Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Kloosterziekenzorg

27 mei 2020 Siebrand Krul

Het is de plicht van iedere monnik een zieke broeder te verplegen, zo bepaalde de heilige Benedictus. Daar-om werden ziekenzorg en heelkunde kerntaken van middeleeuwse kloosters. Een van Benedictus’ befaamde regels luidde: ‘Zij [de zieken] mogen zo vaak als nodig is in bad; de gezonden en met name de jongeren moe-ten zich hierin beperken. De zieken en herstellenden mogen ook vlees eten om sneller op kracht te komen.’

‘Ach, was mijn Notker nu maar hier!’ Dat schrijft de oude monnik Gerold aan het eind van de 10de eeuw in het klooster van Sankt Gallen, ingegeven door de pijn, vol verlangen naar zijn medisch onderlegde broeder.
Maar de arts Notker is een drukbezet man. Zelfs keizer Otto I (912-973) vertrouwde op diens buitengewone kundigheid. Uit aantekeningen van de benedictijner geleerde en geschiedschrijver Ekkehard IV van Sankt Gallen maken we op dat Notker weer eens aan het keizerlijke hof ontboden was. Hij kon daarom de dood-zieke Gerold in zijn laatste uren niet meer bijstaan.
Notker was in zijn tijd een van de meest vermaarde vertegenwoordigers van de kloosterheelkunde. Het be-handelen en verplegen van zieken speelde in benedictijnenkloosters een voorname rol. Voor ordestichter Be-nedictus van Nursia waren de zorg om het heil van de ziel en het helen van het lichaam de beide kerntaken van een kloostergemeenschap. In het 36ste hoofdstuk van zijn regel werkte hij deze tweede kerntaak nader uit. Hij verplicht daarin de monniken zich om hun zieke broeder te bekommeren als ware die Christus zelf.

Manuscript uit de late 15de eeuw met de ‘vaders van de geneeskunst’: Hippocrates, Avicenna, Aristoteles, Galenos, Albertus Magnus en Dioscurides. Rechtsonder de fictieve ‘Macer.

Het 9de-eeuwse kloosterontwerp van Sankt Gallen geeft een aanschouwelijk voorbeeld van de manier waar-op deze gedragsregel in het ideale benedictijnenklooster gestalte kan krijgen. Op de plattegrond vinden we drie hospitalen, die elk een eigen doel dienen. Het armenhuis, ofwel hospitale pauperum, bood behoeftigen en pelgrims voeding, kleding en onderdak. Zieken werden er verpleegd, maar doorgaans niet medisch be-handeld.
Het hospitium diende als onderdak voor welgestelde gasten van het klooster, die te paard reisden. Beide hospitalen hadden met onze moderne ziekenhuizen niets gemeen. Het derde al meer: het zogeheten infirma-rium in het oostelijk deel van het ‘slot’ (claustrum) was voorbehouden aan zieke broeders of zusters. Als het klooster over een arts beschikte, nam die hier de behandeling op zich.
Opgravingen brachten aan het licht dat het infirmarium van het klooster in het Bourgondische Cluny om-streeks 1040 over vier zalen met elk acht bedden beschikte. Meestal deelden twee zieken een bed. Voor het midden van de 12de eeuw werd het infirmarium uitgebreid naar tachtig bedden. Daarmee was het het groot-ste hospitaal van het toenmalige West-Europa.

Het beroemde recto van St. Gallen. Het Kloosterplan uit de onvoorstelbaar rijke bibliotheek van Sankt Gallen is een beroemde middeleeuwse architectonische tekening van een christelijk klooster uit de vroege 9de eeuw. Het is de enige overgebleven belangrijke architectonische tekening uit de periode tussen de val van het West-Romeinse Rijk en de 13de eeuw, die ongeveer 700 jaar heeft geduurd. Het grondplan wordt beschouwd als een nationale schat van Zwitserland en wordt door moderne geleerden, architecten, kunstenaars en tekenaars als zeer interessant gezien vanwege zijn unieke karakter en schoonheid en de inzichten die het biedt in de middeleeuwse cultuur.

In hun opzet leken de infirmaria wel kloosters in het klein. Ze beschikten niet alleen over slaapzalen, maar ook over eigen keukens, eetzalen en kapellen. Verder waren er badgelegenheden en ruimtes voor aderlatin-gen, een apotheek en een eigen vertrek voor de arts.
Het aantal artsen schijnt betrekkelijk gering geweest te zijn. Niet elk klooster had daarom een eigen arts. Hoewel ordebroeders en –zusters in de verpleging op gelijke voet stonden, bleef de functie van arts meestal aan mannen voorbehouden. Medisch onderlegde broeders droegen doorgaans dus ook zorg voor de behan-deling van zieke benedictijnenzusters.
Zo vermeldt de Angelsaksische monnik en chroniqueur Beda Venerabilis (672-735) in zijn Kerkgeschiedenis van het Engelse volk een kloosterarts die Cynefrith heette en een vergeefse poging ondernam een groot ge-zwel onder de kaak van abdis Etheldreda van Ely te behandelen door het vocht dat zich daar opgehoopt had af te voeren.
De therapieën van de kloosterartsen waren gebaseerd op de ‘vier-lichaamssappenleer’. Die stamde uit de Oudheid en was afgeleid uit de theorieën van Hippocrates van Kos en Galenus van Pergamon, gedachtegoed dat de geneeskunde eeuwenlang zou beheersen. Uitgangspunt is de aanname dat het lichaam de vier sappen bloed, slijm, gele en zwarte gal bevat.
Kay Peter Jankrift

Openingsbeeld: ‘Monnikvader Antonius op een 15de-eeuws wandtapijt uit Beaune.

Lees de andere helft van dit boeiende artikel, en nog veel meer over de benedictijnen, in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder