Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Onstuitbare Assyriërs

17 maart 2021 Siebrand Krul

Op zijn achtste veldtocht weet koning Sargon II eindelijk het hardnekkige verzet van het noordelijke berg-volk van Oerartoe in de Kaukasus te breken. Trots doet de heerser uit de 8ste eeuw v. Chr. verslag: ‘Een ver-schrikkelijk bloedbad richtte ik in zijn leger aan, de lijken van zijn soldaten verstrooide ik als mout, de dalen in het gebergte vulde ik ermee.’ De Assyriërs stichtten het eerste imperium uit de wereldgeschiedenis – met een even wreed als modern aandoend militair apparaat.

‘Ik slachtte hen,’ zo vervolgt hij snoevend, ‘als schapen en sneed hun het hoofd af.’ De bevolking van de stad Moesasir laat Sargon wegvoeren, de schatkamer van het paleis plunderen. De vijandelijke koning raakt daarover zozeer in vertwijfeling, dat hij zich ‘met zijn ijzeren zwaard het hart doorboort als bij een varken.’ En, zelf nog verliezen geleden, majesteit? ‘Een wagenstrijder, twee ruiters, drie koeriers.’ Een schrammetje, meer niet.
Misschien overdrijft de Assyrische koning een beetje. Maar zijn leger had wel de reputatie slechts voor de vijand te hoeven verschijnen om die tot overgave te brengen. Toch krijgt ook het geharnaste Assyrië de nodige tegenslagen en nederlagen te verwerken. Desondanks weten de Assyriërs hun expansie in Voor-Azië nog decennia lang na Sargons dood in 705 v. Chr. voort te zetten – mede dankzij de legerhervormingen van zijn voorgangers.

Een lamassu, stierman, uit de troonkamer van het noordwest-paleis in Nimroed. 9de eeuw v.Chr. (British Museum)

Jaar na jaar trekt de Assyrische koning ten strijde. Uitbreiding van zijn machtssfeer is de rechtvaardiging van zijn heerschappij. Voor zijn onderdanen geldt een dienstplicht voor de duur van de veldtocht. Hierdoor worden de mannen echter pijnlijk gemist als arbeidskrachten op het land en in de werkplaatsen. Daarom was een van de eerste ambtshandelingen van Tiglatpilesar III, die regeerde van 744 tot 727 v. Chr., het instellen van een staand beroepsleger.
Zijn opvolgers wijzigden nog het een en ander aan structuren en rangen, maar op de keper beschouwd bestond het Assyrische leger sindsdien uit drie grote formaties. Allereerst de elitetroepen, geformeerd uit de paleiswacht en koninklijke garde. Deze strijders worden bijna uitsluitend gerekruteerd uit Midden-Assyrië, het stamland van de heersers. Daaronder staan de beroepssoldaten van het ‘koninklijke corps’, onder het bevel van eunuchen, vertrouwelingen van de koning. Door hun onvermogen kinderen te verwekken en een eigen dynastie te stichten, vormen zij geen gevaar voor de troonopvolging. Op de onderste sport staan de hulptroepen met tijdelijk dienstverband, afkomstig uit alle hoeken van het rijk en nog als vanouds dienstplichtig.
Een aparte positie wordt ingenomen door de saglute, een soort vreemdenlegioen. Dat schijnt bestaan te hebben uit gedeporteerde lijfwachten, dus de elitetroepen van overwonnen vorsten. Alledrie de reguliere legeronderdelen beschikken over strijdwagens, ruiterij en voetvolk. Een eigen vloot heeft het Assyrische rijk niet en daarom maakt het waar nodig gebruik van schepen van vazalstaten, zoals de Fenicische aan de Middellandse Zee.

Gevleugende stier uit Khorsabad. (Louvre)

Sargon schrijft de verovering van de stad Moesasir grotendeels toe aan zijn duizend man sterke elite-eenheid. Die hield zich op het slagveld voortdurend aan zijn zijde op en heette dan ook sja sjepe, ‘zij aan de voeten van de koning’. De eenheid bestond uit een eskader van vijftig strijdwagens en een sterke cavalerie. Heeft deze gevechtseenheid model gestaan voor de eveneens duizend man sterke koninklijke garde van ‘onsterfelijken’ in het latere Perzische rijk? Het zou goed kunnen.
Elk jaar worden er dienstplichtigen opgeroepen. De meest geschikten gaan op veldtocht, de anderen kunnen hun dienstplicht bijvoorbeeld in de wapenproductie vervullen. De bevoorrechte bewoners van de stad Assoer zijn vrijgesteld van de dienstplicht. Daarnaast kan men de dienstplicht afkopen of door een derde laten vervullen. De lichting wordt hoe dan ook als zware last ervaren en leidt telkens weer tot onlusten.

Een stèle van de Assyrische koning Assoernasirpal II, uit de Ninurtatempel van Nimroed, 9de eeuw v.Chr. (British Museum)

De regimenten zijn regionaal van samenstelling. De soldaten kennen elkaar, zijn misschien zelfs elkaars verwanten. Dat bevordert de strijdlust en die wordt nog verder aangewakkerd door het vooruitzicht op een aandeel in de buit. Sargon geeft in zijn verslag aan dat hem enkel in Moesasir al 305.412 bronzen zwaarden in handen vielen, verder een ton goud, tien ton zilver en ruim honderd ton brons in baren. Daarnaast maakt hij melding van meer dan 300.000 losse voorwerpen, die alle keurig gerubriceerd in zijn verslag voorkomen.
Hoe verder de Assyrische koningen hun machtssfeer uitbreidden, des te ingewikkelder en duurder de controle over de veroverde gebieden werd en des te moeilijker ook de bevoorrading van de vechtenden op jaarlijkse campagne. Daarom richtten de Assyriërs bij langere en verder van huis gehouden veldtochten gefortificeerde kampen als uitvalsbases in. Bovendien moesten garnizoenen langs de voornaamste marsroutes steeds voor voldoende gevulde voorraadkamers zorgen.

Gelukbrengende, ofwel ongelukafwerende kleifiguurtjes, voorstellende honden. Ze waren begraven onder de poort van het noord-paleis van Nineve, ter bescherming tegen kwaad. Elk dier had een eigen kleur die stond voor een beschermende reactie, zoals blaffen en bijten.

Een snelle, volgens een estafetteprincipe ingerichte koeriers- en spionagedienst voorzag de koning continu van berichten over alle delen van het rijk. Ook hier zien historici overeenkomsten met de latere, door Herodotus zo geloofde postdienst van de Perzen – en met de pony-express in het 19de-eeuwse Noord-Amerika.
De oorlogsvoering in Voor-Azië is op dat moment niet zozeer gericht op veldslagen, als wel op het innemen van belangrijke handelssteden en strategisch gelegen vestingen – twee zaken van doorslaggevend belang voor de controle over het achterland en de handelsroutes. Dat een belegering niet altijd succes heeft, ervaart ook Sargon II op zijn veldtocht tegen Oerartoe: de hoofdstad Tushpa weerstaat hem. En dus verwoest hij de omliggende akkers en trekt naar het zwakkere Moesasir.
Hoe de Assyriërs te werk gaan bij de belegering en bestorming van een versterkte stad, is vrij nauwkeurig af te lezen aan een reliëf in Nineve. De krijgstaferelen daarop zijn die van de verovering van de Judese vesting Lachis in het jaar 701 v. Chr. door Sargons zoon en opvolger Sanherib. Voor een moderne beschouwer heeft het afgebeelde veel weg van een episode uit de Europese Middeleeuwen, de tijd waarin zwaar gepantserde ridders de muren van machtige burchten bestormen. En het ingezette zware materieel zal Tolkien-fans doen denken aan de Ork-heerscharen voor Minas Tirith, zetel van de koningen van Gondor.

Assyrische soldaten. Uit Historische kostuums door Braun & Schneider (ca 1860), uitgevers van de Münchener Bilderbogen, in Nederland uitgegeven als Munchener Platen.

Om een sterke vesting in te nemen heb je niet alleen veel soldaten nodig, maar ook de juiste techniek en de specialisten die daarmee weten om te gaan. De veroveringsstrategie van toen lijkt vooral om reusachtige hellingbanen gedraaid te hebben, die de Assyriërs tegen stadsmuren opwierpen. In Lachis zijn daar resten van bewaard gebleven. De belegeraars hadden daar 19.000 kubieke meter grond verzet, voor de aanleg van een vijftig à zestig meter lang en 75 meter breed, schuin oplopend aardlichaam.
Ulrich Graser

Openingsbeeld: Assyrische militairen op veldtocht in zuidelijk Mesopotamië, 640-620 v.Chr. op een bijzonder verfijnde beeldkunst. Bas-reliëf uit het zuidwest-paleis van Nineve. (British Museum)

Lees ook de andere helft van dit spannende verhaal, plus nog veel meer artikelen over de Assyriërs, in de nieuwe G/GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder