Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Handen wassen!

16 juni 2020 Siebrand Krul

‘Zie die mooie handen. Al heb ik ze sedert acht dagen niet ontdaan van vuil, ik wed dat ze de uwe in de schaduw stellen’. Het zijn woorden zonder schaamte opgeschreven door de koningin van Navarra, Margaretha van Valois (1492-1549). Zo pakweg tussen 1500 en 1800 was het met de persoonlijke hygiëne van de meeste Europeanen droevig gesteld, althans: dat vinden wij tegenwoordig, zeker nu reinheid bijna een obsessie is geworden.

Het verschonen bestond uit het wisselen van het onderhemd en zelfs dat gebeurde maar mondjesmaat. Het nemen van een bad werd ernstig ontraden. Dat was niet altijd zo geweest. Vanaf de Romeinse tijd waren publieke baden op het Europese continent wijd verbreid. Niet alleen om je eens goed schoon te schrobben, maar vooral ook als aangenaam tijdverdrijf. In het middeleeuwse Europa waren overal ‘stoven’ te vinden. Het waren gezellige plekken waar mannen en vrouwen samen poedelnaakt te water gingen, al badende samen wat aten en dronken en, jazeker, soms ook stoutere dingen. Daarom verzette de geestelijkheid zich tegen de baden. Maar het aantal stoven verschrompelde pas toen in de loop van de 16de eeuw medici steeds stelliger beweerden dat badhuizen de bron waren van veel kwaad. Voor de autoriteiten reden om de stoven te verbieden.
Erasmus schreef in 1524: ‘Voor 25 jaren was in Brabant niets zo geliefd als de publieke baden, nu zijn ze alle verlaten. De nieuwe melaatsheid heeft geleerd er ons van te onthouden’. Met die nieuwe melaatsheid of ‘Franse ziekte’ werd de syfilis bedoeld, de geslachtsziekte die vanuit het nieuw ontdekte Amerika naar Europa was overgestoken en daar om zich heen woekerde.

In de stoven ging het er losjes aan toe. In deze Vlaamse stoof zien we mannen en vrouwen samen badderen onder het genot van een hapje en een drankje. Op de achtergrond kijkt een kerkelijke vorst afkeurend toe. Detail uit een verluchtiging in een handschrift uit 1470 gemaakt voor Antoon van Bourgondië door Philippe de Mazerolles. (Staatsbibliotheek Berlijn)

Een goed christen stonk

Anders was dat in de islamitisch wereld. Daar was het een religieus voorschrift het lichaam regelmatig te wassen. Tijdens de Spaanse Reconquista, waarbij de moren van het Iberisch schiereiland werden verdreven, werd van dit verschil dankbaar gebruik gemaakt om leden van de ondergedoken moslimgemeenschap te herkennen. Een goed christen stonk. En toen in de 14de eeuw de pest Europa overrompelde werden de joden daarvan beschuldigd. Ook zij hadden reinigingswetten waardoor ze opvallen minder vaak ziek werden. Dat kon toch geen toeval zijn? Complottheorieën zijn van alle tijden.
Aan de lange periode waarin het gebruik van water voor de persoonlijke hygiëne tot het uiterste beperkt bleef, kwam in de loop van de 19de eeuw een einde. Langzaam groeide het besef, gesteund door voortschrijdend wetenschappelijk inzicht, dat het nemen van een bad misschien toch niet zo slecht was als lange tijd gedacht.

De Oostenrijkse arts Ignaz Semmelweis ontdekte medio 19de eeuw het belang van hydiëne, met name bij bevallingen.
De zeepfabrikanten probeerden via het door hen in het leven geroepen Veiligheids Instituut de omzet te verhogen met behulp van campagnes waarin het belang van handen wassen werd benadrukt. Campagneposter uit 1958, ontwerp Ary Halsema (1909-1978).

De vondst van Semmelweis

De Hongaarse arts Ignaz Semmelweis deed in 1847 een belangrijke ontdekking. Het Weense ziekenhuis waar hij werkte kende twee kraamafdelingen. Op de ene werkten artsen en studenten, op de andere uitsluitend vroedvrouwen. De sterfte onder de kraamvrouwen op de door de artsen geleide afdeling lag veel hoger. Semmelweis wilde weten waarom. Het verschil zat hem erin dat de artsen naast de kraamafdeling ook op de andere afdelingen actief waren, ja zelfs studenten begeleidden bij het uitvoeren van ontledingen. Na het snijwerk werden de handen enkel met wat water en zeep even snel gewassen om daarna aan de slag te gaan op de kraamafdeling. Semmelweis stelde dat er ‘kadaverdeeltjes’ moesten zijn die door de artsen werden overgebracht. Een hypothese, want van het bestaan van bacteriën en virussen was de medische wereld nog onwetend. De Hongaar liet zijn medewerkers voortaan de handen wassen met een oplossing van citroen en chloor, omdat daarmee de geur van ontbinding geheel van de handen van de artsen verdween en naar Semmelweis hoopte dus ook de kadaverdeeltjes. Een schot in de roos. Het sterftecijfer daalde spectaculair.

Kinderen wassen hun handen voor het eten, 1955. (Nationaal Archief, foto Willem van der Poll)

Toch stuitte Semmelweis bij zijn vakgenoten op weerstand. Zijn verhaal strookte gewoonweg niet met de heersende verklaringen van kraamvrouwenkoorts zoals weersinvloeden en besmetting via onreine lucht. Ook legde Semmelweis’ theorie indirect de verantwoordelijkheid voor de kraamvrouwenkoorts bij de artsen. In het Weense ziekenhuis werd het handenwassen weer afgeschaft en Semmelweis’ aanstelling werd niet verlengd. Dat wil niet zeggen dat zijn bevindingen elders onopgemerkt bleven. In de verloskundige kliniek van Leiden bijvoorbeeld werd al omstreeks 1860 de theorie van Semmelweis getoetst. Aanjager daarvan was Simon Thomas, hoogleraar gynaecologie en verloskunde: ‘Mijne Heeren (studenten, HS), daar is een man in Buda-Pest die zegt, dat men vóór het onderzoek van zwangeren en barenden de handen moet wassen. Wij zullen dat voortaan doen’. Toen vervolgens de daad bij het woord werd gevoegd barste een van de aanwezige kraamvrouwen in lachen uit. Ze verontschuldigde zich: ‘vroeger wasten we onze handen als ze vuil waren, maar niet vóórdat we ze vuil gingen maken. Groote hilariteit bij alle aanwezigen’.
Harry Stalknecht

Openingsbeeld: Ignaz Semmelweis (1818-1865) ontdekte het belang van het handen wassen. Zijn leven eindigde dramatisch. Hij stierf hij op 47-jarige leeftijd in een Weens krankzinnigengesticht aan de verwondingen door verplegend personeel toegebracht. Werk van Robert A. Thorn uit 1961. (US National Library of Medicine)

Lees ook de andere helft van dit boeiende verhaal in de nieuwste G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder