Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

The Great Exhibition van 1851

14 september 2021 Siebrand Krul

De opening van de Great Exhibition op 1 mei 1851 was een triomf voor de Britse prins-gemaal Albert én voor de promotie van de Britse industrie en handel. In de grootse internationale nijverheidstentoonstelling die in het Crystal Palace in Hyde Park liep probeerden ook andere landen zoals België en Nederland een graantje mee te pikken. De Exhibition werd een daverend succes, met meer dan zes miljoen bezoekers.

Het concept van industrietentoonstellingen was niet nieuw. Op het continent werd het concept van nationale nijverheidstentoonstellingen door de Franse minister van Binnenlandse Zaken Nicolas François de Neufchâteau opgezet in een eerste Exposition publique des produits de l’industrie française die hij op 24 vendémiaire an VII (15 oktober 1798) opende. Slechts één producent uit de vroegere, nu bij Frankrijk geannexeerde, Oostenrijkse Nederlanden was in Parijs aanwezig. Na het beteugelen van de Boerenkrijg (1798) namen bij de volgende edities meer bedrijven deel aan deze expositie. In het koninkrijk Holland werd het concept in 1808 geïntroduceerd met een tentoonstelling in Utrecht. Die kende zoveel succes dat koning Lodewijk Napoleon reeds in 1809 een herhaling liet organiseren in Amsterdam. Onder koning Willem I werd het concept verder gezet met nationale nijverheidstentoonstellingen in Gent (1820), Haarlem (1825) en Brussel (1830). De scheiding van het Koninkrijk der Nederlanden maakte dat het initiatief in beide landen even stil viel.

Zicht op de Belgische afdeling, tapijten en standbeelden. George Baxter (1804-1867), Gems of the Great Exhibition of 1851, 1852.

Het idee werd verder op nationaal én provinciaal vlak uitgewerkt met inspirerende voorbeelden van nieuwe producten en machines. Het moderniseren van de productie en het verbeteren van de interne handel was de belangrijkste doelstelling. De door Pruisen gedomineerde Duitse Bond had in 1844 met de Zollverein, de Duitse douane-unie, in Leipzig een grootse handelstentoonstelling opgezet en ook in Parijs was de tiende Franse nijverheidstentoonstelling doorgegaan. Vanaf midden 19de eeuw zou die zuiver nationale scope veranderen. Nationale overheden stimuleerden de aanwezigheid van bedrijven in buitenlandse nijverheidstentoonstellingen. Daarvoor konden reisbeurzen aangevraagd worden.

Schilderij van Eugène Louis Lami (1800-1890). Prins Albert leest het commissieverslag voor aan koningin Victoria, 1 mei 1851. (Royal Collection of the United Kingdom, Google Art Project)

Kunst en nijverheid

Die kentering was een logisch gevolg van de grote internationale tentoonstelling die in 1851 in Londen werd georganiseerd. De aanzet werd in 1849 gegeven binnen de Society of Arts die als wetenschappelijke club ook veel ingenieurs en industriëlen onder haar leden telde. De Franse nijverheidstentoonstelling van dat jaar was een grote inspiratiebron. De Fransen vonden dan ook dat de Britten hun geesteskind hadden overgenomen. De Society – voluit Society for the Encouragement of Arts, Manufactures & Commerce – was in 1754 opgericht en had in 1761 een eerste nationale tentoonstelling georganiseerd. In 1843 werd prins Albert voorzitter van de vereniging en samen met enkele leden ontstond de idee om via een grootse internationale tentoonstelling promotie te maken voor de nieuwe industriële ontwikkelingen. De combinatie met kunst werd als essentieel gezien om uiteindelijk de publieke smaak (en de verkoop) te verbeteren. Na de politieke strubbelingen van 1848 was een even nobel doel om via deze manifestatie vrede te promoten in het westelijk halfrond. Het tentoonstellingsgebouw zelf zou daarbij de belangrijke functie vervullen als voorbeeld van industrieel ontwerp en constructie. Dat was toch de visie van topingenieur Isambard Kingdom Brunel, daarbij gesteund door onder andere Robert Stephenson. Een speciale koninklijke commissie werd begin 1850 opgericht om het geheel te coördineren en te organiseren.

De Nederlandse stand – naast de Belgische. Gekleurde prent gepubliceerd in 1854. (Coll. SPL)

300.000 glasplaten

Crystal Palace was de spotnaam voor het gebouw dat het satirisch tijdschrift Punch had bedacht. De redactie spotte ongegeneerd met het gebouw, het tentoonstellingsconcept, de commissie en vooral prins Albert diende het te ontgelden. De locatie in Hyde Park, ter beschikking gesteld door de prins, was een doorn in het oog van vele notabelen die recent in het chique Kensington waren gaan wonen. Dat voor de bouw zeven iepen dienden omgehakt te worden, was een ideale drogreden om te protesteren. Ook andere gerespecteerde periodieken zoals The Times waren tegen het project gekant. Het uiteindelijk gekozen ontwerp van tuinarchitect Joseph Paxton voorzag in het opnemen van de bomen binnen in de constructie. De superserre werd door het ingenieursbureau Fox & Henderson verder berekend.
Naast de productie van metalen spanten diende vooral glasfabrikant Chance Brothers een tandje bij te steken om in een ijltempo een 300.000-tal glasplaten te produceren. De utiliteitsbouw kreeg zowel lovende als negatieve kritiek, waarbij architecten met neogotische premisses het gebrek aan individueel vakmanschap laakten. Toch toonde Augustus Pugin, een van de grote promotors van de Neogotiek, kunstobjecten in de Great Exhibition. Als bekeerde Engelse rooms-katholiek wilde hij ook reclame maken voor zijn geloof en die indirecte propaganda zorgde voor talrijke klachten van anglicanen. Prins Albert had wel kunnen voorkomen dat een gespecialiseerd Brussels kantbedrijf reclame voor haar producten zou maken door het gebruik van wassen poppen van de paus en twaalf kardinalen.

Hals- of zakdoek The Great Exhibition 1851. (Coll. Groninger Museum, schenking dhr. en mevr. H.K. Gaaikema Lzn., foto John Stoel)

Elite vreest toestroom armoedzaaiers

Een groot voorstander van handelsbeperkingen en dus volledig tegen de plannen van de Royal Commission for the Exhibition was het xenofobe en ultraconservatieve parlementslid Charles de Laet Waldo Sibthorpe die ageerde tegen alle projecten waar prins Albert bij betrokken was en in The Times een platform kreeg. Net als de lezers van deze krant vreesden de heren die rond Hyde Park woonden een toevloed van arme buitenlanders die er zouden bivakkeren en die er huizen zouden huren om er bordelen van te maken. En bovenal zouden de bebaarde buitenlandse bezoekers alle rampen van de vrijhandel meebrengen.
Een belangrijk doelpubliek voor de tentoonstelling waren Amerikaanse ondernemers. De Amerikanen hadden zelfs meer ruimte geboekt dan wat ze konden vullen. Amerikaanse deelnemers en bezoekers keken niet alleen naar hun eigen producten, maar ook wat de Britse, Franse en Duitse stands in de aanbieding hadden. China had ook wat ruimte gehuurd, maar stuurde uiteindelijk niets. Om die lacune op te vullen kocht de Commissie in Groot-Brittannië alle mogelijke Chinese goederen op.

De Belgische stand met als blikvanger het standbeeld van Godfried van Bouillon. Prent uit 1854. (Coll. SPL)

Belangrijke Britse wetenschappers zoals Charles Babbage steunden het concept van de tentoonstelling in de hoop dat het productieprocessen zou verbeteren. Tegelijkertijd vond hij het ridicuul om geen prijzen te mogen afficheren omdat moraliserende winkeliers daar tegen waren uit vrees dat goedkopere buitenlandse producten de Britse zouden verdringen. Uiteindelijk werd de verkoopprijs een element dat enkel meespeelde bij de jury om een prijs toe te kennen.
Op 1 mei 1851 opende een trotse koningin Victoria met alle grandeur de tentoonstelling te midden van dertigduizend aanwezigen. Na het voorlezen van het commissierapport door prins Albert en de zegen door John Bird Sumner, de aartsbisschop van Canterbury, liep de koninklijke familie door het gebouw. Een van de openingsattracties was het landen van de luchtballon van Charles Spencer. De tentoonstelling en het gebouw kregen veel persaandacht. Leigh Hunt, medewerker van het radicale weekblad The Examiner, omschreef het als ‘it was neither crystal nor a palace, it was a bazaar, admirably constructed for its purpose’.

Binnenzicht op de westelijke vleugel van het Crystal Palace. Foto 1851 C.M. Ferrier & F. von Martens. (Rijksmuseum Amsterdam)

Deelnemers uit de Benelux

De deelnemersstatistiek was met 13.937 fenomenaal te noemen. Daarvan waren er 6.556 buitenlandse deelnemers. Iets meer dan 100.000 objecten werden tentoongesteld. Vanuit het Groothertogdom Luxemburg, lid van de Zollverein, trokken negen bedrijven naar Londen, waaronder de firma Boch met keramiektegels voor vloeren. Uit Nederland staken 114 producenten de Noordzee over. Naast landbouwproducten boden verschillende tapijtfabrikanten hun waar aan. Van Catz uit Gouda stelde vistuig voor. Van een ander kaliber waren enkele producenten van brandkasten zoals Giesbers uit Roermond. K.S. van der Wal uit Heeg toonde een maquette van een watermolen met twee raderen. De Belgische delegatie telde 512 nijveraars. Net zoals alle andere deelnemende landen was het een amalgaam van bedrijven en producten, van landbouwgewassen over werktuigen, machines tot kunst.

De meeste afbeeldingen van Crystal Palace, de stands en objecten, werden in 1851 in zwart-wit gedrukt. Zicht op de constructie in Hyde Park door Joseph Thomas Wood. (Rijksmuseum Amsterdam)

Grondstoffen zoals leien uit Luxemburg, molenstenen, zwart marmer uit Namen maar evengoed chemische producten uit Brussel of steenkool uit Henegouwen werden getoond. Bij de landbouwgewassen was er een overvloed aan vlas en hennep naast graansoorten, en tabak van A. Lahousse uit Wervik en L. Verschaeve uit Ieper. Transportmiddelen werden ook gepromoot, zoals de koetsen van de Antwerpse constructeurs Van Aken. Uiteraard kon de Brusselse en Luikse wapenindustrie niet achterblijven. Verschillende Vlaamse textielfabrikanten tekenden, naast collega’s die landbouwmachines produceerden, ook present. Ook de metaalsector was goed vertegenwoordigd, van ertsen tot afgewerkte producten. Het metaalconstructiebedrijf N.G. Van Esschen uit Sint-Jans-Molenbeek toonde een maquette van een brug, terwijl zijn Gentse concullega De Pauw een model van een draaibrug presenteerde. Maar ook kunstwerken werden getoond, met naast gotische (kerk)meubelen, behangpapier, serviezen en andere opsmuk, ook standbeelden. Een ervan was het gipsmodel van de Belgische prinses Charlotte door de Antwerpse sculpteur J. Michiels. De Belgische muziekproducent Adolphe Sax toonde zijn in 1846 gepatenteerd muziekinstrument op de Franse stand. Voor al diegenen die kunst, machines en grondstoffen beu waren konden de andere bezienswaardigheden van Londen bezoeken.
Harry van Royen

Openingsbeeld: Schilderij van Thomas Abel Prior (1809-1886) met zicht op het interieur van Crystal Palace en een van de iepen. (Musée d’Orsay Parijs, Google Art Project)

Lees ook de andere helft van dit artikel, plus nog veel meer historische verhalen, in de nieuwe G/GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder