Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Laurens Becking: held of schurk?

10 augustus 2021 Siebrand Krul

Hij bedwingt de rebellie van Bantam, bouwt een concentratiekamp in Nieuw-Guinea, leidt goudexpedities en bekleedt een leidende functie in de Indische NSB. De epiloog volgt achter prikkeldraad in Suriname. Het leven van KNIL-kapitein Laurens Theodoor Becking is door de koloniale geschiedenis gekleurd.

‘Nerveus?’, vraagt de verslaggever van het Algemeen Handelsblad voor Nederlands-Indië die dinsdag de 23ste november 1926. ‘Om den drommel niet’, antwoordt kapitein Becking. ‘Maar we zouden zo verd… graag die kerels eens te pakken nemen. We zouden d’r op willen slaan en schieten, maar ze zijn watervlug.’
De troepen van het Koninklijke Nederlands Indisch Leger (KNIL) patrouilleren al bijna twee weken in de regio Bantam. Ze zijn moe, aldus hun commandant. ‘Gelukkig schieten de rebellen uiterst slecht.’ Becking is erop uitgestuurd om de communistische rebellie neer te slaan. Aan koloniale zijde vallen elf slachtoffers, onder wie een districtshoofd en acht inheemse politiemannen. Op andere plekken in Indië heeft het er heel kort om gespannen. Hier in de westpunt van Java delen de rebellen nog onverwachte speldenprikken uit. Eind november keert de rust terug.

Kapitein Laurens Theodoor Becking. (Coll. Erik Becking)

Tot sambal fijnstampen

De communisten hebben hun plannen lang geheim weten te houden. Op 12 november wordt een van hun koeriers opgepakt. Zij dient de boodschap over te brengen dat ‘alle kledingstukken tot sambal moeten worden fijngestampt’. Hetgeen betekent: doodt alle functionarissen van het gouvernement, politielui incluis. De acties in Batavia, in Bantam en elders zullen in de nacht van 12 op 13 november tussen twaalf en twee beginnen. Juist die vrijdag de 12de heeft er in het paleis van gouverneur Andries de Graeff een gala-avond plaats. Daar dansen officieren van het KNIL. Als de tijding over de sambal de balzaal bereikt, stuift het gezelschap uiteen om orders uit te delen.
Kapitein Becking, geen genodigde, wordt naar de regio gestuurd waar de meeste onrust dreigt, naar Bantam. Hij is volgens de Indische pers ‘kranig, krachtig en streng, een rimboe-officier’. Op de dansvloer van de gouverneur zou hij zich niet hebben thuis gevoeld. ‘Hij was geen salonofficier met gelikte maniertjes, hij zat niet op een terrasje in smetteloos wit uniform met een glas sherry met de vrouw van de resident te zwetsen over de drukkende hitte in dit vréselijke land’, typeert Erik Becking zijn grootvader in de familiekroniek Tussen twee vuren.

Dagblad De Locomotief brengt de communistische opstand in beeld.

Loyaal en eigenzinnig

Laurens Theodoor Becking wordt in 1887 geboren in Modjokerto en verhuist op jonge leeftijd met zijn ouders naar Nederland. Hij studeert aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) en keert in 1911 terug naar de kolonie die hem zo lief is. Daar ontmoet Becking de inlandse Alinah Markoem, met wie hij negen kinderen krijgt en vervolgens trouwt. Dat laatste is niet vanzelfsprekend. Veel koloniale ambtenaren en militairen verwekken kinderen bij een lokale schone, maar huwen een Nederlandse. Overigens zal Becking Alinah uiteindelijk alsnog verlaten.
Hij is loyaal aan het gouvernement, anderzijds ook eigenzinnig. Dat blijkt in Boven-Digoel, Nieuw-Guinea. De kapitein moet er een strafkamp bouwen voor de communistische opstandelingen die hij zelf mede heeft bedwongen. Later worden ook lastige nationalisten naar de jungle verscheept. Becking arriveert op 26 januari 1927 bij zijn aangewezen reisdoel, 450 kilometer stroomopwaarts aan de rivier de Digoel. Hij heeft er vanuit Java vijf weken over gedaan. Aan boord van regeringsstomer Fomalhaut zijn soldaten en zwaargestrafte criminelen, de zogenoemde ‘kettingberen’, die als dwangarbeiders het kamp moeten bouwen.

De regeringsstomer Fomalhaut waarmee Becking en ook de ballingen werden verscheept. (Universiteit Leiden, Digital Collections)

‘De lange en grijze militair staarde – zoals hij later vaak vertelde – een hele tijd naar deze lugubere rimboe. Moest hij nu dáár het door het Nederlandse gouvernement gewenste deportatieoord bouwen? Was dit – uit humaan oogpunt bezien – wel toelaatbaar, óók voor hem als militair?’, noteert Chalid Salim, journalist én balling, in zijn boek Vijftien jaar Boven-Digoel.
Binnen enkele maanden staat er een kamp en arriveren honderden gedeporteerden. Een deel van hen heeft eind 1926 deelgenomen aan de opstand. De meesten sympathiseren slechts met het communisme. Dat rechtvaardigt geen proces. De gouverneur maakt voor de deportatie gebruik van, zoals het heet, zijn ‘exorbitante recht’ om de samenleving te beschermen.

De zogenoemde staatsgevaarlijken werden in mei 1940 onder meer opgesloten in Ngawi. Becking bood daar, met andere geïnterneerde officieren, zijn hulp aan voor de strijd tegen Japan. Hij werd korte tijd later evenwel naar Suriname verscheept. (Universiteit Leiden, Digital Collections)

‘Eerste Nederlandse concentratiekamp’

Becking regeert Boven-Digoel met straffe hand. Wie werkt, verdient een paar dubbeltjes. Anderen krijgen een mager rantsoen. Er is een lange lijst van regels, waaronder verplicht ochtendappel. Zondaars draaien de isoleercel in. Als de assistent-resident van de Molukken, waaronder Boven-Digoel valt, na enkele maanden een inspectie uitvoert, schrikt hij van zoveel tucht. Andere landen hebben de regering in Den Haag inmiddels aangesproken op ‘het eerste Nederlandse concentratiekamp’. De kapitein moet het regime versoepelen, en voelt daar niets voor. Hij dient een verzoek tot overplaatsing in, want ‘verder werken met een dergelijk slap systeem lijkt me onmogelijk’. Op 1 november 1927 keert hij terug naar Batavia, naar kazerne en gezin. Een meerderheid van de geïnterneerden betreurt het vertrek van de rechtlijnige commandant. Genoemde Salim tekent op: ‘Het merkwaardige was, dat wij, ballingen, de kapitein – ondanks de strenge maatregelen die hij vaak nam – toch ten zeerste waardeerden. Vooral omdat gebleken was dat hij ons als medemensen beschouwde en respecteerde.’

Een schets van het leven in Jodensavanne. Gevangenen koken onder toeziend oog van de bewaker hun avondmaal. (Tekening Rolf Breier, zelf geïnterneerde)

Daar hangen twee gerookte schedels

Beckings opvolger Marinus Monsjou versoepelt het bewind. Veel geïnterneerden hebben hun gezin meegenomen. Ze maken hun huisjes verder af, baten een toko uit, verbouwen en verkopen groente, ze bevissen de rivier, werken als verpleger. Het kamp kent een school en voetbalveld, het Wilhelmina-ziekenhuis, een gevangenis, kerk en kerkhof.
De schijn van normaliteit mag dan neerdalen, het laat onverlet dat Boven-Digoel een desolaat ballingsoord blijft, geïsoleerd van de bewoonde wereld, met bewegingsvrijheid maar omringd door een levensgevaarlijke jungle.

Met echtgenote Alinah Markoem. In de jaren vijftig kreeg de overleden kapitein, net als veel andere geïnterneerden, eerherstel. Ze waren ten onrechte als staatsgevaarlijk beschouwd en ingesloten. Dankzij dat eerherstel kon Alinah aanspraak maken op zijn pensioen. (Coll. Erik Becking)

Salim vertelt in 1973 bij de presentatie van Vijftien jaar Boven-Digoel: ‘Op stille avonden denk ik nog vaak terug aan de wanhopigen die de misère probeerden te ontvluchten. Iedere vlucht uit het bagno was een luguber spel met de dood. En vooral zie ik dan het tragische einde van mijn vriend Dachlan voor mij, de atleet Dachlan, vechtende voor zijn leven en dat van zijn partners tegen een oppermachtige en verraderlijke vijand…. de Mappi Papoea’s; de menseneters.’
In zijn boek beschrijft hij wat de patrouille op zoek naar Dachlan aantreft in een verlaten Papoea-kampong. Daar hangen ‘twee gerookte schedels van een in deze landstreek afwijkend type!’
Het afgelegen Boven-Digoel wordt pas in 1943, een jaar na de Japanse inval, ontruimd. De overgebleven ballingen gaan naar Australië voor nieuwe internering. Veel eerder – in 1930 – heeft onder anderen Charles Cramer (SDAP), geboren en getogen in Indië, in de Tweede Kamer gevraagd het kamp op te heffen. Zijn motie is kansloos.

Becking kort voor zijn overlijden in ‘s Lands Hospitaal in Paramaribo. (Leidse Universiteit, Digital Collections)

Door de rimboe

Becking kan na terugkeer in Batavia de rust maar matig waarderen. Als hij wordt benaderd om voordrachten te verzorgen over ‘zijn’ kamp in Nieuw-Guinea stemt hij onmiddellijk in. Het lezingencircuit blijkt zo rendabel, dat de kapitein het KNIL verlaat. Bovendien komen er nieuwe avonturen op zijn pad. In Nieuw-Guinea zou goud te vinden zijn. Handelshuis Erdmann & Sielcken vraagt hem enkele expedities te leiden. De eerste begint eind juni 1936. Er volgen meer tochten. Het zijn maandenlange, loodzware exercities door de rimboe, die weinig opleveren. Eind jaren dertig neemt de koorts af. Becking is dan al afgehaakt. Hij heeft zich aangesloten bij de Indische NSB. Die lijkt een ander karakter te hebben dan de moederpartij in Nederland. Ze zet in op een sterk leger, is fel anti-Japans en juicht voor Oranje. Het maakt haar aantrekkelijk voor veel ambtenaren en militairen, zelfs voor Indo-Europeanen.
Ook Becking ziet het kwaad niet en laat zich in maart 1938 zelfs benoemen tot gewestelijk NSB-commissaris voor Java, een prominente positie. Al snel merkt hij hoe vanuit Nederland steeds grimmiger raszuiverheid en antisemitisme worden gepropageerd. Het is hem – vértrouwd met een koloniale maatschappij van eerste- en tweederangsburgers, maar ook getrouwd met een inlandse – te bedreigend. Nog voor het jaar voorbij is, heeft Becking bedankt. In zijn laatste brief aan Anton Mussert schrijft hij dat ‘de Indo’s in de toekomst slechts vernedering en verachting kunnen verwachten van uw strijd en streven. Hou Zee, Kameraad’.
Twan van den Brand

Openingsbeeld: Beeld uit een van de onderkomens in Boven-Digoel. (Universiteit Leiden, Digital Collections)

Lees ook de andere helft van dit artikel, plus nog veel meer boeiende historische artikelen, in de nieuwe G/GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder