Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

De laatste bizons

16 september 2020 Siebrand Krul

De commerciële bizonjacht stiet de prairie-indianen het brood uit de mond. Vier ooit machtige stammen ne-men het nog één keer op tegen jagers en soldaten. Het gebeurde in de ochtendschemer, op een zaterdag, 27 juni 1874, in de verlatenheid van de noordwestelijke punt van Texas bij Adobe Walls, een kleine bevoorra-dingspost, die buffeljagers uit Dodge City, Kansas, hadden ingericht en vernoemd naar een verlaten han-delspost in de buurt.

Zij jaagden op bizons, maar niet om het vlees of de huiden, waar modebewuste Amerikanen aan de oostkust zich ’s winters in hulden. Drie jaar eerder hadden looiers in Pennsylvania een procédé ontwikkeld dat het mogelijk maakte ook de taaie huid van deze dieren tot leer te verwerken. Op markten in het oosten bracht een huid 3,50 dollar op – een aardig bedrag in die tijd – en op de zuidelijke prairie wemelde het dan ook van de types op zoek naar het snelle geld.
Rauwdouwers waren het, die een ontmoeting met de prairie-indianen die zich met de bizons voedden op de koop toe namen. En dat betekende vaak genoeg: doodgemarteld worden. Ondanks deze gevaren vervoerden de drie spoorwegmaatschappijen die Dodge City aandeden in drie jaar tijd meer dan vier miljoen bizonhuiden. Dat deed de bizonkuddes op de prairie van Kansas en de noordelijke indianenterritoria de das om, ook al waren de kuddes bij verdrag aan de indianen voorbehouden. En nu restte er nog maar één kudde, die in Texas. En daar hadden de jagers uit Kansas het op voorzien.

Kaart uit 1889 waarop de uitroeiing van de bizons wordt getoond.

Aan de rivier, verscholen in een oeverbos van wilgen en populieren, bespiedden de indianen de bevoorradingspost. Het waren krijgers van alle vier de stammen op de zuidelijke prairie – Comanches, Kiowa’s, Cheyennes en Arapaho’s. Waarschijnlijk zo’n 500 man en daarmee een van de grootste strijdmachten die de indianen hier op de been brachten. Hun aanvoerder was Quanah Parker, zoon van een Comanche-opperhoofd en een blanke gevangene.
Jaren later herinnerde Parker zich de aanval nog goed: ‘Te paard voerden we een verrassingsaanval uit. Het stof dwarrelde metershoog op.’ Bij de omsingeling van de buffeljagers werden twee broers die in hun huif-kar overnacht hadden van de rest afgesneden, gedood en gescalpeerd. Hun labrador verdedigde hen zo fel, dat de indianen na het dier gedood te hebben, uit zijn flank een scalp sneden om zijn dapperheid te eren. De rest van de jagers verschanste zich in de vier gebouwen – twee winkels, een saloon en een smederij. Het waren de beste schutters in deze contreien, die een bizon van een afstand van 400 meter of meer wisten te treffen. Hun geweervuur was dodelijk.

Het opjagen van een kudde bizons door indianen naar een ravijn om ze daar zonder veel gevaar voor henzelf naar beneden te laten storten. Schilderij van Alfred Jacob Miller (1810-1874)

Het bracht de indianen in verwarring. De medicijnman van de Comanches had hun verzekerd dat zijn betovering hen onkwetsbaar gemaakt had. De volgende dag vertoonde zich een aantal krijgers op een tafelberg in de buurt. De jager Billy Dixon schouderde zijn kaliber-50-buffelgeweer en drukte af. De afstand werd later vastgesteld op 1.406 meter. De indianen zagen het vuur uit de loop, hoorden een paar seconden later de dalwanden een knal weerkaatsen en zagen een krijger, To-hah-kah genaamd, ineenzijgen en van zijn paard vallen.
De indianen gaven de omsingeling op en gingen in kleine groepen op rooftocht. Een aantal Cheyennes doodde burgers in Kansas, een andere groep overviel kolonisten die in huifkarren het indianenterritorium doorkruisten, het gebied waar oerinwoners zich decennia eerder onder dwang hadden moeten vestigen en dat ongeveer samenvalt met de huidige staat Oklahoma. Een grote groep van meer dan honderd Kiowa’s ging dieper Texas in en nam het op tegen een patrouille van Texas Rangers.
Deze gebeurtenissen zijn om een aantal redenen opmerkelijk. Zo ging het hier om het laatste verzet van vier ooit machtige stammen. Verder antwoordde de VS-regering met de grootste troepenmacht die ooit tegen indianen werd uitgezonden. Nog opmerkelijker en veelal genegeerd: dit was de enige keer in de hele geschiedenis van de ontsluiting van het westen dat de indianen zich tegen hun gevaarlijkste vijanden richtten. Niet de soldaten, niet de pioniers maar de bizonjagers waren de nagel aan hun doodskist.

Apache-chief Geronimo buigt over een dode buffalo, met om hem heen mannen en jongens in ceremoniele kleding. Fort Still, Oklahoma, omstreeks 1906.

Quanah Parker was eerst van zins in coalitie een vergeldingsactie tegen de Texaanse Tonkawa’s te ondernemen, die een van zijn mannen gedood hadden, maar werd door de verzamelde opperhoofden op andere ge-dachten gebracht: ‘Je bent een geducht krijger, Quanah, maar je weet niet alles. Wij denken dat je je pijlen eerst beter kunt richten op de blanke bizondoders. Dood je hen, dan verblijdt dat je hart.’ Daarna kon hij als-nog op stammenoorlog gaan.
Wat het conflict vertroebelde, waren de vele onderlinge twistpunten in beide kampen. In Washington lagen bureaucraten met elkaar overhoop: die van het Indian Bureau, belast met het bevoorraden en ‘civiliseren’ van de oerinwoners, en de leiding van het leger, die dat beschaven alleen gewapenderhand meende te kunnen bewerkstelligen.
In dat Indian Bureau tierde de corruptie welig. De ambtenaren die in de eerste levensbehoeften van de prairie-indianen moesten voorzien waren van goede wil, maar toch bereikten steeds minder levensmiddelen het territorium, om uiteindelijk helemaal uit te blijven. Zonder overheidsrantsoenen en zonder bizons dreigde de indianen de hongerdood.
In het leger woedde een strijd om promotie. Na de burgeroorlog was het officierskorps sterk ingekrompen en omvatte het leger nog maar 25.000 man. Oorlog tegen de indianen voeren was de enige mogelijkheid geworden om carrière te maken.
James L. Haley

Bizonjacht met een buitenproportionele bizon. Schilderij van Alfred Jacob Miller (1810-1874), die veel indiaanse taferelen maakte.

Grootscheepse jacht
De prairie-indianen leefden in harmonie met de natuur, wordt vaak gezegd. Maar was hun levenswijze wel zo duurzaam? Over de instinctieve natuurbescherming door de Amerikaanse oerinwoners is veel geschreven. Bijvoorbeeld dat ze nooit meer bizons doodden dan ze nodig hadden om van te leven. De ironie wil dat dat pas echt het geval was toen ze over Spaanse paarden en Amerikaanse wapens beschikten.

Inderdaad, wat het onderschrift zegt: in 1926 (de auto rechtsachter duidt op die periode) zijn bizons zeldzaam geworden.

In de tijd voor Columbus waren er minder bizons en de indianen bejaagden hen intensief. Ze doodden allerlei dieren om het vlees, om er kleding en gebruiksvoorwerpen van te maken, of om spirituele redenen, maar de bizons waren verreweg het belangrijkst. Een nogal bewerkelijk soort bizonjacht bestond uit de bouw van een trechtervormige gang, soms wel langer dan een kilometer, die uitliep op een omheind stuk land, waar de dieren vanaf betrekkelijk korte afstand gedood konden worden.
Gangbaarder was de zogeheten ¬buffalo jump, waarbij een hele kudde opgeschrikt en over de rand van een klif gedreven werd. Daarvoor hulde een aantal mannen zich in bizonvellen, om de kudde onopgemerkt te kunnen naderen. Van korte afstand joegen ze de dieren dan in galop en dreven en op de steile wand van een afgrond af – steeds met het gevaar zelf onder de hoeven vertrapt te worden. De mannen verscholen zich in rotsspleet, terwijl de dieren zich in paniek over de rand van de klif wierpen. Beneden werden ze dan afgemaakt en voorbewerkt.

Een ‘nickel’ (vijf dollarcent) uit 1935 met beeltenissen van een indiaan en een bizon; teken dat de verbondenheid tussen beide de Amerikanen duidelijk was.

Een deel van het vlees werd vers gegeten. De Kiowa’s beschouwden rauwe bizonlever als een bijzondere lekkernij, Maar het meeste vlees werd gedroogd. De huiden werden gelooid met een brij die uit de hersenen van de dieren gewonnen werd. De huiden gebruikte men voor de tipi’s waarin de indianen woonden. Van de botten werden gebruiksvoorwerpen gesneden – zelfs de hoeven werden gekookt en tot lijm verwerkt. Bruikbaar was bijna alles aan een kadaver, maar bij zulke grote aantallen was verspilling niet te vermijden.
Nadat de indianen door de komst van de Europeanen in het bezit van paarden en vuurwapens kwamen, werd de jacht efficiënter. Tegelijk maakten deze verworvenheden afhankelijker. Toen de mustangs, nakomelingen van de paarden die aan de Europese kolonisten ontsnapt waren, schaars werden, leerden de Comanches weliswaar ze zelf te fokken, maar de meeste van de dieren stalen ze toch van de blanken, wat het geweld aan de grens tussen de nieuwe en oude gemeenschappen aanwakkerde.

Handel was de enige manier om aan geweren en munitie te komen. Op een bepaald moment werd het verboden die aan indianen te verkopen. Aanvankelijk om hen te bewegen landbouw te gaan bedrijven, later, na de eerste oorlogen, om de ‘vijand’ niet sterker te maken. Dus moesten nu ook de wapens gestolen worden, of clandestien gekocht van comancheros, Mexicanen die wapens smokkelden. Erger dan de geweren bleek een andere smokkelwaar van de comancheros – whisky. In het afbreken van alcohol was het lichaam van de indianen minder snel dan dat van de Europeanen en daarom werden ze eerder dronken. Tot overvallen en plunderingen werd vaak bij drinkgelagen besloten.
Zo veranderden paarden, vuurwapens en alcohol de cultuur van de prairie-indianen. Ze werden er kwetsbaarder door en dolven zo het onderspit tegen een technisch geavanceerdere cultuur.
James L. Haley

Openingsbeeld: Foto die angstaanjagend de omvang van de bizonjacht duidelijk maakt: een stapel bizonbotten in Detroit, 1892, gereed om te worden vermmalen tot inkt en mest.

Lees nog veel meer artikelen over het epos van de indianen in de nieuwste G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder