Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Leopolds Chinese restaurant

07 juli 2020 Siebrand Krul

Een automobilist die langs het Park van Laken over de Brusselse Van Praetlaan rijdt – of daar in de file staat – kan zich even in het Verre Oosten wanen, want aan de ene kant staat een Japanse pagode en aan de andere zijde prijkt een soortement Chinese restaurant. Wat bevindt zich achter deze al jaren gesloten folies van koning Leopold II? En wat is het geheime deurtje van Fabiola?

De Japanse Toren en het Chinese Paviljoen zijn het resultaat van de droom van Leopold II (1835-1909) om een grote economische afzetmarkt te scheppen in het Verre Oosten voor de Belgische export, en tegelijk ook de import van oosterse producten te begunstigen. Het paste in zijn voornemen om het kleine België een zekere grandeur te verlenen. Reeds als kroonprins leefde dit idee bij hem en toen hijzelf op de troon kwam, wou hij die ambitie waar maken. Dat deed hij uiteraard met zijn nu felomstreden Congo-plannen en het resulteerde ook in grootse architecturale verwezenlijkingen waarvan hij de bouwheer was, zoals het Koninklijk Paleis in Brussel en de Triomfboog van het Jubelpark.
Leopold II koesterde eveneens urbanisatieplannen om Brussel naar analogie met Parijs om te vormen tot een 20ste-eeuwse grootstad. En daar hoorden ook de buitengemeenten bij. Aan de oostelijke kant was dat het project rond Tervuren met het Afrikamuseum en de Tervurenlaan. Aan de westelijke kant moest het Park van Laken – toen nog gelegen in een landelijk gebied – daar de pendant van worden. De oosterse gebouwen die hij in gedachten had, zouden de perfecte plek zijn om de economische belangen van België in China en Japan te promoten. Ze zijn de laatste grote architecturale realisaties van Leopold II. Hij zou de uiteindelijke voltooiing niet meemaken.

Leopold II. (rr)

Congo

We mogen niet vergeten dat de architecturale esbattementen van Leopold II voor een groot deel werden gefinancierd door de rijkdommen die hij vergaarde in Congo-Vrijstaat, toen nog een persoonlijk kroondomein van de koning, waar de lokale bevolking zwaar te lijden had onder het schrikbewind van de Belgische kolonisatoren. Een feit dat toentertijd fel werd gehekeld in de buitenlandse pers en inmiddels ook in België zelf voor heftige controverses zorgt.

Le Tour du Monde, Parijs 1900. (Architect Alexandre Marcel)

Japanse Toren

In 1900 had de koning de Wereldtentoonstelling van Parijs bezocht en was daar onder de indruk gekomen, enerzijds van de charmes van Blanche Delacroix, zijn latere minnares, de beruchte barones de Vaughan, anderzijds van het paviljoen Le Tour du Monde, een eclectisch complex met Moorse, Japanse en Indische architectuur, ontworpen door de Franse architect Alexandre Marcel (1860-1928). Leopold II vroeg Marcel om een site in oosterse stijl te ontwerpen voor het Park van Laken. Niet dat hij zo’n grote fan was van exotische architectuur, maar het kaderde in zijn hoger vermelde ambities.
De koning kocht alvast het welkomstpaviljoen van Le Tour du Monde op, een Japans bouwwerk dat hij liet demonteren en optrekken in Laken. De Japanse Toren, in tegenstelling tot wat vaak wordt verteld géén recup van de tentoonstelling, werd helemaal nieuw ontworpen door Alexandre Marcel en gebouwd in Laken, weliswaar naar het model van zijn Parijse voorganger.
Het Parijse inkompaviljoen werd geïncorporeerd in het nieuwe torencomplex, dat strikt genomen weinig van doen heeft met authentieke Japanse pagodes. Een Japanse pagode bestaat wel uit diverse verdiepingen (een oneven aantal) maar eigenlijk alleen maar aan de buitenzijde. Binnenin is het één open ruimte, waarin een Boeddha-beeld kan staan. De toren in Laken heeft échte niveaus die per etage toegankelijk zijn via een draaitrap die langs de buitenzijde staat.
De dragende houtstructuur werd gebouwd door de firma Claes uit Sint-Truiden, de Japanse ornamentiek kwam hoofdzakelijk van Franse decorateurs. Alleen het fijne houtsnijwerk en de metalen geciseleerde, vergulde plaatjes – verbindingsstukken voor de houten balken – werden in Japan besteld en vervaardigd door lokale ateliers in Yokohama.

Ontwerptekening voor de ‘Tour Japonaise’, 1901. (Archief Koninklijk Paleis)

Discrete kamer

De Japanse Toren is dus een Europese creatie met een Japans sausje overgoten. Recent onderzoek heeft aangetoond dat het misschien toch iets minder kitscherig is dan gedacht: bepaalde houten elementen zouden afkomstig zijn uit oude Shogun-mausolea, die men in Japan liever kwijt was (om politieke redenen). Unieke stukken eigenlijk, die heel goed bewaard zijn gebleven omdat ze – hoewel afkomstig uit exterieur-monumenten – hier in het interieur werden herbruikt en daardoor de tand des tijds beter hebben doorstaan dan de exemplaren in Japan.
De Japanse Toren, begonnen in 1901, werd geopend tijdens een tuinfeest op 6 mei 1905. Het is niet helemaal duidelijk wat de bestemming was voor de toren. Had hij wel echt een functie of diende hij gewoon als ornament in het koninklijk park? Was hij publiek toegankelijk of louter particulier? De eerste verdieping was alleszins ingericht als een private kamer voor Leopold II met een verborgen kabinet. Omwille van het comfort was er elektrische verlichting, stromend water, telefoon, zelfs een goederen- én een personenlift. Welke plannen had de koning met deze kamer? Een privékantoor waar hij discreet politici kon ontvangen of – nog discreter – zijn minnares, barones de Vaughan?
Het lijkt erop dat de koning na enkele jaren zijn belangstelling voor het complex verloor en in 1909 gaf hij het over aan de Belgische staat, met als doel er een handelsmuseum van te maken om de buitenlandse export-import tussen België en Japan te promoten. Leopold II zou het niet meer meemaken; hij overleed op 17 december 1909.

Hierboven en hieronder: De Japanse Toren en de Chinese Kiosk. (J-P. Grandmont)


Restaurant Chinois

Het Chinese Paviljoen kent een gelijklopende geschiedenis. In eerste instantie was het bedoeld als luxerestaurant voor zakenlui, bankiers en industriëlen en voor de Brusselse gegoede burgerij, die een bezoek aan de Japanse Toren en het Park van Laken kon combineren met een etentje in stijl. Franse haute cuisine, wel te verstaan; van Chinese maaltijden was geen sprake.
Vandaar dat in het paviljoen, dat altijd omschreven werd als het ‘Restaurant Chinois’, ook alle meubilair voor een restaurant aanwezig was (is) met aparte privé-salons in Chinese, Japanse en Indische stijl, en uiteraard een volledig uitgeruste keuken. Een apart bijgebouw diende als koetshuis en stalling voor de paardenkoetsen en automobielen van de restaurantbezoekers.
Een kiosk op het voorplein oogt Chinees, maar de plaatsing is dat allesbehalve. Een échte Chinese kiosk, die bijvoorbeeld als theepaviljoen dienst doet, staat meestal half verborgen, ietwat heimelijk opgesteld in een park. Hier staat hij centraal op het plein zoals een Europese fanfarekiosk.
Net zoals voor de toren tekende architect Alexandre Marcel een oosters geïnspireerd gebouw dat op Europese wijze werd opgetrokken: de structuur met houten pijlers en een houten dak op een stenen terrassokkel lijkt Chinees, maar het is een bakstenen kern waarrond houten decoratieve panelen en tegels werden geplaatst. Het interieur is een rijkelijke mix van chinoiserieën en Franse rococo.
Een groot deel van de ornamentiek is van Europese makelij. De wandtegels in glaspasta komen uit een Franse fabriek. Maar het houtsnijwerk werd besteld in de Chinese ateliers van T’ou-Sè-Wè, verbonden aan de school en het weeshuis van de Jezuïeten in Shangai. Het was de Duitse Jezuïet, broeder Aloysius Beck (1854-1931) die het atelier houtbewerking leidde. Het leverde tal van afgewerkte stukken voor het ‘Restaurant Chinois’ van Leopold.

Plannen van het ‘Restaurant Chinois’, 1901-1903. (Archief Koninklijk Paleis)

Tchang

Tchang Tchong-Jen (1907-1998) bracht als wees zijn jeugd door in het tehuis T’ou-Sè-Wè van de Jezuïeten in Shangai, waar hij de smaak voor de kunst te pakken kreeg. In de jaren dertig kwam hij naar België om verder te studeren aan de Brusselse kunstacademie en het was in die periode dat hij Georges Remi (Hergé) ontmoette. Het werd een vriendschap voor het leven die ook resulteerde in het gelijknamige strippersonage uit ‘De Blauwe Lotus’ en ‘Kuifje in Tibet’.
Tchang heeft zelf niet meegewerkt aan de decoratie voor het Chinese Paviljoen. Daarvoor was hij te jong, maar hij zat dus wel in dezelfde ateliers van T’ou-Sè-Wè bij broeder Beck, waar het houtsnijwerk was vervaardigd. Hij werd uiteindelijk directeur van de Academie voor Schone Kunsten van Shangai.
Het duurde tot 1910 eer het paviljoen klaar was. Omdat er zich geen enkele concessiehouder meldde voor de exploitatie van het gebouw als luxerestaurant, besloot men tenslotte om het eenzelfde bestemming te geven als de Japanse Toren. Net zoals zijn Japanse pendant zou het Chinese paviljoen dienen als handelsmuseum, in dit geval ter promotie van de Belgisch-Chinese handelsbetrekkingen. Het was Leopolds opvolger, koning Albert I, die het paviljoen plechtig opende op 15 oktober 1913. Samen met de toren vormde het de ‘Exposition commerciale permanente d’Extrême-Orient’.
Er was een tentoonstelling van oosterse kunstvoorwerpen en Japanse en Chinese artikelen in combinatie met een presentatie van Belgische exportproducten: van Elixir de Spa tot wapens van de FN-fabrieken van Herstal. Uiteindelijk konden de Japanse Toren en het Chinese Paviljoen de rol vervullen, die aansloot bij de ambities van hun initiatiefnemer Leopold II.

Broeder Beck en twee Chinese jongens bij een afgewerkt stuk uit het houtatelier. (T’ou-Sè-Wè Museum, Shangai)

Een ongewenst kado

De Eerste Wereldoorlog maakte hier voortijdig een einde aan. Het complex werd gesloten. Duitse soldaten hielden lelijk huis in de Japanse Toren en plunderden en vernielden het interieur. De toren zou pas heropenen in 1922. Het Chinese Paviljoen bleef gevrijwaard van plundering, liep wel wat schade op door een ontploffing, maar kon toch de deuren heropenen in 1919.
Het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat de gebouwen in beheer had, wou zich ervan ontdoen en gaf ze over aan het ministerie van Kunst en Wetenschappen, dat ze onmiddellijk onderbracht bij de Koninklijke Musea van het Jubelpark. Dat gebeurde in 1921, maar de musea waren niet bepaald opgezet met dit vergiftigd geschenk: twee gebouwen die heel wat onderhoud en bewaking vereisten en – zeker in het geval van de Japanse Toren – niet geschikt waren als expositieruimte. Bovendien was de ligging buiten het stadscentrum verre van ideaal.
Na de Tweede Wereldoorlog werd een uitgebreide collectie Chinees en Japans porselein ondergebracht in het Chinese Paviljoen, dat hierdoor een volwaardige museale functie kreeg. Hierna volgde een opeenvolging van periodes waarin nu eens de toren, dan weer het paviljoen geopend werden, gerenoveerd en dan weer gesloten. Voor Europalia Japan 1989 legde men zelfs een toegangstunnel aan onder de drukke Van Praetlaan.

Boven en hieronder: Het Chinese Paviljoen. (V. Portapas)

Sluiting

In 2006 werd in het belendende koetshuis een klein Japans museum ondergebracht, maar in 2013 werd de hele site – Japanse Toren, Chinese Paviljoen én koetshuis – definitief gesloten uit veiligheidsoverwegingen. Want de zware nokversiering van het paviljoen dreigde naar beneden te vallen. Gevelelementen verzakten en losse stukken brokkelden af. Erkers begonnen vervaarlijk door te buigen met het risico op instorting en moesten gestut worden. Grote delen van de collecties zijn nu ondergebracht in de depots van het Jubelpark in afwachting van…
De Regie der Gebouwen bleef de leegstaande gebouwen verwarmen en bewaken. Mocht het restaureren in 2021 klaar zijn, honderd jaar na de overdracht van de gebouwen aan de Jubelparkmusea, dan rest nog een hele klus om de gebouwen brandveilig te maken en toegankelijk voor hulpdiensten. En ook nog de privacy van de koninklijke familie, die tenslotte in het naastgelegen park woont, te vrijwaren.

Luchtfoto van het Koninklijk Domein van Laken. (Bing Maps)


En hoe zit het nu met dat geheime deurtje van Fabiola? Wel, onderaan in de Japanse toren is een kleine deur, die uitgeeft op een buitentrap en vandaar via een poortje rechtstreeks toegang geeft tot de privétuin van het paleis van Laken. Koningin Fabiola gebruikte dit deurtje geregeld wanneer ze discreet een bezoek wou brengen aan de toren. ‘La reine est à venir’ werd dan doorgebeld vanuit het paleis, waarna een suppoost zich repte om de deur te openen.
Louk Voncken/Canvas-Koen De Vos


Dank
Met dank aan Nathalie Vandeperre, conservator Musea van het Verre Oosten en Elisabeth Van Besien, Regie der Gebouwen.

Openingsbeeld: Het Chinese Paviljoen. (V. Portapas)


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder