezen krijg je het gevoel dat Diyab zijn hele leven lang deze verhalen moet hebben verteld. Natuurlijk deed hij dat! Het zijn de meest buitengewone belevenissen die je kunnen overkomen als je om en bij de twintig bent!’ 1001-Nacht-kenner Paulo Lemos Horta verduidelijkt hoe Diyabs narratief ‘zijn vaardigheid toont om anekdotes en verhaalmotieven te verweven tot een meeslepende evocatie van een leven gevormd door ambitie en weetgierigheid.’ Voor Horta is het reisjournaal ‘een duidelijk bewijs van zijn belangstelling voor religie, magie en mysterie, zijn dorst naar avontuur en zijn bereidheid om te breken met conventies.’ Een vroege episode, die een intrigerend punt van gelijkenis heeft met ‘Aladdin’, illustreert dit. Diyab beschrijft hoe men op een dag in de buurt van de Syrische stad Idlib aan Lucas een graf in een onderaardse grot aanwijst; hij stuurt een geitenhoeder naar beneden om die te verkennen; de man komt weer tevoorschijn met een ring en een antieke lamp…

Boek met verhalen van 1000 nachten’ staat op een gehavend blad papier van linnen uit de 9de eeuw, het oudst bekende tekstfragment van ‘Duizend-en-één-Nacht’. Deze en andere verhalen circuleerden ook generaties lang mondeling, en moeten Hanna Diyab bekend zijn geweest toen hij opgroeide in Aleppo (Syrië), in het begin van de 18de eeuw. (Oriental Institute, Chicago)

Woestijnmuizen voor Lodewijk XIV

Later, in Parijs, vertelt Diyab hoe Lucas een audiëntie met de koning versiert in het koninklijk paleis van Versailles; hij laat de jonge Syriër uitdossen met helemaal uit Aleppo meegebrachte luxueuze kledij: pantalon met gecentreerde taille (ironisch genoeg vervaardigd van Franse stof), zilveren dolk, jasje van Damascener koordzijde, en hoge muts van sabelbont. (Seale noteert: ‘Zijn outfit maakte net als zijn denkwereld een pan-mediterrane indruk.’) Diyab vergaapt zich aan de grootsheid van Lodewijks paleis en is vol ontzag als het paar bij de koning wordt gebracht. Lucas buigt en schraapt zijn keel, Lodewijk neemt de schatten die hij heeft meegebracht in ontvangst. Dan wordt zijn metgezel naar voren geroepen om voor de koning een kooi te plaatsen met daarin twee kleine knaagdieren met buitenmaatse oren en lange poten. Lodewijk vraagt Lucas waar hij ze vandaan heeft. Eerder beschrijft Diyab hoe Lucas ze kocht van een handelaar in Tunis, maar nu hoort hij zijn meester liegen tegen de koning: ‘Opper-Egypte,’ antwoordt deze. Lodewijk vraagt hoe die dieren heten. Diyab geniet van Lucas’ sprakeloze verlegenheid als hij zich tot hem wendt voor een antwoord. Zich richtend tot de koning en de verzamelde hovelingen noemt hij ze ‘jarbu’, of ‘jerboa’, een soort springende woestijnmuis, en hij schrijft het woord zowel in het Arabisch als in het Frans. De rest van de dag spendeert hij met het showen van de dieren aan een stoet ministers en met juwelen beladen prinsessen in somptueuze zalen. Later op de avond wordt hij teruggeroepen naar de met zijde beklede slaapkamer van de koning om de jerboa’s opnieuw te tonen en hij logeert een week lang in Versailles, ‘vrij ronddwalend door de paleizen, waarvan de glorie gewoonweg onbeschrijfelijk is.’

Om haar leven te redden vertelt de Perzische prinses Sheherazade nacht na nacht een mooi verhaal aan sultan Sjahriaar. Schilderij door Hermann Sprengel, 1881. (Privé-collectie)

Sanskriet, Perzisch, Arabisch

Bijna zes maanden later ontmoet de Syrische reiziger toevallig een man, Galland, die er buitensporig op gebrand is verhalen te horen van verbazingwekkende taferelen en ongelooflijke gebeurtenissen. In de versie van Galland is Aladdin een arme jongen uit een ver land (China genaamd, hoewel alles in de setting naar een exotisch opgeroepen Arabië verwijst), in de ban van een charmerende doch teleurstellende betaalmeester, overweldigd door een weelderig paleis. Opvallend in het reisjournaal: Diyab is een arme jongen uit het verre Syrië, in de ban van een charmerende doch teleurstellende betaalmeester, overweldigd door de weelde van Versailles. Hoeveel ‘Aladdin’ van Diyab komt, en hoeveel van Galland, komen we wellicht nooit te weten. Voor Seale is het verhaal ‘een niet te achterhalen mix van beiden.’ Dit weerspiegelt de crux in de analyse van ‘Duizend-en-één-Nacht’. Wat is dit eigenlijk? Is het een boek? Niet echt, het heeft geen auteur, heeft nooit een vaste titel gehad, en de omvang of inhoud ervan is niet gezaghebbend vastgelegd. (geen enkele uitgave telt 1001 verhalen; het getal stond even symbolisch voor overvloed als China voor verre afstand). Het vertrekpunt – een slimme jonge vrouw die een dodelijke dreiging afweert door verhalen te vertellen – komt uit de Sanskrietliteratuur in Indië, 3000 jaar oud. De volgens dit concept opgebouwde fabels verschenen waarschijnlijk eerst in het Perzisch, en vervolgens, wellicht ergens in de 8ste eeuw, in het Arabisch. De vertellingen van de jonge vrouw – onderhand bekend als Sheherazade – kwamen en gingen in elke vertaling, in elke nieuwe editie van de compilatie. Galland, bijvoorbeeld ,voegt er de episode van Sinbad de Zeeman aan toe, hoewel Sinbad tot dan toe nooit in de ‘Nachten’ voorkwam. Voor velen maakt dit deel uit van de charme. ‘Ik pleit voor een zo inclusief mogelijke definitie van de ‘Nachten,’ zegt Seale. ‘Er is vanouds steeds weer niet authentiek materiaal toegevoegd aan de serie, telkens opgenomen en aangepast aan de smaak van elk specifiek lezerspubliek.’

Sheherazade’, schilderij door Sophie Gengembre Anderson (1823- 1903). (The New Art Gallery Walsall, England)

Bron van stereotypen en vooroordelen

Dat definieert perfect de verhalen in Gallands laatste vier delen. Met geen andere bron dan – naar we nu weten – de Syrische verteller, zijn het genaamde ‘wezen’ -verhalen. Heeft Diyab ze verzonnen? Er is niets dat houvast biedt. Uit Gallands dagboek blijkt dat hij ze waarschijnlijk in het Frans vertelde, niet in het Arabisch, maar stelde hij ze voor als zijn eigen verhalen, om vervolgens zijn goede diensten door Galland uitgewist te zien? Presenteerde hij ze als extra materiaal uit de compilatie van ‘Duizend -en -één Nacht’, of als gelijkaardige verhalen uit Aleppo? Andere vraag: hoeveel van wat Diyab schreef is waar, hoeveel verzonnen? Hij schreef zijn memoires aan het eind van zijn leven met herinneringen aan toen hij zowat twintig was. In hoeverre heeft hij die aangepast aan zijn eigen narratieve stijl of wou hij misschien zelfs Gallands ‘Aladdin’ overtroeven, vijftig jaar voordien gepubliceerd? Het blijft gissen, hoewel niets in de memoires of elders er op wijst dat Diyab de identiteit kende van de man die hij in Parijs ontmoette, noch een idee had van de impact van zijn vertelkunst, wereldwijd. Diyab wijdt slechts enkele regels aan hun ontmoetingen, de naam Galland noemt hij niet. Toch heeft hun samenkomst van 5 mei 1709, dag waarop Diyab ‘het verhaal van de lamp’ beëindigde, noteert Galland, de wereld wel degelijk veranderd.
Van de fantasieën in de 18de eeuw, over de koloniale confrontatie in de 19de eeuw, tot het 20ste-eeuwse Hollywood en daarbuiten heeft ‘Aladdin’ de politieke en culturele contacten tussen het Westen en de islamitische wereld gekleurd. Onder het mom van entertainment genereerde het sprookje vooroordelen en stereotypen bij de vleet. Gallands ‘Les Mille et une Nuit’, en in het bijzonder de laatste verhalen, hebben een onmetelijke invloed hebben gehad op de cultuur van Europa en de wereld, van de muziek en de kunst tot de ontwikkeling van de roman.

‘Queen Sheherazade relating the story’, door Frances Brundage ( 1854-1937).

Onbezongen literaire held

Eén ding staat vast: Diyabs memoires maken een eind aan het idee dat Galland alleen werkte. Ze tonen tevens de beperkingen van het Europese perspectief van die tijd. Lucas publiceerde zijn eigen reisverslag van Aleppo naar Parijs, maar negeerde Diyab volkomen; hij spreekt enkel over ruïnes en roof. Met de ontdekking van Diyabs memoires wordt vergelijking nu mogelijk. Diyabs oog legt vast wat Lucas over het hoofd ziet: medeleven met de armen die lijden tijdens een ijskoude Parijse winter, empathie voor wasvrouwen en bedelaars, en vreugde bij het ontmoeten van andere Syriërs in Parijs en elders. Voor Seale herinneren de memoires ons eraan dat de Arabische aanwezigheid in Europa zeer ver terug gaat, en dat de Middellandse Zee niet altijd een grens was. Voor Muhanna staat die contextuele dimensie zelfs voorop: ‘Het is niet zo verwonderlijk dat Diyab een rol speelde in het tot stand komen van “Duizend-en-één-Nacht”, in sommige opzichten is dat nog het minst interessante aan hem.’ Horta concludeert dat het reisjournaal Diyab bevestigt als auteur van de ‘wezen’-verhalen ; hun oorsprong kan nu geduid worden, zowel in de literaire verwerking door de Franse Galland, als in de verbeeldingskracht en het talent van de Syrische reiziger die ze als eerste bracht. Onvernoemd, zelfs misprezen, zijn levensverhaal 250 jaar te laat gepubliceerd, krijgt Hanna Diyab stilaan het aura van één van de grote onbezongen helden uit de wereldliteratuur.

Bron: Matthew Teller, The 1001 Tales of Hanna Diyab, in: AramcoWorld, july/august 2021, vol.72 n°4.
Vertaling en beeldkeuze: André Capiteyn.

Publicaties:
-Johannes Stephan, ed., Elias Muhanna, trans., The Book of Travels. Hanna Diyab. New York, NYU Press, 2021
-Paul Lunde, trans., Caroline Stone, intr., The Man Who Wrote Aladdin: The Life and Times of Hanna Diyab. Edinburgh, Hardinge Simpole, 2020
-Diyabs reisjournaal is gedigitaliseerd door de Vaticaanse Bibliotheek: https://digi.vatlib.it/view/MSS_Sbath.254

Openingsbeeld: Hanna Diyab vertelt aan Antoine Galland. Illustratie door Ivy Johnson bij het artikel van Matthew Teller.


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder