Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Goud in de Ardennen

26 augustus 2021 Siebrand Krul

Af en toe gebeurt het wel eens: tijdens het ploegen stoot een boer op een verborgen Keltische goudschat. Of amateur-archeologen met een metaaldetector vinden een kruik vol gouden Gallo-Romeinse munten. Waar haalden onze voorouders dit goud vandaan? Simpel: uit de Ardennen. Ga mee op zoek naar de verborgen goudmijnen van de 'Oude Belgen'…

In onze musea liggen ze in goed beveiligde kasten: de archeologische vondsten uit de Keltische en Gallo-Romeinse periode. Topstukken zijn het: rijkelijke juwelen en munten, vervaardigd door wie we gemeenzaam als de ‘Oude Belgen’ omschrijven. Prachtig bewerkte siervoorwerpen, fibula of mantelspelden, halskettingen, armbanden, muntstukken, ringen…
Een typisch siervoorwerp van onze Keltische voorouders was de torque, een nauw aansluitende halsband, die zowel door mannen als vrouwen werd gedragen. Vaak waren deze torques vervaardigd in edelmetaal, zilver of goud. De bekendste voorstelling is te zien in Rome: het marmeren beeld van de stervende Galliër.

Goudschat. (Fries Museum, Leeuwarden)

Ardens goud

We kunnen ons de vraag stellen: waar kwam het goud vandaan dat de Keltische en Gallische edelsmeden gebruikten? Wel, het kwam o.m. uit vindplaatsen in de Ardennen. Al vanaf de 6de eeuw voor onze jaartelling werd er goud gevonden in het zuiden van het land. Onze voorouders die daar leefden, de Condruzen, Trevieren en andere stammen, prospecteerden lokale rivieren. Als ze het rivierslib uitzeefden en grote aantallen goudschilfers aantroffen, wisten ze dat het de moeite loonde om de bodem verder te ontginnen.

Gouden torque> (British Museum, Londen)

Indien nodig groeven ze een mijngang en ‘wasten’ ze het opgedolven materiaal in het water van een nabijgelegen stroompje. En in het beste geval leverde dat ‘nuggets’ of goudklompjes op. We mogen veronderstellen dat die uitbating veelal door kleine groepen mensen gebeurde op ambachtelijke wijze, maar waar de oogst groter was, konden talrijke arbeidskrachten worden ingezet en kunnen we bijna spreken van ontginning op semi-industriële schaal.

Stervende Galliër, detail met torque. (Musei Capitolini, Rome)

Het Ardense goud was niet bestemd voor de lokale markt. Het waren de rijke edelen van naburige stammen, zoals de Eburonen, die het gebruikten voor juwelen en munten. De Eburonen hadden in tegenstelling tot de Ardense stammen administratieve en economische centra waar een afzetmarkt bestond voor dergelijke luxeproducten. Toen Julius Caesar hier arriveerde met zijn legioenen kwam de exploitatie in Gallo-Romeinse handen. We mogen aannemen dat de goudmijnen actief bleven tot pakweg de 5de eeuw n.C.

Reconstructie van een Keltische goudmijn. (Science & Vie / F. Poulain)

Trou des Massotais

Oude vindplaatsen zijn voor een geoefend oog te herkennen aan de talloze stortheuvels, zeg maar: ‘terrils’ waar het opgedolven zand na zuivering werd gestort. Het landschap met al die kleine heuveltjes langs een riviertje is kenmerkend voor de delfplaatsen. Er is één site waarvan archeologisch is bewezen dat er ooit een echte goudmijn was: de zogenaamde Trou des Massotais vlakbij de Baraque Fraiture.

Oude Keltische ’terrils’ wijzen op vroegere goudontginning. (Bruno Van Eerdenbrugh)

Deze locatie is nu herkenbaar als een kleine waterpoel in het bos, op enkele honderden meters van het kruispunt Baraque Fraiture op de E25. Eind jaren negentig is het vijvertje leeggepompt en hebben onderzoekers, in samenwerking met de Université de Liège, een oude mijngang kunnen blootleggen. Het houten stutwerk werd onderzocht en koolstof14-analyse leverde een datering op die wijst op ontginning vanaf de Keltische tijd (ca. 360 v.C.) tot in de late Gallo-Romeinse periode (ca. 400 n.C.) Opgelet: goudzoekers-in-spe, de Trou ligt op privéterrein én is beschermd als archeologische site. En er is natuurlijk ook een reden waarom de ontginning werd stopgezet: het goud was op. Dus veel valt er niet meer te rapen. Bovendien is de put intussen weer volgelopen met water.

Trou des Massotais: geen gewone poel, maar de ondergelopen toegang van een oude goudmijn.

De goudkoorts van Montenau

In de daarop volgende eeuwen valt de goudontginning stil. Mogelijk zochten goudzoekers op goed geluk nog in stroompjes, zoals de bovenlopen en zijriviertjes van de Amblève en de Salm, en sporadisch zullen ze ook wel wat goudschilfers gevonden hebben, maar rendabel zal het niet geweest zijn.
Pas in de late 19de eeuw is er weer sprake van échte goudvondsten in de Oostkantons, toen deel uitmakend van het Pruisische rijk. In 1876 prospecteerde de Rijnlandse mijnopzichter Julius Jung de omgeving van het dorp Montenau tussen Sankt-Vith en Malmédy. Hij vond er oude terrils, relicten van vroegere ertsontginning. Hij liet bodemmonsters analyseren met looderts, meende hij. Maar tot zijn verbazing stelde men hoge concentraties van goud vast. Het duurde verscheidene jaren eer hij met de ontginning kon van start gaan. In 1896 kreeg hij een concessie van 200 hectare.

Bovengrondse installatie voor goudwassen aan de goudmijn van Montenau. (Bruno Van Eerdenbrugh)

De eerste vondsten waren zogezegd veelbelovend: overdreven persartikelen maakten gewag van dagopbrengsten van honderd gram goud per twee arbeiders (sic). Volgens sommigen leidde dit nieuws tot een goldrush, maar of het écht zo’n vaart liep, is niet zeker. Er kwamen wel wat arbeidskrachten op af – arme keuterboeren of houthakkers – en Jung kon zijn concessie uitbreiden. Er is sprake van een heus imperium van meer dan 10.000 hectare, maar mogelijk was dit promotionele praat van Jung om investeerders te lokken.
De goudopbrengst viel uiteindelijk tegen en de goudkoorts koelde snel af. Vanaf 1906 kreeg Jung geen geld meer bijeen om zijn mijnbedrijf draaiende te houden. De mijn van Montenau werd gesloten en Jung overleed enkele jaren later, in 1910. Op enkele minieme pogingen na zijn er nadien geen noemenswaardige goudexploitaties geweest.

Goudzoeker Bruno Van Eerdenbrugh in actie. (Bruno Van Eerdenbrugh)

En vandaag?

Er is nog altijd goud te vinden in de Ardennen. Goudzoeker Bruno Van Eerdenbrugh kan ervan meespreken. Maar vooraleer mensen, voorzien van een goudpan en lieslaarzen, massaal naar riviertjes als de Amblève, Ninglinspo, Chefna of de Salm trekken, toch even luisteren naar de specialist. ‘Je kan inderdaad in riviertjes en beken op welbepaalde plaatsen het edelmetaal vinden.’ Maar Bruno waarschuwt: ‘Een dag goudwassen levert nauwelijks wat op: enkele goudschilfers, niet veel meer dan een tiende van een gram ter waarde van één euro.’
Strikt genomen is het trouwens verboden om zomaar ergens goud te wassen. Dus als je nog een boete krijgt van een plichtbewuste boswachter, hou je helemaal niks over.

Watervalletje op de Chefna nabij Quarreux.

Maar wie weet… ligt er nog ergens een verborgen en vergeten goudader. Er doen immers verhalen de ronde over zo’n plek nabij het gehucht Quarreux aan het riviertje Chefna. In de vroege 19de eeuw zouden drie boeren hier goud ontdekt hebben. Ze meldden hun vondst aan de prefect van het departement Ourthe. De prefect gaf hen een symbolisch schouderklopje, maar raadde hen aan zich opnieuw bezig te houden met hun aardappelteelt. Eén van de drie, een zekere Paquay, sloeg het advies in de wind. In de jaren daarop pendelde hij geregeld tussen Quarreux en Luik. Waarom? Om zijn aardappelen aan de man te brengen? Of om goudklompjes te verkopen misschien? Finaal ‘boerde’ meneer Paquay goed, want toen hij overleed was hij miljonair.


Met dank aan Bruno Van Eerdenbrugh.
Bron: Canvas curiosa/Koen De Vos

Openingsbeeld: Blootgelegde mijngang in de Trou des Massotais. (Bruno Van Eerdenbrugh)


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder