Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Vechten voor de paus

16 september 2020 Siebrand Krul

Vaticaanstad is naast de hoofdzetel van de Rooms-Katholieke Kerk ook een ministaatje met een eigen veiligheidsdienst. De Zwitserse garde en de gendarmerie zijn overblijfselen van een groter leger dat tot het midden van de 19de eeuw een groot stuk van Italië controleerde. Een opvallende rol speelden daarin de zouaven, met opvallend veel Belgen en Nederlanders.

Door het versterken van zijn leger probeerde de paus het opslokken van de Pauselijke Staat in het eenwordingsproces van Italië te stoppen. Dienstplicht was niet aan de orde en dus dienden er vrijwilligers geronseld te worden, vooral in het buitenland. In januari 1860 werd de eerste oproep gepubliceerd om het patrimonium van Petrus te beschermen.
Italië was in de eerste helft van de 19de eeuw politiek onrustig. Na de nederlaag van Napoleon was het oude feodale systeem hersteld. Naast enkele vazalstaatjes in het noorden, die tot de Habsburgse machtssfeer behoorden, werden de koninkrijken Piëmont-Sardinië en Sicilië hersteld. De Kerkelijke Staat werd eveneens heropgericht. De voorstanders van de eenmaking van Italië – het Risorgimento – botsten op de onwil van Oostenrijk en Spanje. Ook de adellijke Romeinse families liepen niet warm voor het idee. De Franse keizer Napoleon III was, net als de Britse regering, voorstander van een Italiaanse statenbond.

Begrafenis van choleraslachtoffers te Albano, 1867. Schilderij van Johannes Faber. (Coll. Nederlands Zouavenmuseum Oudenbosch)

Voor Frankrijk was het belangrijk om de Habsburgers uit Italië te krijgen. Om dat te bereiken sloot Napoleon III een geheim akkoord met de regering van Piëmont-Sardinië om een militaire inval van Oostenrijk uit te lokken. Daarna zou het Franse leger te hulp snellen en zou Piëmont de Oostenrijkse satellieten krijgen. Piëmont-Sardinië zou Nice en Savoie in ruil aan Frankrijk afstaan. De veldslagen bij Magenta en Solferino in juni 1859 waren stevige nederlagen voor de Oostenrijkers. Gestuurde volksraadplegingen werden in maart 1860 georganiseerd in Parma, Modena, Toscane en de pauselijke provincie Romagna om in te stemmen met de aanhechting bij het koninkrijk Piëmont, een opstap naar het koninkrijk Italië in 1861.
Katholieken in heel de wereld steunden de paus om de dreiging het hoofd te bieden. In december 1859 stuurden de Belgische bisdommen ‘adressen’ naar de paus, petities die het behoud van de Pauselijke Staat onderschreven. Het bleef niet bij woorden, ook geld werd vanaf de winter van 1859 ingezameld om de kosten voor een moderner leger te kunnen betalen. De Sint-Pieterspenning wordt als gift aan het Vaticaan vanaf 1860 bij parochianen in heel de wereld geïnd.

Pieter Jong vechtend te Monte Libretti, 1867. Schilderij van Johannes Faber. (Coll. Nederlands Zouavenmuseum Oudenbosch)

Belgische connecties

Het pauselijke leger werd begin 1860 de verantwoordelijkheid van aartsbisschop Frederik Xavier de Merode. Deze voormalige Belgische infanterieofficier had in 1844/45 dienst gedaan in het Franse Vreemdelingenlegioen in Algerije vooraleer priester te worden in Rome. Om het beperkte contingent soldaten uit de Pauselijke Staten en de Zwitserse huursoldaten aan te vullen, wilde de minister van Oorlog een beroep doen op devoot katholieke vrijwilligers om nieuwe eenheden te vormen. Naast een vijfduizend Oostenrijkse vrijwilligers meldden zich een drieduizend Ieren voor het Saint-Patrickbataljon en enkele honderden Belgen en Fransen werden samengebracht in een eenheid Tirailleurs Franco-Belge.
De Pauselijke Staten Marche en Umbrië werden op 8 september 1860 aangevallen door het leger van koning Victor Emmanuel II van Piëmont-Sardinië om er zogezegd na de inval van Garibaldi, die vocht voor de eenheid van Italië, de binnenlandse rust te herstellen. Het pauselijke veldleger werd op 18 september in de vallei tussen Loreto en Castelfidardo verslagen. Op 29 september 1860 gingen beide staten voor de paus onherroepelijk verloren door de overgave van de belangrijke gefortificeerde havenstad Ancona. Om de paus te beschermen, stuurde keizer Napoleon III soldaten naar Rome en werd Latium (Lazio), de pauselijke Staat rond Rome, behouden.

Herdenkingsmonument van Pieter Jong te Lutjebroek, een ontwerp van architect P. Cuypers. (Foto Dqfn13 Wikimedia commons)

De nederlaag van september 1860 toonde dat er naast te weinig soldaten vooral moderne wapens ontbraken. Op1 januari 1861 werden de overgebleven West-Europese soldaten gereorganiseerd als een zouaveneenheid. Het woord zouaaf is een verbastering van ‘Zuauas’, een Algerijns Berberstam die in 1830 onderdeel werd van het Franse leger. Deze lichte infanterie werd gekleed naar het voorbeeld van de Franse koloniale troepen in Algerije, evenwel zonder de islamitische fez als hoofddeksel, en kwamen onder het bevel van de Zwitserse beroepsmilitair kolonel Eugène Allet. Het kleine pauselijke leger was wat samenstelling betreft vergelijkbaar met andere Europese legers en had infanterie, cavalerie, artillerie, genie, gendarmerie en zelfs een minimarine. Eind 1868 waren er een 16.000-tal militairen, waarvan zowat de helft buitenlanders. Daarvan waren er iets meer dan 4.000 zouaaf.
De oude musketgeweren werden uiteindelijk ook vervangen. De Luikse Nagantfabriek produceerde in 1868 vijfduizend Remington-geweren voor het sterk groeiende zouavenregiment.

Pieter Jong als zouaaf, ets Petrus Johannes Arendzen. (Rijksmuseum Amsterdam)

Vrijwilliger voor een hoger doel

De buitenlanders die in dienst wilden treden van het pauselijk leger dienden eerst een wervingskantoor te passeren. Daar volgde een eerste keuring van man en papieren. Het belangrijkste document was een getuigschrift van de lokale parochiepastoor dat de kandidaat een goede katholiek was. De ongehuwde vrijwilligers werden geronseld met de basisboodschap dat het pauselijk bezit moest beschermd worden. De katholieke pers en pastoors spraken met afschuw over de liberale politici en de vrijmetselaars die de Pauselijke Staat wilden overnemen en zich niets aantrokken van God, Jezus, de Kerk en de paus. Pauselijk soldaat worden was niet alleen Petrus’ patrimonium vrijwaren van ontvreemding maar ook het katholiek geloof verdedigen.

Cover jeugdroman over de held Pieter Jong, 1927. (Coll. Nederlands Zouavenmuseum Oudenbosch)

Een tweeduizend Nederlandse vrijwilligers werden verzameld in het Instituut St. Louis in Oudenbosch, een christelijke broederschool. Daar ontfermden parochiepriester Willem Hellemons en broeder Bernardinus van Aert zich over de toekomstige zouaven met voedsel, onderdak en een gesprek. Nadien gingen ze verder naar Antwerpen. Zij dienden zich te presenteren, net als de Belgische vrijwilligers, voor het wervingscomité dat wekelijks op donderdagnamiddag in het klooster van de broeders van de christelijke scholen in de Alexianenstraat te Brussel vergaderde. De reis ging nadien over Parijs naar Marseille, waar ze inscheepten voor Civitavecchia. Arme zouaven kregen de goedkoopste overzet, op dek. In Rome aangekomen volgde een keuring, kazernering, dril en de eedaflegging met pauselijke zegen op het Sint-Pietersplein. Direct een hoogtepunt in een grootse omgeving voor zowel boerenjongens als jonge edellieden. De commandotaal was Frans, alleen voor religieuze bijstand waren er Nederlandse en Vlaamse priesters beschikbaar in Rome.

Reiswijzer voor Nederlandse zouaven (recto & verso). Franse halteplaatsen bij voorkeur bij Nederlandse herbergiers. (Coll. Nederlands Zouavenmuseum Oudenbosch)

Heldenstatus

Naast honderden Ieren, Italianen, Duitsers (veel uit Beieren en Westfalen) en Canadezen werden een 1.634 Belgen, veelal Vlamingen, 2.964 Fransen en 3.181 Nederlanders tussen 1861 en 1870 zouaaf met een verlengbaar basiscontract voor twee jaar. De Nederlanders waren het talrijkst. Een tweehonderdtal stierven in Italië, waarvan een dertigtal door gevechten. Van de Belgen sneuvelden twintig procent van de 116 sterfgevallen op het slagveld of bezweken aan schotwonden. De meesten stierven aan pokken, cholera, tyfus, dysenterie of moeraskoorts, zoals malaria toen werd genoemd. Heldhaftig gesneuvelden zoals de Nederlander Pieter Jong kregen op het thuisfront een heldenstatus die werd gebruikt om nieuwe vrijwilligers en fondsen te ronselen.

Zouavenmonument Pro Petri Sede voor de Sint-Pietersbasiliek te Oudenbosch. (Foto auteur)

Vechten tegen roodhemden en bandieten

In januari 1861 werd de nieuwe eenheid zouaven succesvol ingezet om in het grensdorp Passo Corese een troep van 58 geïnfiltreerde garibaldisten uit te schakelen. Garibaldisten hadden vanwege de kleur van hun ‘uniform’ als bijnaam roodhemden. Naast patrouille lopen om garibaldisten in de grenszones te ontmoedigen was een andere opdracht het begeleiden van priesters in bergachtige streken. Ook gendarmeriepatrouilles werden geregeld versterkt met zouaven.
Cornelis Witte uit Texel verhaalt dat in de kazerne het eten niet bijster was maar op patrouille konden ze ’s zomers genieten van verse druiven en de lokale wijn proeven. In hun vrije tijd bezochten ze kerken en probeerden bij het Vaticaan de zegen te krijgen van de paus. Het was een onderling wedijveren om er zoveel mogelijk te verzamelen bij een processie. De Franse troepen werden in 1866 teruggetrokken uit Rome. Tot dan was voor de zouaven alles rustig gebleven; kazernering, wacht en patrouille lopen was saai en weinig avontuurlijk. Nu werden ze actief ingezet en kamden de bergen uit naar actiever geworden struikrovers en garibaldisten.

Zouavenuniformen van een officier en een soldaat. (Koninklijk Legermuseum Brussel)

Op 23 september 1867 begonnen de garibaldisten aan hun veroveringspoging van de Pauselijke Staat. Op 3 oktober werd om het bezit van het stadje Bagnoregio gevochten, waarbij de Nederlandse zouaaf Nicholas Heykamp sneuvelde. Op 13 oktober werd Monte Libretti ontzet, waarbij de Nederlandse zouaaf Pieter Jong uiteindelijk in hevige lijf-aan-lijfgevechten bezweek nadat hij een tiental garibaldisten had gedood. Op 22 oktober viel een eenheid garibaldisten samen met Romeinse revolutionairen Rome aan. De dag ervoor hadden ze reeds de op wacht staande Brugse zouaaf Henri De Graeve met messteken gedood. De Serristorikazerne van de zouaven werd opgeblazen maar slechts een vijfentwintigtal aanwezige zouaven werden gedood, waaronder de Naamse zouaaf Frédéric Cornet. Hun collega’s neutraliseerden garibaldisten en arresteerden Romeinse opstandelingen. Eind oktober kwamen Franse troepen terug.
Op 3 november 1867 vielen pauselijke troepen, vooral zouaven en Zwitsers, gesteund door Franse troepen de verzamelde garibaldisten aan bij Mentana. Met zware verliezen dropen de garibaldisten af. Bij de tientallen gesneuvelde zouaven waren de Gentse edelen Carlos d’Alcantara en Walérand d’Erp. De overwinning van de zouaven kreeg veel internationale persaandacht en nieuwe vrijwilligers stroomden toe.

Uniformen buitenlandse soldaten pauselijk leger: (Zwitserse) carbinieri en zouaven.

Terug naar huis?

Een probleem voor Nederlandse en Belgische jongemannen die soldaat werden in het pauselijke leger was dat ze bij het zweren van de eed van trouw aan de paus hun Nederlandse of Belgische nationaliteit verloren. Deze bestraffing om militaire diensten te verlenen aan een buitenlandse mogendheid werd in België in 1865 geschrapt om de vrijwilligers voor het Belgische legioen voor keizer Maximilaan van Mexico niet te compromitteren. Nederlanders konden voor vertrek verlof vragen om voor een andere staat te gaan vechten of bij terugkomst een verzoekschrift aan koning Willem III indienen om hun nationaliteit terug te krijgen. Pastoors die ronselden of oudgedienden opvingen vergaten dat meestal, zodat sommige zouaven op het einde van hun leven als staatloze moeilijk officiële hulp konden krijgen.
Harry van Royen

Openingsbeeld: Stormaanval van de zouaven op Mentana. (Coll. Nederlands Zouavenmuseum Oudenbosch)

Lees de andere helft van dit boeiende artikel in de nieuwste G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder