Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Het Beest van Gévaudan

16 september 2020 Siebrand Krul

De laatste tijd worden meer en meer wolven gespot in België en Nederland, maar ze blijven zeldzaam. In de 18de eeuw was de wolf nog heel courant in Europa. Op 19 juni 1767 doodde een jager het Beest van Gévaudan, een monsterachtige, mensetende wolf die verantwoordelijk werd geacht voor méér dan 120 slachtoffers in het zuiden van Frankrijk. Maar was het wel een wolf?

Het is een warme zomeravond, die 30ste juni van het jaar 1764, wanneer de veertienjarige Jeanne Boulet de heuvels intrekt rond Les Hubacs, een klein gehucht in de streek op de grens van wat vandaag bekend staat als de Lozère en de Ardèche, destijds de Gévaudan genoemd. Wat gaat de jonge Jeanne doen bij valavond buiten het dorp? Hoogstwaarschijnlijk moet ze het vee bijeendrijven, dat op de groene hellingen heeft gegraasd. Ze zal nooit meer thuis komen. Een onbekend wezen valt het weerloze meisje aan en verscheurt haar. In het parochieregister van Saint-Etienne-de-Lugdarès lezen we dat Jeanne Boulet op 1 juli wordt begraven, ‘sans sacrements, ayant été tuée par la bête féroce’.

Aanduiding van de streek Gévaudan op de kaart van Frankrijk. (rr)

Dat hier gesproken wordt over hét beest, doet vermoeden dat de arme Jeanne niet het eerste slachtoffer is. Enkele weken voordien was een andere veehoedster in het naburige Langogne ook aangevallen door een beest, maar zij was heelhuids kunnen ontsnappen.
Op 6 augustus vindt een tweede dodelijke agressie plaats, ditmaal in Le Cellier, zo’n dertig kilometer ten westen van Les Hubacs. Marie-Anne Hébrard, leeftijd onbekend, wordt overdag gewurgd en half verslonden door ‘une bête féroce’, zoals neergepend staat in het register van Saint-Jean-la-Fouillouse. Twee dagen later slaat het beest opnieuw toe, ditmaal in Masméjan (parochie La Bastide-Puylaurent) waar een vijftienjarig herderinnetje de aanval niet zal overleven.
In de daarop volgende weken vallen nog meer slachtoffers: een vijftienjarige jongen in Les Pradels, een vrouw van 35 in Les Estrets. Haar lichaam, half verscheurd, wordt aangetroffen in haar eigen tuin. Op 16 september in Saint-Flour-de-Mercoire mag de twaalfjarige Claude Maurines het vee gaan hoeden: hij valt ten prooi aan ‘la bête féroce’ en sterft ‘un mort non naturelle’, de zesde in amper drie maanden. Tien dagen daarna haalt het geheimzinnige monster weer uit: het lijkje van de twaalfjarige Madeleine Mauras, een boerenmeid uit Rocles, wordt vreselijk verminkt teruggevonden, haar borst opengereten en een arm afgerukt.

Aanval van het beest, tekening uit 1765. (rr)

Paniek
Stilaan maakt de paniek zich meester van de streek van Gévaudan. Het is een dunbevolkte regio met kleine dorpskernen en gehuchten, bossen en groene heuvels, waar runderen en schapen grazen. De herders en veehoeders van de Gévaudan hebben wel wat ervaring met agressieve wolven, maar meestal kunnen ze die verdrijven. Je mag niet vergeten dat er in de 18de eeuw nog duizenden wolven leven in Frankrijk, dus aanvallen op koeien en schapen zijn op zich niet zo uitzonderlijk. Vreemd genoeg heeft het onbekend duivels wezen dat nu rondzwerft in de heuvels het vooral op mensen gemunt, die gruwelijk worden toegetakeld.
In september 1764 komen de autoriteiten in actie: een detachement van 57 infanterie-dragonders, waarvan een aantal te paard, komt naar de streek om de klopjacht op het beest in te zetten. Onder het commando van kapitein Duhamel worden verscheidene drijfjachten georganiseerd, zonder resultaat. Op 20 september slaagt men erin een grote wolf te doden, maar al gauw beseft men dat dit niet het gehate beest van Gévaudan is, want de dodelijke aanvallen op mensen gaan gewoon verder.

Beest van Gévaudan, gravure uit 1765. (rr)

Op 7 oktober valt een twintigjarig meisje in het dorp Prunières ten prooi aan de tanden en klauwen van het beest. Haar hoofd wordt afgerukt van de romp. De dag nadien wordt opnieuw een drijfjacht opgezet vanuit het kasteel van La Baume; ditmaal worden ook boeren en inwoners uit de omliggende dorpen gemobiliseerd. In de dichte wouden jagen niet minder dan tweehonderd mannen het beest op. En deze keer lijken ze geluk te hebben: het beest vertoont zich en schutters richten hun geweer. Mogelijk wordt het woeste dier getroffen, want het valt neer, maar voor de eerste jagers het kunnen bereiken, springt het op en vlucht weg in het dichte struikgewas. De avond is intussen gevallen en het wordt te donker om de jacht verder te zetten. Wanneer het gezelschap ’s anderendaags bij het eerste ochtendgloren de jacht weer opneemt, is het beest verdwenen.

Pamflet uit november 1764. (rr)

Erg veel last schijnt het niet te hebben van eventuele verwondingen, maar het is des te woester. Op 11 oktober moet Marie Solinhac, een boerin uit Broulhet, zo’n dertig kilometer ten zuiden van de jachtplek, het ontgelden: haar lichaam wordt uiteengereten en onthoofd. Dat het beest tussen twee aanvallen een afstand van dertig kilometer en meer aflegt, is niet zo vreemd: een wolf – àls het een wolf is – opereert soms over een terrein van honderden vierkante kilometer. De ene drieste aanval volgt na de andere. En omdat eind oktober 1764 de eerste sneeuw valt in de Gévaudan en daardoor de jagers zich niet meer vlot kunnen verplaatsen, heeft het beest vrij spel. Vóór het einde van het jaar maakt het nog zeven slachtoffers. Het trieste totaal komt daarmee op zeventien officiële doden sinds juni, volgens minder gecontroleerde bronnen zou het al gaan om 22 doden.

Duitse prent waarin sprake is van een hyena. (rr)

Nieuws
Aanvankelijk blijft het nieuws over het beest beperkt tot de regio rond de Gévaudan, maar wanneer de ‘Courrier d’Avignon’ een artikel brengt over ‘la bête féroce du Bas-Languedoc’, dat even later wordt overgenomen door de ‘Gazette de France’, verspreidt het gerucht zich over heel Frankrijk en West-Europa. Er verschijnen stukken in de ‘Gazette de Hollande’ en de ‘Gazette de Cologne’. Allerlei pamfletten en publicaties volgen en brengen het sensationele verhaal.
Voor het eerst lezen we ook speculaties over de aard van het beest. Uiteraard is een grote wolf de meest aannemelijke kandidaat, maar er is ook sprake van een hyena, een beer of een panter. En gaat het om slechts één exemplaar of zijn er meerdere beesten actief? De afbeeldingen die gedrukt worden, tonen de meest fantastische monsterlijke creaturen: van bizarre wolfachtige dieren tot halve draken. In beschrijvingen lezen we dat het beest even groot is als een éénjarig rund, met zware klauwen en een brede snuit, korte, rechtopstaande oren, een ruige vacht en een lange dikke staart. Eén auteur suggereert dat het een kruising zou zijn van een leeuw met een andere diersoort.

Gravure van het beest. (rr)

Allerlei instanties reiken hoge premies uit voor het doden van het beest: van 200 pond door de Syndics de Mende, over 2.000 pond door de État de Languedoc, tot het enorme bedrag van 6.000 pond vanwege koning Lodewijk XV. Meer dan voldoende aansporing, maar hoe graag de jagers van kapitein Duhamel het ook willen: het beest doden lukt niet.
Het monster blijft mensen aanvallen, soms twee per dag. Het wordt met de tijd ook roekelozer. In het begin naderde het beest zijn prooi al sluipend, nu bespringt het soms een hele groep mensen en rukt één slachtoffer weg. Niet altijd heeft het beest succes. Wanneer het op 12 januari 1765 zeven jonge herdertjes aanvalt nabij het dorp Villeret, slagen zij erin dankzij de moed van de oudste Jacques Portefaix het doldrieste beest te verjagen.
De bloeddorst van het beest is niet voldaan en diezelfde dag doodt het in Grèzes, enkele kilometers noordelijker, een jonge veehoeder van veertien jaar, Jean Châteauneuf.
Intussen duiken verhalen op waarvan niet duidelijk is of ze waarheidsgetrouw zijn dan wel ontsproten aan de fantasie van de verteller. Zo zou op 12 februari een jonge edelman tijdens een jachtpartij in Nozeyrolles plots geconfronteerd zijn met wat hij bestempelt als ‘la bête féroce’. De adellijke jonkheer Laurent du Verny de la Védrine beweert het beest te hebben beschoten en verwond aan een achterpoot. Een ware heldendaad, maar is het ook écht gebeurd?

Het beest doodt een jongeman, 18de-eeuwse gravure. (rr)

De wolvenjager
Omdat kapitein Duhamel en zijn dragonders geen resultaat boeken, worden zij vervangen door Jean-Charles d’Enneval, een Normandische wolvenjager die bekend staat als ‘le meilleur chasseur de loups du royaume’. Dit gebeurt op uitdrukkelijk aandringen van de koninklijke entourage in Versailles.
d’Enneval en zijn kompanen zijn nog maar net gearriveerd in de streek wanneer een zoveelste aanval van het beest heldhaftig wordt geweerd door een vrouw, genaamd Jeanne Jouve-Chastang. Deze jonge moeder is op 14 maart rond haar huis aan het werken in Saint-Alban, samen met drie van haar kinderen, wanneer het beest hen attaqueert. Het bijt zich vast in één van de kinderen, Jean-Pierre, een jongen van zes jaar. Moeder Jeanne verweert zich heftig en uiteindelijk laat het beest los en vlucht weg. De kleine Jean-Pierre zal overlijden aan de opgelopen kwetsuren, maar voor de rest is niemand ernstig gewond. Omwille van haar heroïsche optreden zal Jeanne Jouve een premie van 300 ponden ontvangen vanwege de koning. Of dit het verlies van haar zoontje compenseert, is nog maar de vraag.
De vastenperiode, de veertig dagen voor Pasen, kleurt bloedrood in de Gévaudan. Wolvenjager d’Enneval loopt schijnbaar achter de feiten aan, of liever: achter de lijken, want het beest laat een bloederig spoor na, gevolgd door d’Enneval en zijn team jagers. De kerkelijke overheid laat een brief voorlezen in alle parochiekerken van de regio, waarin aan de familievaders expliciet wordt gevraagd hun vrouwen en kinderen te beschermen tijdens het hoeden van het vee. Of het veel uithaalt, is niet zeker. Beest of geen beest, er moet gewerkt worden in de arme streek. Een boer kan zich niet permitteren sterk mansvolk, hoogstnodig op de akkers, uit te lenen als veehoeder of herder, een klus die net zo goed door een kind kan gedaan worden.

Jeanne Jouve verweert zich tegen het beest. (rr)

Eind april, begin mei 1765 lijkt het net zich te sluiten rond het beest. d’Enneval heeft het opgejaagd met de hulp van honderden dorpsbewoners. Het beest zou zich schuilhouden in de bossen nabij Saint-Alban. Toevallig merkt een notabele van het stadje, Marlet de la Chaumette, het beest op wanneer het bij zonsondergang een jonge veehoedster wil bespringen. Samen met zijn broers, allen ervaren schutters, gaat hij het beest achterna. Ze kunnen het meermaals raken, maar hevig bloedend raakt het toch weg in de duisternis. ’s Anderendaags, op 2 mei, komt de ploeg van d’Enneval, inmiddels gewaarschuwd, erbij. Men vindt bloedsporen. Zou het beest dodelijk gewond zijn door de schoten van de broers Marlet?
Een felle regenbui doet de zoektocht naar verdere bloedsporen letterlijk in het water vallen en dan volgt de ultieme teleurstelling: in Pepinet, ruim twintig kilometer noordwaarts, heeft het beest een nieuw slachtoffer gemaakt, een volwassen vrouw die met haar vee buiten was. De reputatie van het beest krijgt mythologische proporties: is het misschien onsterfelijk?
Dat er externe jagers moesten geëngageerd worden om het beest op te jagen, heeft te maken met het privilege op de jacht, dat in het Ancien Règime bestond in Frankrijk. Jagen was in principe voorbehouden aan de adel en het dragen van vuurwapens was strikt gereglementeerd, evenals het houden van jachthonden. Het was dus niet zo dat boeren of dorpelingen in de Gévaudan zomaar op eigen houtje een jachtpartij konden organiseren.
De aanvallen van het beest volgen mekaar steeds sneller op: hoogtepunt tot dan toe is 24 mei 1765. In één etmaal worden niet minder dan vier aanvallen geregistreerd in de buurt van Saint-Privat-du-Fau, twee met fatale afloop. Eén dappere boerenknecht kan het dier een diepe snijwonde toebrengen in de flank met een speer, maar het woeste beest ontsnapt weeral.

De wolf van Chazes in Versailles. (rr)

Monsieur Antoine
De onvrede over de weinig succesvolle aanpak van jager d’Enneval groeit en in juni krijgt François Antoine, officier bij de Koninklijke Garde en haakbusschutter van Lodewijk XV, het bevel van Versailles om naar de Gévaudan te gaan om de jacht te leiden. Met een ploeg van een twintigtal soldaten en schutters vangt Monsieur Antoine de reis aan. Ze hebben grote jachthonden mee uit de koninklijke kennel, beschikken over een aantal stevige paarden en zijn bewapend en voorzien van wimpels en uniformen met de koninklijke standaard. Met het nodige vertoon arriveren ze op 20 juni in Saint-Flour.
Op 11 augustus, een zondag, vindt een gedenkwaardige aanval plaats: Marie-Jeanne Valet, een meid van twintig jaar uit Paulhac, is met enkele vriendinnen bij een riviertje wanneer het beest haar bespringt. De moedige vrouw plant een spies, die ze bij zich heeft, in de borst van de woesteling waarop die loslaat en het hazenpad kiest. Jager Monsieur Antoine haast zich ter plekke en stelt vast dat de spies inderdaad vol bloed hangt. Het beest is dus zeker – voor de zoveelste keer – verwond.
Een bizar incident in de marge van de jacht doet zich voor op 16 augustus: twee schutters van de Koninklijke Garde krijgen het aan de stok met familie van Jean Chastel, een ervaren jager uit de Gévaudan. De hoge heren arresteren één van de zonen Chastel en sluiten hem op bij wijze van voorbeeld voor de lokale bevolking: er wordt niet gespot met de jagers uit Parijs!
Intussen blijven er doden vallen: op 8 september wordt Marie-Jeanne Barlier, een twaalfjarig meisje, verscheurd in Vachellerie. Op 11 september weten twee ezeldrijvers in Babonès ternauwernood te ontsnappen aan het beest dankzij het gebruik van hun vuurwapen, waarmee ze hun aanvaller – ‘un loup ou bête dévorante’ – kunnen verjagen. Nog twee andere aanvallen worden op gelijkaardige wijze afgeslagen, maar op 13 september slaagt het beest wel in zijn opzet: in Pepinet bijt het een jong meisje, genaamd Danty, de keel over.

De dood van het beest. (rr)

De wolf van Chazes
Maar dan keert het lot: op 18 september worden de jagers van Monsieur Antoine gewaarschuwd dat er wolven gesignaleerd zijn in de bossen rond de abdij van Chazes. Met hun meute jachthonden wordt de aanval ingezet en een grote klopjacht georganiseerd. Na twee dagen op vrijdag 20 september 1765 komt Monsieur Antoine oog in oog te staan met een enorme wolf. Op een afstand van vijftig stappen schiet hij op het dier. Hij raakt het in zijn oog en in de flank, maar nog voor hij kan herladen valt het woeste beest hem aan. Gelukkig is een andere jager Rinchard in de buurt om het beest het genadeschot te geven.
Chirurgijn Boulanger van Saugues ontleedt het dier. Het is een grote mannetjeswolf van ca. 65 kilogram. Getuigen van vorige aanvallen worden opgeroepen en verklaren dat dit inderdaad het gevreesde beest is. Onder hen ook de heroïsche Marie-Jeanne Valet. In een officieel proces verbaal noteert François Antoine dat de gedode wolf ‘la bête féroce ou le loup dévorant’ is. De wolf wordt naar Clermont-Ferrand gebracht, waar hij gebalsemd en opgezet wordt op een houten geraamte. Antoine de Beauterne, de zoon van Monsieur Antoine, reist dan verder naar Versailles met de wolf als jachttrofee.
Op 1 oktober arriveert de triomfantelijke jager met de wolf in het paleis van Versailles, waar de hele koninklijke hofhouding, koning en koningin incluis, zich komen vergapen aan ‘le loup de Chazes’.
In de daarop volgende weken zal Monsieur Antoine en zijn jachtkompanen, die zijn achtergebleven in de Gévaudan, ook nog een wolvin en een nest welpen uitroeien in de buurt van de abdij van Chazes: ‘la veuve et les enfants de la Bête’. Op 3 november verlaat Monsieur Antoine de streek en keert terug naar Parijs. Zijn opdracht zit erop. Hij zal later het Groot-Kruis van Saint-Louis ontvangen, een pensioen van duizend pond en het recht om de afbeelding van een wolf te dragen in zijn heraldisch wapen.

Het beest, hier bestempeld als een ‘hyenne’. (rr)

Wederopstanding
De rust keert weer in de Gévaudan nu het beest uitgeschakeld lijkt. De maand november passeert geruisloos, hoewel niet iedereen er gerust op is. Kanunnik Ollier, pastoor van Lorcières, waarschuwt dat er nog steeds een gevaarlijk beest rondwaart in de streek. Zijn argwaan wordt niet gedeeld door de lokale functionaris Etienne Lafont, die in een officieel document stelt dat men niets meer hoort over het beest. Maar op 2 december 1765 blijkt de vrees van kanunnik Ollier gegrond: in Hontès worden twee jonge veehoeders aangevallen. Eén van hen Vital Tourneyre, zes jaar oud, raakt gewond, maar kan door zijn oudere maat gered worden. Op 21 december, de eerste dag van de winter, is de wederopstanding van het beest een onbetwistbaar feit: het herderinnetje Agnès Morgues, elf jaar oud, wordt verscheurd en half opgegeten in Lorcières, de parochie van kanunnik Ollier. Hij noteert in het parochieregister dat Agnès het slachtoffer is van ‘la bête féroce qui court dans le pays’.
De Kerstdagen van het jaar 1765 dienen zich somber aan: in Julianges scheurt het beest een dertienjarige veehoedster, naam onbekend, aan stukken. Men vindt alleen twee armen terug en wat flarden van haar kleren. De prior van Julianges vindt het zelfs te weinig om een kerkelijke begrafenis te houden.
De lokale autoriteiten weten niet goed hoe ze moeten reageren. Vanuit het paleis van Versailles komt de niet mis te verstane boodschap dat het beest van Gévaudan wel degelijk is uitgeroeid door de koninklijke jager Monsieur Antoine. Desalniettemin herneemt de litanie der doden. De markies van Apchier pleit voor het vergiftigen van stukken vlees en die als lokaas te gebruiken voor het beest. Voorlopig zonder veel effect. De aanvallen gaan gewoon door, maar wat wel opvalt is dat het werkterrein van het beest kleiner is dan voorheen, een gebied van zo’n vijftien kilometer doorsnede met als centraal punt Paulhac. Het beest gaat ook minder roekeloos te werk, lijkt voorzichtiger. Zou dit te wijten zijn aan de vele kwetsuren die hij in de afgelopen maanden heeft opgelopen en die hem nu parten spelen? Of heeft hij van het giftig aas gegeten en is hij ziek geworden en verzwakt? Het jaar 1766 is al bij al rustig: men telt slechts – afhankelijk van de bron – tussen de zeven en negen dodelijke aanvallen.

Beeld uit de film ‘Le Pacte des Loups’, geïnspireerd door de geschiedenis van het beest van Gévaudan. (Studiocanal)

De gewijde kogels van Chastel
In het voorjaar van 1767 is de dodentol van het beest weer hoog: tussen 2 maart en 18 juni niet minder dan vijftien of achttien doden, naargelang van de bron. Jean Chastel, de jager die het jaar voordien nog een conflict had met de koninklijke jagers, treedt nu op de voorgrond. Op vraag van de markies van Apchier organiseert hij drijfjachten. Volgens een legende laat Chastel op bedevaart in de kerk van Notre-Dame-de-Beaulieu van Paulhac zijn geweer en kogels zegenen. Dat is begin juni van het jaar 1767. Op 12 juni sterft de negenjarige Cathérine Chautard na een aanval van het beest, ironisch genoeg vlakbij het hogervermelde bedevaartskerkje. Enkele dagen later op 18 juni is er een nieuw slachtoffer te betreuren: Jeanne Bastide, negentien jaar oud. Chastel en de markies van Apchier, samen met een uitgebreide groep jagers en drijvers, zo’n 300 in totaal, zetten de jacht in. Op 19 juni 1767 merken ze het beest op in het woud bij Nozeyrolles en de markies laat zijn jachthonden los, maar het beest bijt terug en verscheurt één van hen. De honden deinzen terug. Jean Chastel blijft kalm, schoudert zijn geweer en schiet zijn kogels af op het beest. Ditmaal valt het neer en sterft. Na vier jaar, ruim 200 aanvallen met diverse gewonden en meer dan honderd dodelijke slachtoffers (tot 124 volgens één bron) is het beest dood!
Het is een groot dier, ca. 55 kilogram (minder zwaar dan de wolf van Chazes), maar is het een wolf? In het verslag dat de markies laat opmaken staat dat het beest wel op een wolf lijkt, maar toch anders van lichaamsbouw is, proporties en kleur van de vacht. Ook de klauwen en poten zijn afwijkend. Men spreekt over een ‘animal extraordinaire’. Is het misschien een wolfshond, een hybride van een wolf en een hond? Of toch een hyena?

Men stelt verscheidene oudere kwetsuren vast, wat overeenkomt met de geschiedenis van het beest van Gévaudan dat in de loop der jaren meermaals verwond werd.
Wanneer een dissectie wordt uitgevoerd, treft men in de maag van het beest naast dierlijke overblijfselen ook een stuk menselijk dijbeen aan, wellicht van een kind van ca. acht à negen jaar. Gaat het hier om een deel van de onfortuinlijke Cathérine Chautard, het voorlaatste slachtoffer?
Begin augustus mag Jean Chastel het dode beest gaan tonen in Versailles, maar hij wordt er niet met dezelfde eer ontvangen als zijn voorganger Monsieur Antoine. Bovendien is het kadaver van het beest niet gebalsemd en al in staat van ontbinding wanneer Chastel ermee arriveert aan het Hof. Hij ontvangt een premie van 72 pond, een schijntje in vergelijking met de duizend pond voor Monsieur Antoine. Maar Chastel zal wel de geschiedenis ingaan als de doder van het beest van Gévaudan.
Koen De Vos, Canvas Curiosa

Openingsbeeld: Marie-Jeanne Valet verwondt het beest. (rr)


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder