Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Ik, onschuldige adder

04 november 2020 Siebrand Krul

‘U kent me helemaal niet. Cleopatra’s dood is slechts één van uw vele lasterlijke aantijgingen tegen mijn soort. Zelfs Shakespeare noemde mij een "arme, giftige dwaas" in Antony and Cleopatra. Maar laat ons de feiten onder ogen zien: ik, de Egyptische aspis Naja haje, pleit onschuldig – ik heb de koningin niet vermoord.’

Geschiedenissss stoort mij. De klank op zich al – sissend op mijn slangentong, smakend naar leugens en hypocrisie. Spreek me niet van appels en Eva, of van de krankzinnige Medusa die al wie haar in de ogen keek deed verstenen. Wat zou ik niet boos zijn? Ik word veracht als een primitief, inhumaan wezen zonder armen of benen, oogleden of trommelvliezen. Ik ben schubbig, heb geen blaas, adem met één long en heb geen verlokkelijke roep. In veel van uw culturen worden wij, de slangen, verguisd als leugenaars, onze gespleten tongen gelijkgesteld met bedrog. Wat te denken van uitdrukkingen als ‘een adder aan zijn borst koesteren’ of ‘een addertje dat onder het gras schuilt’, en van een wreedaard zegt men dat die even koudbloedig en gemeen is als een slang. In de ogen van zij die rechtop staan en stappen, symboliseer ik meer dan gelijk welk ander kruipend of kronkelend wezen zonde en verraad. Van waar ik lig, is het hoog tijd om die aanname recht te zetten.

Andrea Solari (1460-1524), ‘Cleopatra’, 1ste helft 16de eeuw. (Privéverzameling)

Botten van mijn voorouders werden gevonden in potten, liefst 4300 jaar oud, opgegraven in een tempel te Qal’at al-Bahrain in de Perzische Golf. Gelieve mijn nobele rol voor ogen te halen als Mucalinda, slangachtig wezen – half mens, half cobra – dat Boeddha beschermde. Vergeet niet dat ik bij de Ashanti in West-Afrika de regenboogkleurige Aidophedo ben, bij de hindoes de veelkoppige Shesha, bij de Azteken de kosmische Quetzalcoatl. Eeuwenlang staarde ik boven de wenkbrauwen van de farao’s voor mij uit als de heilige slangengodin Uraeus van Egypte. Ik was de wijze Wadjet van de Nijldelta en de zwijgzame cobra-godin Meretseger, bewaakster van de necropolis in Thebe. Ik was de goede slang Mehen die de verderfelijke Apophis bestreed toen de zonnegod Ra elke nacht door de gevaren van de duisternis voer. Ik stond de dierbare Isis bij en verwekte, naar de Egyptenaren zeiden, Alexander de Grote. En toch word ik ervan beschuldigd de laatste grote koningin van Egypte, Cleopatra VII, te hebben gedood.

Peter Paul Rubens (1577-1640), ‘Cleopatra’, ca.1615. (Nationale Galerie van Praag)

Alsof dat nog niet volstaat, wordt deze laster al van jongs af aan uw nageslacht bijgebracht. Speelgoed Cleopatra’s zijn voorzien van plastic slangen; videogames casten mij in de gemene rol van giftige moordenaar van een wellustige koningin; misleidende marketeers lanceren reclamecampagnes voor ‘Just bitten’- lipstick met een stand-in koningin die lippen heeft waarvoor kopers ‘hun leven zouden willen geven’. Gevaarlijker zijn uw sigaretten, verkocht in sierlijke doosjes met een beeltenis van Cleopatra, die me iets te roekeloos omklemt. Op het gevaar af een zelfingenomen schepsel te lijken, klaag ik al deze sjacheraars aan voor hun laster tegen mijn soortgenoten. Uw hoge cultuur is helaas niet beter dan uw populaire. Schilderijen die het einde van de arme koningin uitbeelden, met mij als de voor de hand liggende onverlaat, vullen uw musea. Andrea Solari en Peter Paul Rubens tonen me languit kronkelend, Guido Reni en Giovanni Lanfranco wormig klein. Claude Vignon en Augustin Hirschvogel gaven me de kop van een draak; Benedetto Gennari II en Giovanni Francesco Barbieri borstelden bloed dat van mijn hoektanden druppelt. Maar dit is niet wie ik echt ben.

Guido Reni (1575-1642), ‘Dood van Cleopatra’, ca.1640. (Prado Museum, Madrid)

Die geënsceneerde ondergang van Cleopatra en haar dienstmaagden maakt deel uit van een groter complot om mijn reputatie te vernietigen. Zelfs Shakespeare schrijft in zijn toneelaanwijzingen voor ‘Antony en Cleopatra’: ‘gebruikt een adder’, alsof ik één of ander levenloos werktuig ben. Deze instructies zijn voor mij net zo vernederend als de dialoog waarin ik een ‘arme, giftige dwaas’ word genoemd. Weet u, ik, de Egyptische aspis Naja haje, ben het slachtoffer van op hol geslagen fantasie. Ik heb Cleopatra niet vermoord. Niet zoals Shakespeare het voorstelt noch op enerlei andere wijze. Laten we de feiten eens bekijken. Hare Hoogheid regeerde in Ptolemeïsch Egypte in een tijd dat de Romeinen net begonnen waren de oostelijke mediterrane wereld over te nemen. De machtige koningin begon als een nederige pion in dit onverbiddelijke spel van Romeins imperialisme en burgeroorlog dat haar dwong partij te kiezen, eerst voor Julius Caesar en vervolgens voor zijn generaal Marcus Antonius. Ze huwde zelfs met Antonius om het voortbestaan van Egypte veilig te stellen, zo niet als een onafhankelijk land, dan tenminste toch als een gelijkwaardige partner. U beseft niet hoe dicht ze bij succes kwam. Maar in één gevecht was alles verloren. Caesars geadopteerde zoon Octavianus, die later onsterfelijk zou worden als keizer Augustus, haalde in 31 v. Chr. tijdens de Slag van Actium in de Ionische Zee de overhand tegen de verenigde krachten van Antonius en Cleopatra, wat het einde van zowel de Hellenistische periode als van Ptolemeïsch Egypte betekende. Na zijn nederlaag pleegde Antonius zelfmoord, Cleopatra werd gevangen genomen en als oorlogsbuit vastgehouden door de troepen van Octavianus in Alexandrië. Het is ergens op dat moment van het verhaal dat ik gewoonlijk mijn entree maak.

Giovanni Lanfranco (1582-1647), ‘Dood van Cleopatra’, 17de eeuw. (Fondazione Zani, Cellatica-Brescia)

Volgens de Griekse geograaf Strabo, die toen mogelijk in Egypte was, pleegde de koningin heimelijk zelfmoord terwijl ze door Octavianus werd vastgehouden. Strabo vermeldt dat er twee versies van haar zelfdoding circuleerden: volgens de ene werd ze slachtoffer van mijn hoektanden, volgens de andere vergiftigde ze zichzelf. Strabo maakte zelf geen keuze tussen deze twee theorieën. Vervolgens krabbelden enkele Latijnse dichters, niet gehinderd door kennis van zaken, enkele regels over het onderwerp. Natuurlijk gaven ze allemaal de voorkeur aan het meer sensationele slangenverhaal. Patriottisch en goedbetaald door Octavianus, belasterden deze Romeinen ook Cleopatra, ze noemden haar regina meretrix, hoerenkoningin en dedecus Aegypti, de schande van Egypte. In de 2de eeuw na Christus schreef de Griekse schrijver Plutarchus een gedetailleerd verslag van Cleopatra’s laatste dagen. Plutarchus stelt dat hij de gepubliceerde memoires van Olympus, Cleopatra’s lijfarts, heeft geraadpleegd. Dat klinkt veelbelovend, totdat u beseft dat deze dokter alleen mocht blijven leven – en schrijven – omdat hij Octavianus diende. Het is het rapport van een partijdige getuige die beweerde dat Cleopatra na de dood van Antonius zo losgeslagen was als een slangenmuil.

Claude Vignon (1593-1670), ‘Cléopatre se donnant la mort’, 1645. (Musée des beaux-arts de Rennes)

Haar ontvoerder Octavianus zou er alles aan hebben gedaan om te voorkomen dat de koningin, die volgens Plutarchus dement werd, zichzelf schade zou toebrengen. Toen ze probeerde zichzelf uit te hongeren, kon Octavianus geen betere remedie bedenken dan met haar kinderen te dreigen. Een krachtig argument: Cleopatra had een zoon met Julius Caesar en drie jongere kinderen met Antonius. Plutarchus vertelt dat deze dreigementen Cleopatra ervan overtuigden mee te werken. Een paar dagen later bracht Octavianus haar een bezoek. Hij vond haar ziekelijk, onverzorgd en nog steeds ietwat verwilderd ogend. Maar ondanks haar toestand hoopte ze Octavianus met haar schoonheid en charme te kunnen beïnvloeden. Dit mislukte natuurlijk met iemand die zo onomkoopbaar was als Octavianus (ik zou hier knipogen als ik een ooglid had), dus Cleopatra bezweek en beweerde dat alles de schuld van Antonius was. Toen Octavianus haar excuses verwierp, probeerde ze medelijden op te wekken, putte zich uit in smeekbeden en beloften. Uiteindelijk slaagde ze er alleen in om hem te overtuigen dat ze wou blijven leven. Dit maakte het gemakkelijker om haar eigen dood te regelen; de bedreigingen tegen haar kinderen was ze plotseling vergeten.

Augustin Hirschvogel (1503-1553), ‘Tod der Kleoaptra’, ets 1547. (Staatliche Graphische Sammlungen, München)

Octavianus vermoedde niets toen de koningin hem vroeg of zij en haar vrouwelijke bedienden een offer konden brengen bij het graf van Antonius. De urne van haar geliefde Antonius vastklemmend (andere bronnen zeggen dat hij gebalsemd was), vertrouwde Cleopatra naar verluidt aan zijn as haar vrees toe om een trofee te worden in de triomfparade van Octavianus. De vernedering om geketend door de straten van Rome te moeten stappen, was voor haar onverdraaglijk. Hier geeft Plutarchus ons – eindelijk – een motief voor haar suïcide, dankzij een vermeende openhartigheid, zonder een overlevende die het kon voort vertellen. Vervolgens moesten de middelen en de kansen zich aandienen. De sluwe Cleopatra baadde, dineerde en stuurde Octavianus een zelfmoordbriefje in afwachting van de levering van een mandje vijgen als toetje. Dit verzoek om roomservice bood de gelegenheid om het wapen van de misdaad voorbij haar onachtzame bewakers te smokkelen – mij.

Benedetto Gennari II (1633-1715), ‘Dood van Cleopatra’. (Victoria Art Gallery, Bath)

Plutarchus verklaart dat de wachters van Octavianus het mandje hebben gecontroleerd en mij niet hebben opgemerkt. Nu, bekijk mij eens goed, let op mijn golvend zwierig voorkomen en mijn grote, zwarte ogen die nooit knipperen. Wij, Egyptische adders, zijn gemiddeld anderhalve meter lang. Onze koppen zijn groot, onze muilen breed. Zou je mij niet zien in een snackmand? Toch lag ik daar naar men zegt onopgemerkt, strak opgerold op de bodem, geduldig wachtend om drie volwassen vrouwen in een gesloten kamer af te maken ? Kan iemand dat geloven? Het was voor mij in alle geval onmogelijk. Groot als we zijn, slaan wij toch niet genoeg neurotoxine op om drie rechtopstaande zoogdieren snel achter elkaar te doden. De dood kan uren duren, maar Cleopatra had maar een paar minuten voordat haar zelfmoordbriefje Octavianus naar de plaats van het onheil zou doen snellen.

Giovanni Francisco Barbieri (1591-1666), ‘Dood van Cleopatra’, 1648. (Musei di Strada Nuova, Genua)

Bovendien geeft Plutarchus toe dat er nooit een spoor van mij is gevonden in de afgesloten ruimte – er was geen smoking gun. De suggestie dat ik op de een of andere manier uit een raam ben geglipt en langs het strand naar de zee toe ontsnapt, is belachelijk. Nog gekker zijn de gedetailleerde verslagen van wat Cleopatra zei en deed in die afgesloten kamer, waar de enige getuigen samen met haar stierven. Wie had kunnen weten dat ik er ooit was, dat de koningin tegen me sprak voordat ik in haar arm beet of dat ze me moest provoceren met een gouden scepter voordat ik haar zou aanvallen? Geen vrouw die zich het leven wil benemen, zou mij daarvoor inschakelen. Ik stond alleen maar garant voor honderd mogelijke mislukkingen. En wat maakte het uit? Ze had al een goddelijke status, niets wat ik deed kon haar nog groter maken. Hoe het ook zij, mijn aanklagers konden mijn kronkelende lijf niet uit hun hoofd zetten. Toen Octavianus een beeld van de koningin opvoerde in zijn triomfparade, had de menigte enkel oog voor een zich aan haar lichaam vastklampende imitatie van mij. Toeschouwers gingen ervan uit dat dit een officiële voorstelling van haar ondergang was, maar het kon ook gewoonweg een armband met de Isis-slang zijn geweest. Geen wonder dat Plutarchus na dit ragwerk van onwaarheden verzuchtte: ‘Niemand weet wat er echt is gebeurd.’, er aan toevoegend dat daadwerkelijk een verborgen gif kan zijn gebruikt.

Een tijdgenoot van hem, roddelaar en schrijver Suetonius, introduceerde de bizarre anekdote van de Psylli (toepasselijk uitgesproken als uw woord silly, dwaas). Dat was een Noord-Afrikaanse Berberse stam van professionele gifzuigers die konden worden opgeroepen om slachtoffers van slangenbeten te redden. Hoewel het als heroïsch werk werd beschouwd, was de training meedogenloos. Alleen mannen die als kind in een slangenkuil waren geworpen en dat hadden overleefd, konden dit vak uitoefenen, dus waren er nooit veel van hen beschikbaar. Suetonius beweert dat Octavianus de Psylli heeft ingezet in een vergeefse poging om Cleopatra weer leven in te blazen.

Een eeuw later smukte de Romein Cassius Dio het verhaal nog meer op. Tot in de kleinste details beschrijft hij de pogingen van de koningin om de ogenschijnlijk deugdzame Octavianus te verleiden, die wel beter wist dan openlijk naar zijn verleidelijke gevangene te staren. Volgens Cassius Dio haalde ze schaamteloos alles uit de kast: provocerende klederen, lieve blikken, een zangerige stem, wat teder gehuil en zelfs oude liefdesbrieven van Caesar, de adoptievader van Octavianus. Verstoten en bevreesd voor de schande van een triomfparade, beraamde Dio Cleopatra’s zelfdoding, terwijl Octavianus bewakers posteerde en een Psylli-reddingsteam stuurde om haar tegen te houden. Denk daar eens over na. Deze gifzuigers stand-by zetten, betekende dat de Romein niet alleen mijn komst anticipeerde, maar ook dat ik voorbij bewakers zou weten te komen die op hun hoede waren voor een gesmokkelde slang. Omdat ik niet op mijn ééntje snel-snel drie vrouwen in de kamer had kunnen vermoorden, zouden velen van mijn soortgenoten langs Rome’s equivalent van de Keystone Cops hebben moeten glippen, én nog eens terugkeren ook.

Toch geeft Dio terloops toe dat niemand echt kon weten wat er met Cleopatra is gebeurd. De medicus Galenus acht het mogelijk dat Cleopatra zelf in haar arm beet en vervolgens gesmokkeld gif in de wonde wreef. Op deze manier krijg ik zelfs de schuld in absentia met een door tandengif zelf verwekte dood. Galenus wou graag geloven dat Cleopatra me nooit echt heeft aangeraakt, want hij suggereert dat ik een spugende cobra zou zijn geweest. Wat een fantasie! De dokter beweert ook te weten dat Cleopatra haar nagels en haar liet doen door twee dienaars, die ik allebei dood spuugde vooraleer ik mijn pijlen op de koningin richtte. Eén aanslag moet kennelijk tot een volgende leiden, en nog een andere. In de 10de eeuw maakte de in Baghdad gevestigde geschiedschrijver Al Masudi mijn slachting nog groter dan enkel Cleopatra en haar diensters. Hij pleegde tenminste geen karaktermoord zoals de Romeinen. Zoals veel geleerden in de middeleeuwse Arabische wereld, zingt hij haar lof en noemt hij haar een ‘prinses bedreven in de wetenschappen, toegewijd aan de studie van de filosofie (…) beslagen op het vlak van geneeskunde, magie en andere natuurwetenschappen.’

Maar Al Masudi schildert me wreed af als een genadeloze wilde, en beweert zelfs dat ik ook Octavianus heb vermoord. Dat is een bijzonder interessante fantasie, een stukje fake news waarin de bekende westerse obsessie voor Octavianus als triomfantelijke stichter van een wereldrijk door ondergetekende van tafel wordt geveegd. Want zie je, Al Masudi beweert dat ik een zeldzame tweekoppige slang ben uit Hejaz (in het westen van Saoedi-Arabië) die zo snel en zo ver kon springen dat mijn slachtoffers nooit wisten dat ze waren gebeten. Dus, nadat ik de vrouwen in Cleopatra’s kamer vlug had uitgeschakeld, verstopte ik me tussen de sierplanten totdat Octavianus binnenkwam. Mijn bliksemaanval verlamde zijn rechterzijde; hij had nog net de tijd om een Latijns gedicht te dicteren voordat hij stierf. De Romeinen hebben altijd het laatste woord. Nou, niet altijd. Eén van uw dichters, Ahmad Shawqi uit Egypte, is een van de weinigen die ooit de verdediging van de koningin op zich nam. In 1927 draaide hij de rollen om – beter laat dan nooit – en beschuldigde de Romeinen geschiedenis te hebben geschreven ‘in een fictieve stijl, waarin de keizers van Rome alle glorie toeviel … terwijl de arme Egyptische koningin Cleopatra … niets dan een hoop beschuldigingen, verwensingen en vervloekingen over zich heen kreeg.’

Ziehier wat er naar mijn mening echt is gebeurd. Begin met het historisch feit: in augustus van het jaar 30 v. Chr. stierf Cleopatra in de hechtenis van haar vijand Octavianus. Het zou me niet verbazen als hij haar executeerde en de misdaad onhandig verdoezelde als een zelfdoding met een adder. Octavianus controleerde elke informatiebron over Cleopatra’s lot. Hij gaf zijn officiële versie met loyale hulp vorm. Hij hoefde geen tegenspraak of vingerwijzing te vrezen. Alle Psylli-verhalen over zijn pogingen om de psychotische koningin te redden, maskeerden zijn ware bedoelingen – hij wilde haar dood. Waarom? Eenvoudigweg omdat Ptolemeïsche koninginnen een gevaarlijk goed waren en heel moeilijk op een veilige manier te verwijderen. Zij – de minnares van zijn vader, de vrouw van zijn vijand en de moeder van zijn laatste rivaal – mocht haar versie van het verhaal niet vertellen, noch de kans krijgen om een wereld te verleiden die vatbaar zou kunnen zijn voor clementie.

Octavianus’ vermeende drang om de gevangen Cleopatra in zijn parade te kijk te stellen was een list – hij wilde zoiets niet. Slechts een paar jaar eerder had Julius Caesar zo’n evenement in Rome gehouden. Het spektakel verrukte, zoals verwacht, de menigte – totdat ze een Ptolemeïsche koningin in ketenen tussen de gevangenen zagen stappen. Dat was Arsinoe IV, Cleopatra’s halfzus. De Romeinen reageerden zo heftig tegen haar vernedering dat ze moest worden vrijgelaten om de publieke opinie te kalmeren. Zou Octavianus een gelijkaardige reactie kunnen riskeren met Cleopatra? Hij had fortuin gemaakt door zich vechtend van haar te ontdoen; het zou vernietigend zijn voor zijn ambities als ze in Rome niet ten voeten uit zou verschijnen als het kwaadaardige, gekke, verleidelijke monster dat zijn propaganda er van had gemaakt. Haar in leven laten was een luxe die hij zich niet kon veroorloven. Maar haar dood moest zorgvuldig worden voorbereid.

Octavianus had ruimschoots de gelegenheid, de middelen en het motief om de koningin van Egypte uit te schakelen voordat ze iemands sympathie kon wekken. Om zijn imago intact te houden, moest hij het hare bezoedelen. Hij slaagde zo goed in zijn opzet dat zelfs nu, duizenden jaren later, uw visies van Cleopatra – stereotypen zoals u ze noemt – wellustig, ijdel, promiscue, verraderlijk, manipulatief, buitensporig – moet ik nog doorgaan? – dezelfde zijn als die welke door Octavianus voor waar werden gepropageerd. Zijn overwinning rustte op haar afschildering van verdorven creatuur voor het tribunaal van de publieke opinie. Dat is dezelfde rechtbank die mij al meer dan twee millennia veroordeelt voor moord. Slechts een paar experts, meestal uit de laatste decennia, hebben mij verdedigd en mij met haast onmenselijke eerlijkheid en redelijkheid onschuldig verklaard Toch zijn niet veel van hen bereid om met een beschuldigende vinger naar Octavianus te wijzen, wat ik zou doen als ik er één had. Moord is een fikse beschuldiging om hard te maken, wanneer een verdachte alle bewijzen in handen heeft of ze vernietigt. Het zij zo. Gelooft wat u wilt over Cleopatra’s laatste ogenblikken, laat enkel het gesis weg uit de geschiedenis. Net als u heb ik mijn vermoedens. En net als u was ik er niet bij.
Frank L. Holt, I innocent asp, in: Aramco World sept/okt 2020
Vertaling en beeldresearch: André Capiteyn

Openingsbeeld: Domenico Riccio (1516-1567), Dood van Cleopatra (detail),1552. (Fondazione Cassa di Risparmio di Cesena, Cesena)


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder