Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Kroostrijke gezinnen

14 december 2021 Siebrand Krul

De lockdown heeft onverwachte effecten gehad. Bij ontstentenis van grootouders, kinderopvang en de juf in de klas promoveerde het gezin tot het fundament van de maatschappij, iets wat de Gezinsbond in België al honderd jaar beweert. Maar die organisatie is om nog andere redenen bijzonder. In een erg verzuilde samenleving koos ze altijd voor een neutrale, pluralistische opstelling en was ze een voorloper in de federalisering én de seksuele voorlichting.

Toen de stichters van de Gezinsbond in mei 1921 samenkwamen, zagen ze de demografische toekomst van het Belgische volk somber in. Het eugenetische gedachtengoed was voor de Eerste Wereldoorlog verspreid onder sociologen aan de vrijzinnige Franstalige Brusselse universiteit ULB. De nadruk lag op het milieu waarin mensen leefden, eerder dan op het concept ‘ras’ in de antropologische betekenis. De Eerste Wereldoorlog zette de verhoudingen op scherp. Na de invoering van de algemene dienstplicht in 1913 waren twee van de drie soldaten afkomstig uit gezinnen van vier of meer kinderen. Door de talrijke naoorlogse belastingen dreigden precies diezelfde grote gezinnen de paria’s van de samenleving te worden.
Maar dat was nog niet de grootste bedreiging, meende jezuïetenpater Valère Fallon, een van de stichters. In de beste neomalthusiaanse traditie rekende hij voor dat vanaf 1932 de bevolking gestaag zou afnemen. Dat was te wijten aan het dalende geboortecijfer maar nog het meest aan het zedelijk verval en de genotzucht van de moderne mens. Liever minder of geen kinderen en meer vrije tijd dan de lasten van een gezin.

De inhuldiging van een bondsvlag was tot midden jaren 1960 een hoogtepunt in het bestaan van een lokale afdeling. In de symbolentaal staat altijd het gezin met ten minste vier kinderen centraal, lange tijd de minimumnorm voor het lidmaatschap, aangevuld met een verwijzing naar de plaatselijke gemeenschap. In dit geval is dat de duizendjarige eik in het Limburgse Lummen.

Duizenden lokale vrijwilligers

Tijd voor actie dus. Daarmee was generaal Louis Lemercier vertrouwd. Hij zette zich na de oorlog in voor de weeskinderen van soldaten, verontwaardigd als hij was over hun ellendige leefomstandigheden terwijl hun vader zijn leven voor de goede zaak had gegeven. Hij zag een groot gezin als een daad van vaderlandsliefde. Zelf zette hij zestien kinderen op de wereld. Hij wist in het bestuur van de nieuwe vereniging vertegenwoordigers van de drie grote partijen (katholieken, socialisten en liberalen) te betrekken. Dat pluralisme zou een constante blijven in de werking van de Gezinsbond. Het succes van de nieuwe vereniging was opmerkelijk: in 1921 waren er drieduizend gezinnen aangesloten, in 1939 meer dan 176.000.
Die explosie was de verdienste van het middenkader en vooral van de duizenden lokale vrijwilligers, nog steeds. Vroeger ging het vooral om onderwijzers en postbodes die dicht bij de mensen stonden en zorgden voor het dienstbetoon; tegenwoordig vaak sociaal geëngageerde vrouwen die in tal van verenigingen actief zijn.

Twee Limburgers lagen in de jaren 1920 aan de basis van het succesvolle zakelijke model dat steunde op twee pijlers: dienstverlening en propaganda. Hubert Denis was kassier in de steenkoolmijn van Beringen en leerde zo de Nederlandse ‘Rooms Katholieke Bond van Groote Gezinnen’ kennen, gesticht in 1917. De oprichting ervan was eveneens een reactie op de dreiging van het neomalthusianisme, al was er nog een heel bijzondere reden om het grote gezin in Nederland te propageren. Door ‘te kweken als konijnen’ zouden de katholieken op termijn de numerieke meerderheid behalen en zou het gedaan zijn met hun achtergestelde positie. Denis wist enkele winkeliers uit de buurt te overtuigen om korting te geven aan grote gezinnen en zeker de Limburgse mijnen verleenden de huisvaders van grote gezinnen voordelen. Hun kinderen waren de toekomstige mijnwerkers waar ze zo’n grote nood aan hadden.

Het krot heette de ‘dooder van kinderen’

Lucien Ballet, studieprefect aan het Atheneum van Tongeren, zou het brein worden achter een uitgekiende propagandastrategie van de jonge vereniging. De eerste succesjes werden in de pers en op affiches breed uitgesmeerd. Tegelijk lanceerde hij een eigen blad met op de cover een ‘talrijk gezin’ en was hij de organisator van het moment suprême: het halfjaarlijkse congres of de zogenoemde landdag. Afwisselend in Brussel en een provinciestad kwamen duizenden leden samen volgens een vast ritueel. ’s Zaterdags stond een toeristische uitstap op het programma; de zondag begon met een werkvergadering, gevolgd door een optocht met veel vlagvertoon, een banket en een algemene vergadering waar de lokale politici en prominenten werden uitgenodigd voor een speech. De komende maanden en jaren werden diezelfde vips herinnerd aan de beloftes die ze toen gedaan hadden.

Een Vlaamse provinciestad was jaarlijks het toneel van een massamanifestatie waar duizenden leden samenkwamen om te vergaderen en vooral te feesten. (KADOC-KU Leuven/Beeldarchief Gezinsbond)

Het succes van de Bond der Kroostrijke Gezinnen in België was niet alleen een zaak van decorum. Het lobbywerk wierp zijn vruchten af en maakte het dagelijkse leven voor veel grote families draaglijk. Meer nog, de vrouw moest daardoor niet buitenshuis gaan werken en kon de door de kerk opgelegde rol van huismoeder aan de haard opnemen. De invoering van de kinderbijslag, tariefvermindering voor het gebruik van het openbaar vervoer, vermindering van de belastingen op het kadastraal inkomen, goedkope leningen voor voortgezette studies en vrijstellingen van de algemene dienstplicht zijn maar enkele realisaties van dat werk achter de schermen.

Deze strip Adam en Eva in het Aards Paradijs verscheen regelmatig in het ledenblad en maakte seksuele voorlichting in het conservatieve Vlaanderen van de jaren 1970 bespreekbaar.

Eén actie in het bijzonder bewees de slagkracht van de organisatie. In de jaren 1920 organiseerde ze tombola’s met voor die tijd onvoorstelbare prijzen zoals een huis, een bouwgrond en zelfs een vliegtuig. De opbrengst ging naar een woningfonds. De leden van de Gezinsbond konden zo een beroep doen op renteloze leningen om een eigen woonst te verwerven, in plaats van de krotten waarin veel kroostrijke gezinnen hokten. De propagandamachine ging zover dat met brochures, enquêtes en verslagen de stadsbesturen geconfronteerd werden met de grauwe werkelijkheid in hun achterbuurten. Het krot heette de ‘dooder van kinderen, voorziener der gasthuizen, aanmoediger der misdaad en der prostitutie, bevorderaar van den haat tegen de maatschappij’ te zijn.

De Zwitsers-Belgische illustrator Léo Marfurt ontwierp deze affiche voor een tombola waarvan de opbrengst ging naar goedkope bouwleningen. Grote gezinnen leefden in de jaren 1920 nog dikwijls in krotwoningen.

‘Het gezin is gansch het volk’

In ruil voor het jaarlijkse lidgeld konden de gezinnen ook na de Tweede Wereldoorlog rekenen op een ruim aanbod van diensten en materiële voordelen. Dat breidde zich voortdurend uit wat bewees dat de organisatie soepel kon inspelen op de maatschappelijke noden. Er kwamen Gezinszegels die een fikse korting opleverden bij de aangesloten handelaren, vakantiehuizen aan de kust en in de Ardennen, verbruikersclubs, opleidingen tot gezinsconsulenten, cursussen over seksuele voorlichting, lokale diensten voor huishoudhulp, kinderoppas en kinderfilms, zelfs afdelingen in Congo en onder de Belgische soldaten in Duitsland.
Een verklaring voor die dynamische aanpak is de federalisering van de organisatie. In 1960 pleegden enkele jonge Vlamingen een putsch in de gezapige oudemannenclub en eisten een zelfstandige Vlaamse afdeling. Die kwam in handen van Frans Van Mechelen, een jonge, Leuvense academicus die de gevleugelde woorden lanceerde: ‘het gezin is gansch het volk’.
Luc Minten

Openingsbeeld (en soortgelijke tussen de tekst): Het merkwaardige gebruik om moeders van tien of meer kinderen in de bloemetjes te zetten en te decoreren, kwam uit Frankrijk overgewaaid. In de jaren 1950 werden deze ‘heldinnen’ overal in de lokale afdelingen gehuldigd vanwege hun ‘gestadige blijde offervaardigheid’.

Lees ook de rest van dit verhaal, plus nog veel meer boeiende historische verhalen in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder