Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Bloedige rituelen

17 maart 2020 Siebrand Krul

De Azteken slachten bij bosjes mensen af op hun altaren. Willen ze de wereld daarmee voor de ondergang behoeden? Of hun honger naar mensenvlees stillen? Vast staat dat de Azteken gedurende hun bewind ettelijke duizenden mensenoffers brachten, gevolg van hun geloof dat de goden hiermee gunstig werden gestemd. Bij ingebreke blijven zou de kosmische orde worden verstoord.

Vertwijfeld kijkt Bernal Díaz del Castillo, een van Hernán Cortés’ officieren, de ongelukkigen na. De Azteken sleuren enkelen van zijn makkers de trappen van de grote piramide van Tenochtitlan op. Tromgeroffel weerklinkt, hoorns schallen terwijl de gevangen Spanjaarden in rituele gewaden gehuld worden. Dan dwingen de Azteken, zwaaiend met vuurwaaiers, hun gevangenen te dansen voor hun wrede oorlogs- en zonnegod Huitzilopochtli. Daarna drukken ze de mannen ruggelings op altaren, priesters trekken vlijmscherpe messen van vuursteen, snijden hun daarmee de borstkas open en rukken het nog kloppende hart eruit om dat met gestrekte armen Huitzilopochtli aan te bieden. Vervolgens hakken ze de geofferden de armen en voeten af, stropen hun de huid van het gezicht om die, met baardhaar en al, voor latere ceremonies te looien. Het vlees van de doden verorberen ze, na het rijkelijk te hebben overgoten met chilmole, een donkere, kruidige saus. De stoffelijke resten schoppen ze de trappen af.

Azteeks offerritueel.

Een halve eeuw later zet Bernal Díaz del Castillo op papier wat hij in de zomer van 1520 bij de gevechten om Tenochtitlan met eigen ogen waargenomen zegt te hebben: nog één keer hadden de Azteken zich met succes weten te verzetten tegen de conquistadores onder aanvoering van Hernán Cortés en daarbij ongeveer vijftig Spanjaarden gevangen genomen. Toch moet zijn ooggetuigenverslag op een aantal punten als onnauwkeurig en onbetrouwbaar aangemerkt worden. Zo is het nagenoeg onmogelijk het extreem harde borstbeen enkel met een mes door te snijden. Tegenwoordig wordt voor het openen van de borstkas nog altijd een cirkelzaag gebruikt. Veel oudheidkundigen betwijfelen dan ook of ooit wel een Europeaan de beruchte ‘hartoffers’ van dichtbij heeft gadegeslagen.

Een verliezer van een gladiatorengevecht, uit de Codex Magliabechiano. Hij is aan een steen vastgebonden en zijn zwaard is met veren onschadelijk gemaakt.

Wat wel vast staat, is dat de Azteken tijdens hun net iets meer dan twee eeuwen durende heerschappij vele duizenden mensenoffers gebracht hebben, zo blijkt uit archeologische vondsten. Hun geloof schreef de Mexica, zoals de Azteken zichzelf noemden, voor om de goden voortdurend van voldoende mensenbloed te voorzien. Niet nakomen van deze plicht kon de kosmische orde aan het wankelen brengen en het einde van het menselijk leven op aarde betekenen. De Azteken zagen zich toch al zwaar schuldplichtig aan de goden, want hadden die zich ooit niet zelf geofferd om de eerste zonnecyclus op gang te brengen? Later schiepen de goden de mensen, die sindsdien bij hen in het krijt staan en bloedige offers moeten brengen.
Dat de Azteken de geofferden ook verorberden, gebeurde vooral op rituele gronden, stelt de Mexicaanse historicus David Carrasco. Dat het hun om de eiwitten te doen was, is niet waarschijnlijk, want die leverde het omringende oerwoud in voldoende mate. Nee, ze verrichtten een symbolische handeling: niet het volk diende van mensenvlees voorzien te worden, maar de goden. Men at dus plaatsvervangend voor de goden. Carrasco houdt het erop dat alleen adellijke Azteken mensenvlees aten – bij zeldzame gelegenheden, in kleine hoeveelheden.

Uit de Codex Fejérváry-Mayer. Azteekse kosmologische tekening met de god Xiuhtecuhtli, heer van het vuur, en de kalender in het midden met daarrond andere belangrijke goden, elk voor een heilige boom.

De offerpraktijk van de Azteken hangt nauw samen met hun voorstellingen omtrent hun herkomst. In een laat-Azteekse kroniek staat te lezen over een voorval dat zich tot een eigen mythe zou ontwikkelen: de Azteken zouden in de 13de eeuw nog vazallen van de Culhuahcanen geweest zijn, die eveneens in Centraal-Mexico leefden. Op een dag ontvoerden die de dochter van een Azteeks opperhoofd, doodden en vilden haar. ’s Avonds richtten ze een feest aan, waarop ze de vader van het meisje uitnodigden. Toen een priester ten tonele verscheen, gehuld in de huid van het meisje, ontstak de vader in woede en roeiden de Azteken het Culhuahka-volk uit. Ze vluchtten daarna met hun gezinnen naar een eiland in het Tetzcocomeer, waar ze hun schitterende hoofdstad Tenochtitlan stichtten en tientallen tempels bouwden.

Beeld in de vorm van een jaguar, in het National Museum of Anthropology. In het altaar-achtige kunstwerk werden de harten van mensenoffers gestopt. De harten werden uit levende mensen verwijderd.

Sinds die vlucht, zo wordt verteld, vieren de Azteken elk jaar het ‘mensenvilfeest’: Tlacaxipehualiztli. Veertig dagen lang bereiden ceremoniemeesters de hoofdstad voor op dit feest. Ze richten een reusachtig toernooiveld in, voorzien gevangenen van nieuwe namen, waardoor deze van vijanden in goddelijke wezens veranderen. Op de dag van het feest moeten zij het, voorzien van stompe wapens, tegen Azteekse krijgers opnemen. Natuurlijk was haast niemand van de gevangenen bereid dat spel mee te spelen en daarom wordt er ook met een zekere bewondering over een van hen gezegd: ‘Hij gedroeg zich niet als een vrouw; hij vatte moed en werd sterk als een man – meer nog, hij sprak als een man, rechtte zijn rug, toonde zijn moed, liet zijn stem schallen … zong de lof van zijn stad.’ Uiteindelijk komen er zes priesters aan te pas om hem op het offerblok te binden en deze formidabele ‘adelaar-mens’ zijn hart te ontnemen. Ze snijden zijn huid aan repen en verdelen die onder de familieleden van de krijger die hem gevangen wist te nemen. Uiteindelijk wordt de huid, met maïspap als bijgerecht, opgegeten.

Bij offeren horen voor de Azteken rauwe slachtrituelen. Uit de Codex Tudela.

Om maar aan voldoende slachtoffers voor dit feest te komen voerden de Azteken met naburige volken ook zogeheten ‘bloemenoorlogen’ – op afspraak. Het ging er dan ook niet om grondgebied te veroveren, maar uitsluitend om genoeg mensen krijgsgevangen te maken.
Hoeveel mensenoffers de Azteken brachten is onduidelijk. In Spaanse documenten figureren reusachtige aantallen. Zo heeft de franciscanenmonnik Bernardino de Sahagun het over 20.000 doden per dag en de dominicaan Juan de Torquemada deelt mee dat bij de inwijding van een belangrijke tempel niet minder dan 72.344 gevangenen zouden zijn gedood. Alleen: van zulke aantallen valt echt niet meer dan een honderdste met de archeologische vondsten in overeenstemming te brengen. Zelfs in uitvoerig onderzochte tempelcomplexen zijn tot op heden geen massagraven aan het licht gekomen.
Het lijkt erop dat de Azteken domweg uit tijdgebrek alleen niet tot slachtingen op een dergelijke schaal in staat waren, aangezien ze elk slachtoffer ritueel ter aarde bestelden. Waarschijnlijker is dat de Spanjaarden zulke verbijsterende aantallen in omloop brachten om hun wrede optreden tegen de Azteken en hun christelijke bekeringsdrift te rechtvaardigen.
Er is evenwel voldoende bewijs geleverd voor het feit dat er een keer per maand mensen in de tempels van Tenochtitlan geofferd werden. Dan kom je volgens sommigen al gauw uit op een aantal van meer dan 10.000 tempeldoden per jaar.
Dirk Liesemer

De Azteken vereren naast hun stamgod Huitzilopochtli, wiens uitverkorenen zij zijn, nog allerlei andere goden, elk met een eigen cultus. Hier een kleine greep.

Tlaloc
Regengod | Tlaloc met de grote ogen en lange tanden was de oppergod naast Huitzilopochtli. Hij werd gevreesd om de wervelstormen en droogte die hij kon zenden, maar liet zich mild stemmen door kinderoffers in de eerste en derde maand van de achttien maanden tellende kalender. Hoe meer de kleintjes huilden, des te groeizamer weer hij bracht.

Huitzilopochtli
Oorlogs- en zonnegod | Huitzilopochtli wordt vaak als kolibri voorgesteld, een vogel die tot wederopstanding uit de dood in staat geacht werd. Hij bevorderde het krijgsgeluk, maar dorstte naar mensenbloed. Zo lang de Azteken dat lieten stromen, mochten ze hopen het vergaan van de wereld weer even uitgesteld te hebben.

Quetzalcoatl
Schepper-god | Als ‘gevederde slang’ belichaamde Quetzalcoatl de symbiose van hemel en aarde. Een goede, geweldloze god. Hij werd meestal als ratelslang met de veren van de heilige vogel Quetzal afgebeeld, maar ook wel als man met baard en lichtgekleurde huid. God van wind, aarde, oceaan en de gehele schepping.

Xochiquetzal
Liefdesgodin | Xochiquetzal, de ‘bloem op fiere stengel’, was de godin van de liefde, de bloemen en patrones van het door vrouwen gemaakte kunsthandwerk. Ze was de vrouw van regengod Tlaloc, tot de boosaardige god van de nacht, Tezcatlipoca, haar verleidde. Ontving naast mensen- ook bloemenoffers.

Xipe Totec
Lentegod | De god van het voorjaar en de vegetatie, Xipe Totec, de ‘gevilde’, droeg een mensenhuid. Tijdens het aan hem gewijde Tlacaxipe¬hualiztli-feest hulden priesters zich in ‘gouden kleding’: de geel geverfde huid van gedode gevangenen. Aan de kop links is rond de mond te zien dat een tweede huid is aangebracht.

Mensenoffers
Wrede traditie in Midden-Amerika
Ook in andere precolumbiaanse beschavingen waren mensenoffers wijdverbreid.
Niet alleen die Azteken brachten mensenoffers, maar ook de Inca’s en de Maya’s (en oude volkeren in Mesopotamië, China, Egypte en Nubië). Terwijl de Azteken op grote schaal gevangenen gedood moeten hebben, waren de Maya’s in de begin- en bloeiperiode van hun rijk veel terughoudender. Zo ontdekten in 2013 Duitse onderzoekers in een grot op het schiereiland Yucatan de skeletten van 25 mensen. Waarschijnlijk ging het om krijgsgevangenen die omstreeks 600 n. Chr. ritueel gedood werden. Historische bronnen suggereren dat het pas eeuwen later in de Maya-hoofdstad Chichen Itza tot grootschalige mensenoffers gekomen is.
Van de Inca’s weten we dat ouders hun kinderen ‘schonken’ en daar aanzien en bescherming voor terug hoopten te krijgen. Onlangs ontdekte men aan de Pacifische kust van Peru, in het voormalig woongebied van het precolumbiaanse Chimu-volk, de beenderen van 140 kinderen en 200 jonge lama’s die meer dan 500 jaar geleden gedood werden.

Openingsbeeld: Een tzompantli, ofwel een schedelrek, zoals afgebeeld in de Ramirez Codex.

Lees het volledige artikel en nog veel meer historische verhalen in de nieuwste G/GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts 5,50 euro!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder