Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Weg van nootmuskaat

11 oktober 2021 Siebrand Krul

Nootmuskaat was oorspronkelijk enkel op de piepkleine Banda-eilanden in Indonesië te vinden. Begin 17de eeuw kon de Verenigde Oostindische Compagnie een handelsmonopolie afdwingen op de toen erg begeerde specerij, het nootje werd zijn gewicht in goud waard. Vanaf 1772 ging de muskaatboom zich ver van de Banda-archipel verspreiden. Voor de VOC was het einde verhaal.

‘Eén van de eilandjes, Pulau Run, is zo klein – drie kilometer lang en minder dan één breed –, dat het op veel oudere kaarten niet eens voorkomt’, zegt de Indonesische fotojournalist Muhammed Fadli. Omringd door riffen ruw genoeg om een schip te verbrijzelen, is de vulkanische atol de kleinste en meest geïsoleerde van de elf Banda-eilanden, losjes verspreid tussen de talrijker eilanden van de Maluku-archipel in de Indonesische provincie Maluku (Molukken). Samen werden de Maluku-eilanden in het Westen bekend als de Specerij Eilanden, een maritieme handelszone gezegend met – en uitgebuit om – zijn inheemse, unieke aromatische planten. Op de Banda’s betekende dit vooral nootmuskaat en haar bijproduct foelie; met name op Pulau Run leidde het tot een merkwaardige verwantschap met een zeer ver gelegen Amerikaans eiland waarvan het lot geheel anders is verlopen.

‘Kaartje van de Bandasche Eilanden’, kopergravure uitgegeven door Jacobus Keizer in Almelo en Jan de Lat in Deventer, midden 18de eeuw (zonder Pulau Run verder westwaarts).

Het gezegend land

De mensen op de Banda’s stammen vandaag af van handelaars, arbeiders en slaven die al dan niet vrijwillig naar de eilanden kwamen, meestal van het vasteland en maritiem Zuidoost-Azië. Bandanezen verwijzen tegenwoordig naar hun eilanden als ‘tanah banda’ (land van Banda) en ‘tanah berket’ (gezegend land). De legende wil dat de bewoners van Banda als eersten in de Indonesische archipel moslim werden. In een verslag uit 1512 schreef de Portugese farmacoloog Tomé Pires: ‘Het is dertig jaar geleden dat ze Moren werden.’ De islam kwam met zeelui die op zoek waren naar wat Rizal (Abba) Bahalwan, eigenaar van het hotel en restaurant Cilu Bintang Estate op Banda Neira, het grootste van de Banda Eilanden, omschrijft ‘als de geurige zaden van de geel-oranje vrucht van de hoge, wilgachtige muskaatbomen, met hun op laurier lijkende bladeren en klokvormige bloemen.’

Tekeningen van de muskaatnoot in Descriptio Medicamento Confetionem uit de 17de eeuw, toen nog een wondermiddel tegen een waaier van kwalen. (Getty Images)

‘Pala’, zo noemen de Bandanezen de muskaatnoot, een woord afgeleid van het Malayalam pāl, een algemene benaming voor vele planten met een melkachtig sap. Muskaat wordt twee keer per jaar geoogst. Oogstarbeiders gebruiken een ‘gai pala’ (nootmuskaatplukker): een rieten mand aan het eind van een lange bamboestok, om de noten naar beneden te trekken, botanisch beschouwd een steenvrucht. Dan snijden ze het buitenste omhulsel weg, waarna een glanzende, donkerbruine kern verschijnt, gewikkeld in een ‘bumapala’, een saffraanrode zaadmantel, foelie genoemd. Die wordt losgemaakt, gedroogd, gemalen en verkocht als een aparte specerij. De kern is de muskaatnoot. ‘Muskaat heeft ongeveer anderhalve week nodig om te drogen, en het nootje te doen ratelen,’ zegt Bahalwan, een afstammeling van Arabische specerijenhandelaren die zich in de 17de eeuw op Banda vestigden.

Toen Banda Neira de afspraken met de VOC rond het monopolie niet respecteerde en aan andere partijen bleef leveren, stuurde gouverneur-generaal Jan Pietersz. Coen in 1621 een strafexpeditie; het grootste deel van de bevolking werd uitgeroeid; Japanse huurlingen executeerden veertig opstandige hoofdmannen. Anoniem schilderij in Museum Rumah Budaya, Banda Neira.

Zonder de zintuigen te overweldigen

Zeshonderd jaar tevoren brachten Arabische kooplui voor het eerst de pala naar markten in China en Europa. Zij domineerden de handel ervan tijdens de Middeleeuwen, en hoewel ze de locatie van hun bron geheim hielden, kon de geleerde Ibn Sina, afkomstig uit Bukhar (nu in Oezbekistan) en in het Westen bekend als Avicenna, al rond het jaar 1000 de muskaatnoot identificeren als ‘jansi ban’ –Banda noot. ‘Het waren hoofdmannen, ‘orang kaya’ genaamd, die de markt vorm gaven en commerciële solidariteit op de Banda’s bewerkstelligden, wat de Bandanezen toeliet vrij handel te drijven,’ vertelt Fadli.

Muskaatnoot met rode foelie in de bast, getekend door Margaret Bushby Lascelles Cockburn (1829-1928). (The Natural History Museum, London)

‘De unieke smaak van de Banda- nootmuskaat komt van de vulkanische grond, de zeewind en veel regen,’ zegt Bahalwan, die in 1989 als vijftienjarige begon te werken als toeristengids. Na studies aan de Universiteit van Pattimura op het nabijgelegen eiland Ambon, keerde hij terug naar de Banda’s en opende er in 2005 zijn eerste gastenverblijf. Zoals de botanische naam myristica fragrans aangeeft, is de specerij heel sterk en intens aromatisch. Arabische bronnen verwijzen er naar als ‘al-jouz al-tib’ (de welriekende noot). Voor Nawal Nasrallah, voedselhistorica en auteur van Delights from the Garden of Eden: A Cookbook and a History of the Iraqi Cuisine (2011), heeft de muskaatnoot ‘een warme geur, behaaglijk rijk, subtiel houtachtig en huiselijk. Ze is uitnodigend, zonder de zintuigen te overweldigen. Foelie daarentegen’, smaakt volgens Nawal ‘speelser, lichter, vrouwelijker van aard, ietwat verhangend.’

Bewerking van muskaatnoten op de Banda’s. Fotograaf C. Dietrich, Album van de Banda-eilanden en de Borobudur op Java, ca. 1875. (Rijksmuseum Amsterdam)

Van apotheek naar keuken

Net als vele andere specerijen was het vroegste gebruik van nootmuskaat meer gericht op de geneeskunde dan op het koken. Arabische artsen bevalen de specerij aanvankelijk aan als een curatief en preventief middel tegen spijsverterings- en leverproblemen, sproeten en huidvlekken. In zijn befaamde Al-Qanun fi al-Tib – De Canon van de Geneeskunde, uit 1025 n. Chr., adviseerde Ibn Sina ‘drie-achtste van een dram nootmuskaat, met een beetje kweepeersap, voor een zwakke maag’, en hij voegde de noot ook toe aan een krachtig verdovend brouwsel. Volgens Nasrallah vond nootmuskaat zijn weg naar de keukens tijdens Bagdads Gouden Tijdperk, het vijf eeuwen lange Abbasidische kalifaat van 750 tot 1258.

Werklui bij de kombuis voor het lange droogproces. Goed gedroogd zijn muskaatnoten quasi onbeperkt houdbaar. Fotograaf C. Dietrich, Album van de Banda-eilanden en de Borobudur op Java, ca. 1875. (Rijksmuseum Amsterdam)

Toen de metropool Bagdad een wereldmarkt werd, bloeide ook de Arabische keuken op. ‘Ze hadden de middelen om te experimenteren met allerlei geïmporteerde specerijen, waaronder nootmuskaat,’ zegt ze. Toch bleven koks oog hebben voor de gezondheidsvoordelen van nootmuskaat. Uit de overgebleven middeleeuwse kookboeken, kunnen we opmaken dat ze vaker werd gebruikt in voedingsmiddelen en bereidingen die meer medicinaal waren georiënteerd. Bijvoorbeeld in Kitab al-Tabikh, geschreven door Ibn Sayyar al-Warraq in de 10de eeuw in Bagdad (door Nasrallah in 2010 vertaald als Annals of the Caliphs’ Kitchens).’Het gebruik ervan in hartige gerechten is zeer beperkt, een keer in een sandwichbereiding en een keer in een kipgerecht. De rest zijn allemaal voedingsmiddelen en dranken die bereid zijn omwille van hun geneeskrachtige werking, zoals digestieven, drankjes, jam, en handreinigingspreparaten.’

Pakhuis op Banda, waar de muskaatnoten werden verwerkt en verpakt in jute zakken. Foto van de Siboga-expeditie naar Nederlands Oost-Indië, onder leiding van Max Wilhelm Carl Weber, 1899-1900. (Academische Collecties/ Universiteit van Amsterdam)

Nederlanders verdringen Portugezen

De Bandanezen waren vanouds scheepsbouwers en zeevaarders; ze controleerden hun handelsbelangen via de ‘orang kaya’, en stuurden delegaties om zich te vestigen op specerijenmarkten tot in Malakka, zo’n 2.000 kilometer verderop. Vanaf de vroege 15de eeuw ontwikkelde zich in het sultanaat van Malakka het meest uitgebreide handelsnetwerk dat de regio ooit had gekend. Het was dank zij de actieve export door de Bandanezen naar de haven in Malakka dat nootmuskaat wereldwijde handelswaar werd. Volgens de maritieme historicus Chin-keong Ng, ‘roeiden eilandbewoners van Banda hun boten beladen met specerijen om de lange afstand te overbruggen.’ Ondanks de wereldwijde vraag bleven de nootmuskaatbomen op de eilanden grotendeels enkel toegankelijk voor hen die van de Bandanezen toelating kregen om voor anker te gaan. Anderen dreven ze weg, onder wie de eerste Portugees die opdook in 1511, hetzelfde jaar dat de Portugezen Malakka in handen kregen. Gedurende vele decennia moesten de Portugezen genoegen nemen met sporadische bezoeken aan de Banda’s en aankopen van Bandanezen die naar Malakka kwamen.
Bijna een eeuw later, in 1599, baande de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) zich een weg in de regio. De eilandbewoners ontvingen de Nederlanders aanvankelijk als potentiële bondgenoten tegen Portugese invallen, maar ze ontdekten al snel dat de Nederlanders veel machtiger tegenstanders waren. De Bandanezen verduurden een Nederlandse campagne van deportaties, executies en slavernij die haar hoogtepunt bereikte in 1621 toen de Nederlanders naar schatting meer dan negentig procent van de bevolking afslachtten. ‘Het juiste aantal is moeilijk te bepalen, omdat er bijna geen bronnen zijn,’ zegt Fadli, ‘maar van de ongeveer 15.000 overleefden er slechts een duizendtal.’ Na een vier jaar lange samenwerking met de Indonesische journalist Fatris MF, publiceerde Fadli dit jaar een documentair project, genaamd ‘The Banda Journal’ over de 400ste verjaardag van het bloedbad. De Nederlanders namen de controle over alle Banda-eilanden, behalve het geïsoleerde Pulau Run, dat de Engelsen hadden ingenomen.

Plukken van muskaatnoten op Banda. Foto van de Siboga-expeditie naar Nederlands Oost-Indië, onder leiding van Max Wilhelm Carl Weber, 1899-1900. (Academische Collecties/ Universiteit van Amsterdam)

Manhattan ruilen voor Pulau Run

De VOC herbevolkte de Banda’s met kolonisten, slaven, veroordeelden en contractarbeiders uit andere delen van Indonesië en zelfs uit India; ze stichtte aldus een nieuwe samenleving die een landbouwkolonie van nootmuskaatplantages werd. Nederlandse pogingen om plantages buiten de eilanden aan te leggen mislukten. Het was onder die omstandigheden dat Pulau Run een belangrijke pion werd in de Hollands-Engelse rivaliteit rond de koloniale rijkdommen, die vier keer in oorlog uitbarstte.
Jeff Koehler, Spice Migrations: Nutmeg. In: AramcoWorld, may/june 2021, vol.72 no. 3. Vertaling en beeldkeuze: André Capiteyn.

Openingsbeeld: De specerijen- en kruidenmaalderij Capiteyn in Gent/Sint-Amandsberg verwerkte sinds eind 19de eeeuw Indonesische nootmuskaat tot poeder. In een verbrijzelaar werden de harde noten eerst met ronddraaiende messen verbrokkeld, waarna ze onder molenstenen verder konden worden fijn gemalen. (Foto Paul Van Steenberge, 1970)

Lees het volledige verhaal in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder