Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Chateaubriands pelgrimstocht

08 april 2020 Siebrand Krul

Onder een loden middaghitte gaat een zeilschip voor anker in de baai van Modone, het huidige Methoni, in het zuiden van de Peloponnesos. Onder het oog van een handvol janitsaren en een groepje nieuwsgierige Turken zet de kapitein één passagier aan wal. Het is de Franse vicomte François René de Chateaubriand. Hij maakt een pelgrimstocht naar het Heilige Land.

Op 13 juli 1806 is hij vertrokken uit Parijs, en na tien dagen Venetië gaat hij in Triëst aan boord van een Oostenrijks schip met bestemming Smyrna. Op 10 augustus zet hij voet aan wal op Griekse bodem. De tocht dwars door de Morea belooft geen sinecure te worden. De Turken zijn er al sinds 1460 de baas. Ze lieten het wegennet totaal verkommeren en de kans, de herbergen langs de weg, verkrotten. ‘Je slaapt er tussen insecten en reptielen op een vermolmde planken vloer’, zal Chateaubriand in zijn Itinéraire noteren. En na de mislukte opstand van 1770, aangestookt door de Russen, hebben de Albanese bondgenoten van de Turken zo goed als het hele schiereiland verwoest en geplunderd. En duizenden Grieken omgebracht. Bovendien is reizen levensgevaarlijk, want overal liggen roversbendes op de loer.

Koffiekannetje

De Turkse aga belooft Chateaubriand paarden en een janitsaar voor de moeizame tocht naar Korone, en bij de Duitse viceconsul krijgt hij onderdak voor één nacht. Dan keert hij terug naar het schip, en neemt er Joseph, een tin-handelaar uit Smyrna, in dienst als knecht. Om drie uur ’s nachts vertrekken ze naar Korone. Voorop rijdt de Griekse gids met een reservepaard aan de toom. Dan volgt de janitsaar, tulband om het hoofd, twee pistolen en een dolk tussen de gordel, een sabel aan de zij en een rijzweep in de hand. Dan volgt Chateaubriand, bewapend als de janitsaar, maar ook met een jachtgeweer. Zijn bagage bestaat uit een tapijt om op te zitten, een pijp, een koffiepannetje en een paar sjaals voor de nachtelijke kou. Na een urenlange tocht door het ruwe landschap bereiken ze Korone. Chateaubriand meldt zich bij de Franse consul. Die biedt hem logies aan en stelt hem een van zijn janitsaren ter beschikking tot in Athene. Maar hij heeft ook slecht nieuws. In de Mani, aan de andere kant van de Golf van Messene, zijn gevechten aan de gang tussen de opstandige Manioten en de Turkse pasja (gouverneur). En dus wordt het een geweldige omweg via Leondari en de hoofdstad Tripolizza.

François René de Chateaubriand bij ruïnes van Rome.

Op 12 augustus, om twee uur ’s nachts, verlaten ze Korone met twee aanbevelingsbrieven op zak: een voor de pasja in Tripolizza en een voor een hooggeplaatste Turk in Mistras. Een kaïk brengt het drietal noordwaarts, naar de monding van de Pamisos. In een dorp een eind stroomopwaarts kan de janitsaar de hand leggen op vijf paarden en een gids. Na een tijd zien ze aan hun linkerkant de berg Ithome. De Spartanen rekenden er ooit definitief af met de Messenen en maakten er een slavenvolk van. Ze trekken door dorpen die volledig verwoest werden door de pasja tijdens zijn laatste razzia tegen de lokale bandietenbendes. Het enige levende wezen dat ze tegenkomen, is een grote, mooie vrouw met blauwe ogen. Een tijd later botsen ze op een Turkse koopman te paard, vergezeld door twee Grieken te voet. Omdat de route zeer onveilig is, sluiten ze zich bij hen aan. Middernacht. Een reusachtige boom en het geluid van stromend water verraadt dat ze bij de kan in het midden van de Leondari-pas gekomen zijn, een bouwvallige paardenstal en een smerige, duffe zolder. Chateaubriand troost de mekkerende koopman met de helft van zijn avondeten.

Titelblad van Chateaubriands Itinéraire de Paris à Jérusalem, voor het eerst gepubliceerd in 1811.

Turkse snor verschroeid

Vroeg in de morgen breekt het gezelschap op, zonder de zielige Turk. Maar het gaat zeer langzaam. De janitsaar klampt iedere reiziger aan, in zijn fluwelen pak ziet Joseph vreselijk af in de hitte, en Chateaubriand zelf verdwijnt regelmatig in het decor om sporen van oudheden te gaan bekijken. Daarenboven zijn de paden amper breed genoeg voor ezels en paarden. Drie mijl voor Tripolizza komt het bijna tot een handgemeen met twee garde-officieren van de pasja. Ze willen Chateaubriands pistolen zien en ze wisselen hun wapens uit. Plots vuren de Turken een salvo af boven zijn hoofd. Een flauwe grap. Maar hij schiet prompt terug, zo dicht langs hun gezicht dat de jongste Turk zijn snor verschroeit. De dag erop, in Tripolizza, ontvangt de pasja zijn Franse gast met de meeste honneurs. Maar al die egards veranderen niets aan zijn lage dunk van de Turken. ‘Het zijn tirannen die verscheurd worden door de honger naar goud en die zonder berouw het bloed van onschuldigen vergieten.’

Janitsaren, hier op een gravure uit 1696, waren ontvoerde Griekse kinderen die werden opgeleid tot militairen en ambtenaren in het Ottomaanse rijk. (Bibliotheek van het Vredespaleis)

Op 15 augustus trekken ze verder naar Sparta. Na tien lange uren in het zadel en te voet bereiken ze een kan bij een kleine bron, in de schaduw van twee platanen. Ze laten hun paarden rusten, maar er is niets anders te eten dan amandelen en geitenmelk. Om elf uur ’s avonds kamperen ze in een dal bij een zo goed als uitgedroogd bergriviertje. Nadat de janitsaar zijn gebed heeft gedaan en zijn handen, ellebogen en baard heeft gewassen, gaan ze de volgende morgen vroeg weer op pad. ‘s Middags stoppen ze, bekaf, bij de eerste kan in Laconië, even armoedig en vuil als de vorige. Op de zolder zit een oude, norse Turk tussen de stinkende geitenuitwerpselen. Hij vertikt het de christenhonden te bedienen en stuurt een naakt Grieks jongetje op hen af met ooienmelk in een smerige pot. Zijn lichaam is gezwollen door de zweepslagen en de koorts. Ondertussen wordt Chateaubriand belegerd door een troep geiten die het op zijn beschuit gemunt hebben.

Pad over het Menelaiongebergte.

Uit beleefdheid weigert hij wijn

Uren later staan ze aan de oever van de Eurotas, en als de avond valt, stijgen ze af in Mistras, op de binnenplaats van het statige huis van Ibrahim Bey. Dankzij hun aanbevelingsbrief worden ze er gastvrij ontvangen in het overvolle gastenverblijf. Er zijn logés van allerlei stand en ze worden allemaal op dezelfde manier bejegend. Bedelaars, landlopers en rijke Turken met hun gevolg van slaven, ze zitten naast elkaar op de sofa. Maar Ibrahim excuseert zich terstond om te gaan waken bij zijn zieke kind. Hij laat een waterpijp en koffie brengen, maar geen rijst, tot spijt van Chateaubriand, die al 24 uur niets meer gegeten heeft. Joseph diept een worst op en biedt de janitsaar een stuk aan, wat die afwijst met een mengeling van spijt en afgrijzen. Chateaubriand legt zich te rusten op een divan, met een zuchtende welgestelde Turk aan zijn voeten. Bij het krieken van de morgen roept die zijn slaven, doet zijn tulband af, houdt een spiegelscherf voor zijn gezicht en kamt zijn baard, friseert zijn snor en wrijft zijn wangen rood. Dan werpt hij een blik vol verachting op de Fransman en vertrekt.

Ruïne van het theater van Sparta.

Niet lang daarna komt de gastheer binnen met zijn zieke kind, naakt, gelig en koortsig, in zijn armen, en een rits amuletten en bezweringsformules om zijn nek. Het jongetje kreeg al massa’s kinine toegediend en heeft een reeks aderlatingen ondergaan. Als volleerd dokter raadt Chateaubriand la petite centaurée aan, het duizendguldenkruid uit zijn kindertijd. Daarna neemt een Turkse wetsdienaar het hoofd van het kind tussen zijn beide handen en spreekt er een gebed over uit. Ondertussen heeft Ibrahim Bey een maaltijd à la Turque laten aanrukken. Een slaaf brengt Chateaubriand water om zijn handen te wassen, en dan volgen kippengehakt gemengd met rijst, schapenragout en vijgen, olijven, druiven en kaas. Na ieder gerecht giet een slaaf water over zijn handen en een andere reikt hem een witte linnen handdoek aan. Uit beleefdheid weigert hij wijn, en na de koffie biedt men hem zeep aan voor zijn snor.

Het graf van Chateaubriand op Grand Bé, een onbewoond eilandje voor de kust van Saint-Malo, aan de monding van de Rance.

Miljoenen hagedissen

De janitsaar heeft ondertussen een gids, een tolk en paarden gevonden. Om acht uur vertrekken ze naar Amyklai, op zoek naar het oude Sparta. Maar ze treffen er geen resten aan. ’s Avonds bezoeken ze Mistras zelf. Ze klimmen naar het vervallen kasteel op de heuveltop. Chateaubriand heeft altijd geloofd dat de stad gebouwd werd op de ruïnes van het oude Sparta, maar nu ziet hij zijn fout in. Na een geanimeerde discussie roept de gids plots: ‘Je bedoelt de oude stad? Paleochori?’ En hij wijst naar een kleine, witte herdershut in de verte. ‘Daar, in Magoula!’ De avond wordt bekroond met nog een ander heuglijk feit. In de Turkse bazaar koopt hij een hond, die hij Argus noemt. Maar die brengt hem geen geluk, want hij verliest hem een paar dagen later op de weg van Argos naar Korinthe.

Het Venetiaanse fort in Methoni bij valavond. Historische sfeerimpressie. (GettyImages)

De volgende dag rijden Chateaubriand en de janitsaar naar Magoula. Joseph en de gids zullen hen opwachten op de weg naar Argos. Eén uur later botsen ze op de ruïnes van een groot theater aan de voet van een heuvel: de acropolis van Sparta. Vanop de top, tussen de resten van de Athenatempel, ziet hij de zon opkomen boven het Menelaiongebergte. Lange tijd staat hij daar, roerloos en ontroerd, te mijmeren over glorie en vergankelijkheid. ‘Quel beau spectacle!’ Het is akelig doodstil, tot hij plots uit alle macht ‘Leonidas!’ roept. Alles rondom hem is doods, zelfs geen echo. Geen enkele boom of struik. Geen vogel, geen insect, alleen miljoenen hagedissen op de hete muren en een dozijn halfwilde paarden op zoek naar een sprietje gras. Nauwgezet bestudeert hij het landschap aan zijn voeten, van oost naar west en van zuid naar noord, en probeert de ruïnes thuis te brengen.
Dan daalt hij de heuvel af, en een kwartier later staat hij bij de Eurotas. Met volle teugen drinkt hij van het heldere, frisse water om vervolgens een lange tocht langs de oever te maken. In zijn dagboek noteert hij: ‘C’étoit le 18 août 1806, à neuf heures du matin,’ Het is middag, wanneer ze terugkeren. In de schaduw, in een hoek van het theater, eten ze brood met gedroogde vijgen. Dan schrijft Chateaubriand, tot verbijstering van de janitsaar, nog twee volle uren aan zijn notities. Daarna onderzoekt hij de ruïnes aan de westzijde, op zoek naar het graf van Leonidas. Zonder succes.
Hugo Dupont

Openingsbeeld: Het Venetiaanse fort van Methoni. (GettyImages)

Lees het volledige artikel in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder