Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

John D. Rockefeller, hyperkapitalist

17 maart 2020 Siebrand Krul

Doordat John Rockefellers vader een notoire schuinsmarcheerder en kleine crimineel was, draaide zijn zoon op voor het hakken van hout, het melken van de koe, het bijhouden van de tuin. En vooral: het beheer van het karige huishoudgeld. Daar ligt de kiem van wat de rijkste man ter wereld zou worden.

John Rockefeller (1839-1937) was een van de zes kinderen van een onberekenbare vader en een godvrezende moeder. Zijn vader was een onstuimige, flamboyante en luidruchtige verkoper van kwakzalverproducten. Over hem deden de wildste verhalen de ronde: een dienstmeid verkracht, bigamie, diefstal en het niet betalen van gokschulden. Geen wonder dat deze schavuit vaak langdurig uithuizig was. De kleine John moest elk dubbeltje omdraaien om het gezin draaiende te houden.
John D. Rockefeller begon als zestienjarige jongen als assistent-boekhouder. Hij was dol op cijfers. Bij Hewitt & Tuttle, twee kooplieden uit Cleveland die handelden in onroerend goed, ijzererts, marmer en etenswaar, hield hij de kasboeken bij. Zo deed Rockefeller al op jonge leeftijd ervaring op met een grote variatie aan commerciële transacties: van het regelen van transport, het administreren van voorraden en het beheer van allerlei onroerend goed. Elke transactie werd door hem minutieus nagerekend, op zoek naar eventuele rekenfouten. Voor Rockefeller waren de kasboeken heilig. Ze vormden niet alleen een vertrekpunt voor het nemen van de juiste beslissingen en een waarborg tegen gesjoemel, ze beschermden de ondernemer ook tegen ‘kwetsbare emoties’. Volgens biograaf Ron Chernow beschouwde Rockefeller de kasboeken als ‘een solide empirische realiteit’.

Rockefeller hield ook zijn persoonlijke uitgaven in zakboekjes minutieus bij.

Binnen twee jaar werd Rockefeller bevorderd tot hoofdboekhouder en begon hij daarnaast ook voor eigen rekening te handelen in meel, ham en andere landbouwproducten. Nadat zijn baas zijn vraag om een forse opslag weigerde –tot zijn grote teleurstelling – nam hij ontslag en begon op 1 april 1858 voor zichzelf. Met $ 800 spaargeld en $ 1.000 geleend geld vormde hij met een van zijn vrienden de handelsfirma Clark & Rockefeller. De firma maakte een bliksemstart en binnen een jaar had Rockefeller zijn inkomen al verdrievoudigd. Toen kort daarna de Amerikaanse Burgeroorlog uitbrak, nam de vraag naar voedsel sterk toe en stegen de prijzen daarvan tot grote hoogten.

Een aandeel van Standard Oil Company, uitgegeven op 1 mei 1878 en door John D. Rockefeller persoonlijk ondertekend.

Het zwarte goud

Ongeveer gelijktijdig met de start van Clark & Rockefeller begon 200 kilometer oostwaarts een nieuwe economische activiteit die de wereld in korte tijd enorm zou veranderen. Nadat Benjamin Silliman, een aan Yale University verbonden chemicus, ontdekt had hoe je van petroleum lampolie kon maken en vet om de draaiende delen van machines mee te smeren, werd in de heuvels van Pennsylvania koortsachtig naar olie geboord. Edwin L. Drake was de eerste van de vele gelukszoekers die succes had. Eind augustus 1859 boorde hij in Titusville op ruim twintig meter diepte een oliebron aan. Binnen de kortste keren stond de omgeving vol boortorens. Werd de olie aanvankelijk ter plaatse geraffineerd, het duurde niet lang voordat in Cleveland grotere en goed ingerichte raffinaderijen gebouwd werden. Cleveland lag gunstig aan een spoorwegknooppunt.

Een deel van de klein begonnen olieraffinaderijen groeide uit tot een groot bedrijf met een grote impact op de (leef)omgeving. Dit onderdeel van Standard Oil was gevestigd in Richmond, California.

De oliehandel was vanaf het begin onvoorspelbaar omdat vraag en aanbod zelden in een perfecte balans zijn. Zo schoten in 1861 de prijzen van ruwe olie omhoog van tien dollarcent naar tien dollar per barrel. In 1864 schommelden de prijzen tussen vier en twaalf dollar op en neer. Geen wonder dat tal van speculanten bankroet gingen. Voor Rockefeller was de oliehandel enige tijd nog slechts een bijzaak. Vanaf 1863 participeerden hij en zijn partner voor de helft in een raffinaderij maar ze ontwikkelden zich in toenemende mate als tussenpersoon tussen producenten en consumenten. Omdat ze met hun core business (de handel in levensmiddelen) tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog een groot kapitaal vergaarden, kon John Rockefeller in 1865 zijn partner uitkopen. Vanaf dat moment ging hij zich steeds meer toeleggen op de olie. Hij kocht meteen de grootste raffinaderij in Cleveland, waarna nog vele volgden. In tegenstelling tot veel van zijn collega’s liet Rockefeller zich door de cijfers sturen. Hij kende elke kostenpost en zocht voortdurend naar bezuinigingen. Het duurde niet lang voordat hij het ultieme business model had gevonden: verticale concentratie. Hij zag de olie-industrie als een samenhangend systeem dat zowel de boortorens in het achterland van Pennsylvania, de raffinaderijen, het transport en de distributie tot aan de duizenden verkooppunten in het hele land omvatte. Hij realiseerde zich terdege dat er een enorm kapitaal voor nodig zou zijn om deze hele keten te beheersen.

In de kritische dag- en weekbladen werd Standard Oil vaak als een octopus afgebeeld die met haar tentakels de hele samenleving in haar greep had, inclusief het Witte Huis (linksonder).

Doel heiligt de middelen

In de tijd dat Rockefeller zijn handelsimperium opbouwde, was de Amerikaanse overheid krachtig genoeg om de ‘law and order’ te kunnen garanderen, maar te zwak om weerstand aan de grote tycoons te bieden. Zij profiteerden wel van de ‘lusten’ (bescherming van eigendom en contracten), maar ontworstelden zich voor een groot deel aan de lasten (vooral door nauwelijks inkomstenbelasting te betalen).
In dit politieke klimaat ontwikkelde de olie-industrie zich razendsnel. Produceerden de Verenigde Staten in 1859 2.000 barrels olie, tien jaar later ging het om meer dan vijf miljoen vaten op jaarbasis. ‘Toen president Lincoln genomineerd werd’. zo schreef Nevins, ‘was olie nog een curiositeit; toen hij vermoord werd kon het land niet meer zonder.’
Met de snelheid van het licht consolideerde Rockefeller zijn controle over raffinage, opslag, vervoer en verkoop (en na enige tijd ook de oliewinning in de VS en elders). Al deze activiteiten bracht hij onder in Standard Oil (de afkorting SO leidde tot de merknaam Esso). In 1872 had hij nagenoeg alle raffinaderijen in de staten Ohio, West-Virginia, New York en New Jersey opgekocht. Hierbij opereerde hij sluw en manoeuvreerde zijn opponenten in een zodanige positie dat ze wel moesten verkopen. Zo kocht hij enorme partijen olievaten, chemicaliën en andere essentiële hulpstoffen op waardoor er een (kunstmatige) schaarste ontstond en andere producenten geen kant op konden. Niet zelden werkte het overgenomen bedrijf onder de oorspronkelijke naam door, waardoor buitenstaanders geen weet van de overname hadden.

In Pocantico Hills, in de staat New York, liet Rockefeller op een perceel van 1.380 ha een groot landhuis bouwen. De naam is afgeleid van het Nederlandse werkwoord ‘uitkijken’: Kykuit. Sinds 1994 is het park onder bepaalde voorwaarden voor het publiek geopend. In Kykuit is een deel van de kunstcollectie van de Rockefellers ondergebracht.

Het meest berucht werd Rockefeller door de wijze waarop hij de spoorwegen het mes op de keel zette. Op manipulatieve wijze bedong hij exclusieve kortingen op elk vat olie dat hij per spoor transporteerde. Op een gegeven moment had hij de spoorwegmaatschappijen in zo’n wurggreep dat hij zelfs een vergoeding kreeg voor elke barrel olie die de concurrenten over het spoor vervoerden. Uiteraard werd dit bedrag uiteindelijk bij de concurrentie in rekening gebracht, waardoor deze – zonder dat ze het zelf in de gaten hadden – Standard Oil sponsorden. Door de onstuimige groei en een – in vergelijking met andere bedrijven –ijzersterke balans had Rockefeller ook sterke troefkaarten in handen om bij de banken uiterst aantrekkelijke regelingen te treffen.

In het hart van Manhattan ligt het Rockefeller Center, een complex van negentien gebouwen met een deels commerciële functie. Het complex werd tussen 1929 en 1940 gebouwd.

Primus inter pares

De voorspoedige groei van Standard Oil was niet alleen een gevolg van dit soort dubieuze praktijken, maar ook van Rockefellers managementkwaliteiten. Hij hield tot in het extreme de kostenkant in het vizier. Hij dreef zijn medewerkers tot het uiterste om waar mogelijk te innoveren en telkens nieuwe producten uit geraffineerde olie te ontwikkelen. Nog vóórdat de benzinemotor voor de auto ontwikkeld was, bracht Standard Oil meer dan driehonderd uit aardolie vervaardigde artikelen op de markt.
Maar wellicht de grootste kwaliteit van ‘de manager Rockefeller’ was dat hij uitstekend kon en durfde te delegeren. Zijn leidinggevenden drukte hij op het hart: ‘doe niet zelf iets dat ook een ander in jouw plaats kan doen’. ‘Jullie zijn verantwoordelijk’, zei hij op een ander moment, ‘maar pik er zo snel mogelijk iemand uit waarop je kunt vertrouwen, leer hem de kneepjes van het vak, zoek de luwte op en ga een nieuwe manier bedenken om voor Standard Oil nog meer geld te verdienen.’ Ook al heeft Rockefeller de schijn tegen – vaak wordt hij als een autocraat opgevoerd – hij sprak liever in de eerste persoon meervoud (‘we’) dan in de eerste persoon enkelvoud (‘ik’). Een van zijn biografen schetst Rockefeller dan ook overtuigend als een primus inter pares.

Rockefeller meende dat alleen hele grote ondernemingen in staat zijn om alle klappen van deflatie en inflatie, recessies en crises op te vangen. Standard Oil groeide dan ook uit tot een mega-onderneming waarvan rond de eeuwwisseling zo’n honderdduizend mensen afhankelijk waren. In 1887 controleerde Standard Oil al zo’n negentig procent van de Amerikaanse raffinagecapaciteit; van distributie en verkoop had zij nagenoeg het monopolie in handen. In de loop der jaren had Rockefeller het merendeel van de pijpleidingen opgekocht. In de late jaren tachtig liet hij zijn oog óók nog vallen op de oliebronnen. In 1891 was hij al in het bezit van een kwart van de productiecapaciteit.
Cor van der Heijden

Lees het volledige artikel en nog veel meer historische verhalen in de nieuwste G/GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts 5,50 euro!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder