Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Unieke overval Jodentransport

17 maart 2020 Siebrand Krul

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd slechts één Jodentransport op weg naar de nazi-concentratiekampen tot staan gebracht. Die unieke actie werd uitgevoerd in België, waarbij drie onervaren jongemannen erin slaagden een aantal gedeporteerden te bevrijden. Geharde verzetskernen durfden het niet aan, drie jongemannen wel.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog woonden er ongeveer 65.000 Joden in België. Die waren de vorige decennia naar België geëmigreerd: eerst vanuit het Russische en Oostenrijkse rijk, later ook vanuit Polen. In de jaren 1930 besloten vele Joden om Duitsland en Oostenrijk te verlaten. Vooral nadat in 1938 nazi-Duitsland Oostenrijk inlijfde en enkele maanden later tijdens de Kristallnacht talloze synagogen in brand werden gestoken en Joodse winkels kort en klein werden geslagen, zochten vele Joden een veilig onderkomen in het buitenland.
Zodra nazi-Duitsland België bezette, werden de Joden er gedegradeerd tot tweederangsburgers, voor wie het leven steeds moeilijker werd. België kreeg een militair bestuur onder het bevel van de 61-jarige generaal von Falkenhausen. Al heel snel streek ook de SS in Brussel neer, als rechtstreekse vertegenwoordiger van het Reichssicherheitshauptamt, de overkoepelende veiligheidsdienst van het Derde Rijk. Vanuit deze dienst zou in België de vervolging, de arrestatie en de deportatie van de Joden worden georganiseerd.

De binnenkoer van Kazerne Dossin met Joden die zich ‘vrijwillig’ hebben gemeld na de oproep tot dwangarbeid (Arbeitseinsatzbefehl), de dag van de opening van het kamp op 27 juli 1942 of enkele dagen later. (Kazerne Dossin, foto Fonds Kummer)

Joden in het nauw gedreven

In oktober 1940 vaardigde de Duitse overheid de eerste van een lange lijst verordeningen uit die het de Joden steeds moeilijker moesten maken, hun vrijheid aan banden zouden leggen en hen een economisch bestaan onmogelijk moesten maken tot zij ten slotte systematisch werden opgepakt en massaal gedeporteerd en vermoord. Al snel werd een aantal beroepen verboden voor Joden: eerst ging het onder meer om de advocatuur, openbare ambten en de journalistiek, later werden ook om medische beroepen. Vanaf december 1940 moesten Joodse horecazaken voorzien zijn van het drietalige opschrift ‘Jüdisches Unternehmen – Joodsche onderneming – Entreprise juive’, een maatregel die enkele maanden later voor alle Joodse handelszaken en bedrijven gold. Joden werden verplicht om zich in te schrijven in een gemeentelijk Jodenregister, waarbij op hun identiteitskaart in grote rode letters het woord ‘Jood’ of ‘Juif’ werd aangebracht .

Philip Schmitt, kampcommandant van zowel Dossin als van Fort Breendonk. (Kazerne Dossin, Gemeente Willebroek)

De verordeningen volgden elkaar steeds sneller op en dreven de Joden steeds meer in het nauw. Het werd Joden verboden zich tussen acht uur ’s avonds en zeven uur ’s ochtends op straat te begeven. Vanaf de leeftijd van zes jaar moesten zij een gele ster op hun jas dragen. Op bevel van de Duitse bezetter stopten velen met hun onderneming, terwijl hun vermogen vervallen werd verklaard.
Na de beruchte Wannseeconferentie van 20 januari 1942, die de uitroeiing van de Joden stroomlijnde en versnelde, volgde in de lente wellicht de meest morbide verordening wanneer de nazi’s de Joodse gemeenschap in België opdracht gaven om een ‘Jodenvereniging’ op te richten. Alle Joden werden verplicht om hiervan lid te worden en zich met naam en toenaam in te schrijven, ook de kinderen. Die gegevens zou de SS later gebruiken om Joden op te sporen, op te pakken en te deporteren. Op aanbeveling van de Jodenvereniging zelf volgden de meeste Joden gehoorzaam het Duitse bevel op. Tweeduizend à drieduizend weigeren dit echter te doen en verkiezen in de illegaliteit onder te duiken.

Simon Gronowski met zijn ouders nabij het Terkamerenbos in Brussel, ca. 1940. (Kazerne Dossin, Fonds Gronowski)

Razzia’s – met Belgische hulp

In de zomer van 1942 besloten de nazi’s de deportatie van de Joden naar het ‘Oosten’ aan te vatten. Met de valse belofte om in het buitenland te kunnen gaan werken, meldden de eerste Joden zich in juli 1942 aan bij de kazerne Dossin in Mechelen, die voortaan als verzamelplaats dienst zou doen. Dit ‘Sammellager’ lag halfweg tussen Antwerpen en Brussel, de steden waar de gros van de Joden woonde en beschikte bovendien over een eigen spoorverbinding. Begin augustus vertrok het eerste konvooi met aan boord bijna 900 Joden, waarvan 140 kinderen jonger dan zestien jaar.

Youra Livschitz. (Kazerne Dossin)

Eens het plan was gestart, wilden de nazi’s haast maken. Om voldoende Joden in de kazerne te verzamelen, werden al snel mensen op straat opgepakt of door de SS uit hun huizen gehaald. In Antwerpen werden drie grote razzia’s georganiseerd, waarbij
Vlaamse SS’ers alsook de stedelijke politie een handje toestaken. In Brussel werd slechts één razzia uitgevoerd. Daar konden de nazi’s niet op dat soort steun rekenen, waardoor in deze stad slechts een enkele razzia werd uitgevoerd.
Bij aankomst in de kazerne Dossin werden de Joden geregistreerd en kregen zij een bordje om de hals met daarop hun nummer en het nummer van het transport dat hen naar het oosten zal brengen. Alles van waarde moesten zij afgeven: goud, diamanten, geld, ringen, enzovoort. Vaak ondergingen zij daarbij een vernederend onderzoek. Ook persoonlijke documenten, foto’s en brieven werden hen systematisch afgenomen. Begin 1943 waren reeds negentien transporten naar het oosten vertrokken. Samen hadden zij meer dan 18.000 mensen gedeporteerd. De geruchten dat het concentratiekamp van Auschwitz zowel figuurlijk als letterlijk de eindbestemming vormde, werden steeds sterker. Het aantal mensen dat tijdens het transport uit de trein ontsnapte, nam zienderogen toe.

Jean Franklemon. (Kazerne Dossin, Fonds Franklemon)

Drie drieste dapperen

In het bezette land groeide ondertussen het verzet, ook in Joodse kringen. Onder impuls van de communist Hertz Jospa werd het Joods Verdedigingscomité opgericht, dat al snel nauwe contacten onderhield met tal van andere Belgische verzetsorganisaties. Het Joods Verdedigingscomité zal er onder meer in slagen om meer dan 3.000 Joodse kinderen te laten onderduiken, veelal bij katholieke internaten, kloosters en weeshuizen, maar ook bij tal van particulieren.
Binnen het Joods Verdedigingscomité werd eveneens een plan beraamd voor een overval op het volgende transport naar Auschwitz. Daarbij wilde men zoveel mogelijk mensen laten ontsnappen. Omdat het comité niet beschikte over voldoende mensen en middelen om zo’n gewaagde actie uit te voeren, klopte Jospa aan bij het communistisch geïnspireerde Onafhankelijkheidsfront, dat verschillende verzetsorganisaties overkoepelde. Zij vonden het risicogehalte van het plan echter te groot. Toen Youra Livschitz, een 25-jarige Joodse dokter, hoogte kreeg van het plan, besloot hij de actie min of meer op eigen houtje uit te voeren, ondanks alle risico’s en gevaren die hieraan waren verbonden. Livschitz had geen enkele noemenswaardige ervaring inzake verzetsactiviteiten en kon enkel rekenen op de steun van de 22-jarige Robert Maistriau en de eveneens 25-jarige Jean Franklemon, zijn twee boezemvrienden die hij had leren kennen tijdens hun schooljaren op het atheneum van Ukkel. Het verzet zou hen een pistool leveren en ook een bundel bankbiljetten om aan de ontsnapten uit te delen. Verder stonden de drie jongemannen er alleen voor.

Robert Maistriau. (Kazerne Dossin, Fonds Maistriau)

Op 19 april 1943 maakte de SS voor de twintigste maal een trein klaar. 1.631 Joden – mannen, vrouwen, bejaarden en ook 237 kinderen jonger dan vijftien jaar – werden in enkele tientallen goederen- en veewagons geladen. Die vervingen voortaan de vroegere derdeklasrijtuigen waaruit ontsnappen vrij makkelijk was. Bij valavond vertrokken Youra en zijn vrienden met de fiets vanuit Brussel. Wanneer om tien uur ’s avonds de trein vanuit de kazerne Dossin vertrok, hebben de jongemannen vijftien kilometer verder postgevat langs de spoorlijn. Op de rails hebben zij een stormlamp geplaatst, omwikkeld met rood zijdepapier. Weggedoken in het struikgewas naast de spoorlijn wachtten zij gespannen de komst van de trein af.

Werden deportaties lang uitgevoerd met derdeklaspassagierswagons, toen daaruit ‘makkelijk’ te ontsnappen bleek, gingen de Duitsers over op het gebruik van goederenwagons, zo ook voor Transport XX. Deze wagon die nu voor het museum staat is een replica.

Slechts zeventien wagen de sprong

Ook in de trein maakte een aantal gedeporteerden zich klaar om te ontsnappen. Een aantal van hen was al uit een vorig transport ontsnapt en wilde dat opnieuw doen. Met meegesmokkelde gereedschappen probeerden zij deuren of ventilatieroosters open te breken of zich op een andere manier een weg naar de vrijheid te banen. Zodra de trein de rode stormlamp naderde, liet de Belgische machinist de trein tot stilstand komen, hoewel hij duidelijk besefte dat het geen officieel sein was. Robert Maistriau kwam uit de struiken tevoorschijn en liep naar het midden van de trein. Gejaagd begon hij het prikkeldraad te verwijderen dat de deuren gesloten hield. Zodra hij de wagon kon openen, staarden tientallen ogen hem bang aan. Robert maande de mensen aan om uit de wagon te springen, maar zij aarzelden. Hen was verteld dat zij allemaal gedood zouden worden indien er ook maar een gedeporteerde ontsnapte. Maar de vrijheid wenkte en zodra enkelen uit de wagon sprongen, volgden anderen hun voorbeeld. In totaal waagden zeventien gedeporteerden hun kans.

Voor het eerst werd de deportatietrein uit Mechelen bewaakt door een afdeling Schupo’s – agenten van de Schutzpolizei – die hiervoor speciaal uit Duitsland waren gekomen. Zij vervingen het handjevol SS’ers dat vroegere konvooien bewaakte. Zodra zij hun rijtuig vlak achter de locomotief verlieten, loste Youra Livschitz enkele schoten in hun richting. Slechts even slaagde hij er op deze manier in de Duitse bewakers op afstand te houden. Al snel naderden zij het midden van de trein, zodat Robert niets ander restte dan zich in de bescherming van het struikgewas terug te trekken. Even snel als de actie was begonnen, was ze alweer voorbij. Overmand door zenuwen had Jean Franklemon nauwelijks bewogen. In de struiken verdeelden Youra en Robert de bankbiljetten onder de ontsnapten.

Verdeeld over vier verdiepingen wil Dossin alle gedeporteerden (25.846) eren. De zwart-wit foto’s tonen mensen die niet teruggekomen zijn, de sepia foto’s de overlevenden (op eentje staat Simon Gronowski, de foto met een stukje rode stempel). Vele plaatsen zijn nog leeg, van die mensen heeft het museum nog geen foto gevonden.

De kleine Simon zou zijn mama nooit terugzien

Nog voor de trein de Duitse grens bereikte, waagden nog 231 gedeporteerden de sprong naar de vrijheid. Zij waren er in geslaagd de deuren open te breken of een andere opening te maken. Zesentwintig van hen werden daarbij neergeschoten of maakten een dodelijke val. Bijna de helft van de ontsnapten werd achteraf opnieuw opgepakt en alsnog op transport gezet. De jongste ontsnapte was de elfjarige Simon Gronowski, die samen met zijn moeder op transport was gesteld. Toen de trein enkele tientallen kilometers voorbij de plaats van de overval opnieuw vertraagde, liet zij haar zoontje vanuit de open deur naar beneden springen. Het volgende moment won de trein opnieuw snelheid waardoor zijzelf niet meer durfde te springen. De kleine Simon zou zijn mama nooit terugzien. ‘Indien ik had geweten dat mama niet van de trein zou springen, dan was ik zeker bij haar gebleven’, zal Simon Gronowski later vertellen. Met hulp van een Belgische rijkswachter slaagde Simon erin om Brussel te bereiken. Deze Simon, die dus bij de later ontsnapten hoort, vond er zijn vader terug, die in het ziekenhuis verbleef toen de familie Gronowski werd opgepakt. Toen zijn papa kort na de oorlog overmand door verdriet stierf, stond Simon er alleen voor. Hij slaagde erin het tot advocaat te brengen en was zijn hele leven verbonden aan de Brusselse balie. Tot vandaag getuigt de ondertussen hoogbejaarde Simon over zijn ervaringen, waarbij hij een warm pleidooi houdt voor verdraagzaamheid en vriendschap.
Mark De Geest

Simon Gronowski tijdens een lezing in 2017 (Simon lezing). (Kazerne Dossin)

Openingsbeeld: Mensen die via Dossin gedeporteerd zouden worden, moesten hun persoonlijke documenten afgeven. Het museum toont replica’s ervan. (Kazerne Dossin)

Lees het volledige artikel en nog veel meer historische verhalen in de nieuwste G/GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts 5,50 euro!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder