Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Darwinistischer dan Darwin

27 januari 2020 Siebrand Krul

‘De Duitse Darwin’, zo werd Ernst Haeckel genoemd. In 1860 las deze Duitse bioloog The Origin of Species, was meteen overtuigd en wierp zich op als de profeet van Darwin. Geen auteur heeft zo veel bijgedragen aan de verspreiding van het darwinisme. Maar dan wel een specifieke variant daarvan, want hij gaf een eigen draai aan de theorie.

Waar Darwin met betrekking tot de ‘natuurlijke selectie’ – het centrale concept in de evolutietheorie – nadrukkelijk had gewezen op toeval en onvoorspelbaarheid van de evolutie, zo legde Haeckel de nadruk op het wetmatige karakter van de ontwikkeling. En in het begin van de 20ste eeuw ging hij nóg een stap verder.
Ernst Heinrich Philipp August Haeckel (1834-1919) vestigde zijn naam in de vakwereld met geschriften over ongewervelde organismen. Na zijn aanstelling als hoogleraar in Jena werkte hij zijn theoretische natuurfilosofie verder uit: het monisme. Hierbij worden alle levensvormen tot één enkele oervorm herleid. De mens is daarbij een onlosmakelijk onderdeel van de natuur. Er is een plaats voor God als schepper van dit alles.

Titelblad van Haeckels Schöpfungsgeschichte uit 1868.

In de beginperiode waren de opvattingen over de overgangen van de ene soort naar de andere nog hoogst hypothetisch. Het spannendst was natuurlijk de overgang van aap naar mens die zich in de kruin van de boom zou voltrekken. Dit proces van ‘menswording’ noemde hij in 1874 ‘antropogenie’. Haeckel legde bij het onderscheid tussen mensaap en mens de nadruk op twee criteria: de mens liep rechtop en bezat het spraakvermogen (en daarmee ook het vermogen tot abstract denken). Haeckel legde met veel genoegen uit hoe klein de afstand tussen mens en mensaap was: voeding, spijsvertering, ademhaling, bloedsomloop en stofwisseling waren nagenoeg gelijk, evenals de gang van zaken bij de reproductie. En zelfs psychologisch was er nauwelijks verschil, gelet op de overeenkomsten in vorm en bouw van de hersens.

In het Duitse familietijdschrift Die Gartenglaube van 1873 stonden deze vier evolutionisten: boven Jean Lamarck, links Charles Darwin, rechts Ernst Haeckel en onder Étienne Geoffroy Saint-Hilaire.

Een gewaagd experiment

Gezien dit standpunt was het dan ook vanzelfsprekend dat in 1905 de Nederlandse antropoloog Bernelot Moens (1875-1938) zich met een stoutmoedig voorstel tot Haeckel wendde. Moens wilde namelijk het empirische bewijs leveren dat de mens van de mensaap afstamde. Daartoe wilde hij naar West-Afrika reizen om daar wijfjesapen (gorilla’s en chimpansees) te insemineren met het sperma van negers.
Haeckel vond dit een goed plan en antwoordde Moens dat zijn experimenten ‘zeer interessant en belangrijk zijn’. Haeckel hield ‘het slagen van deze pogingen voor mogelijk omdat de nauwe bloedverwantschap tussen mensen en antropoïde apen door vele proeven bewezen is’. Uit eigen ervaring wist hij ‘dat bastaarden verkregen kunnen worden, zelfs van soorten uit verschillende genera, die in het systeem vrij ver van elkaar verwijderd zijn – misschien nog wel verder dan negers en gorilla of chimpansee’. Maar, zo sloot hij zijn brief af: alleen het experiment zou uitkomst kunnen bieden.

Hierboven en hieronder: Haeckel vond een sterke verwantschap tussen biologie en kunst; volgens hem was de biologische wereld één groot indrukwekkend kunstwerk. Zijn Kunstformen der Natur (1899) stond bij iedere burger in de kast.

Hoge apen en lage mensen

Terwijl Haeckel niet wilde dat zijn naam verbonden werd aan een publieke campagne om geld voor dit experiment bijeen te brengen, toonde koningin Wilhelmina minder reserves. Pas nadat in de pers (in het bijzonder de confessionele) ophef over de toegezegde subsidie ontstond, krabbelde het Koninklijk Huis terug. Achteraf blijkt dat Moens zijn drieste voornemen op het verkeerde moment lanceerde. De darwinisten waren zo overtuigd van de juistheid van de evolutietheorie dat deze voor hen niet per se bewezen hoefde te worden. En voor de groep die niets moest hebben van Darwins theorie, was het godslasterlijke plan van Moens koren op hun molen en werden zij gesterkt in hun afwijzing van de theorie van Darwin.

Bernelot Moens in 1935.

Dat Moens de financiering van zijn onderzoeksplan niet rond kreeg, was ook een gevolg van de omstandigheid dat de voorhoede van de onderzoekers op dit gebied zich op een ander thema concentreerden: de rassenkunde. Ook Haeckel hamerde fanatiek op dit aambeeld. Terwijl voor hem het verschil tussen aap en mens niet klein genoeg kon zijn, zo groot maakte hij vervolgens het verschil tussen de verschillende rassen. De afstand tussen Newton, Voltaire en Goethe enerzijds en de Hottentotten en Papoea’s anderzijds, was toch enorm. Daarbij viel, aldus Haeckel, de afstand tussen de ‘laagste’ mensen en ‘hoogste’ apen in het niet. Op basis van empirisch onderzoek (in het bijzonder de schedelmetingen; zie kadertekst) ontstond er een wildgroei aan theorieën en indelingen. De Amerikaanse socioloog William Ripley (1867-1941) had in Europa drie rassen gevonden, maar de in Rusland geboren Franse antropoloog Joseph Deniker (1852-1918) had op grond van dezelfde gegevens tot tien besloten (waarvan zes primaire typen en vier secundaire). In feite kwam iedere onderzoeker op een ander getal uit; Haeckel bijvoorbeeld kwam tot 34, anderen zelfs tot 63.

De tentoonstelling Wunder des Lebens, in 1935 in Berlijn: een pseudo-wetenschappelijk plakkaat om de ‘Entartung’ te laten zien met sterk overdreven vermenigvuldiging van ‘minderwaardigen’.

Chamberlain: behoud van een zuiver ras

Geen wonder dat tegen de eeuwwisseling nadrukkelijk de houdbaarheid van het concept ‘ras’ ter discussie gesteld werd. De man die met de meeste kracht een steen in deze wetenschappelijke vijver gooide was Houston Stewart Chamberlain (1855-1927). Deze zoon van een Engelse admiraal (en vanaf 1908 schoonzoon van Richard Wagner) verkoos Duitsland boven zijn vaderland. Zijn hoofdwerk, dat in 1899 in drie delen verscheen en een ongehoorde populariteit verkreeg, was Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts. Hierin ging hij uitgebreid in op de vraag wat nu eigenlijk een ‘ras’ was. Volgens Chamberlain hadden wetenschappers daarover slechts de grootst denkbare onzin verkondigd. Iedereen wist toch waar het om ging? We weten instinctief toch het antwoord, zo beweerde Chamberlain, we zien het toch gewoon voor onze eigen ogen! En het behoud van een zuiver ras was van levensbelang. De hele geschiedenis leerde namelijk, aldus historicus Piet de Rooy in diens samenvatting van het werk van Chamberlain, dat ras en kwaliteit ten nauwste samenhangen. Toeval en promiscuïteit leveren slechts verwerpelijke bastaarden op, met een even afschuwelijk uiterlijk als verdorven innerlijk. Waarom zouden we bij het telen van planten en het fokken van paarden anders zo zorgvuldig te werk gaan? Die zorgvuldigheid dient ook te gelden voor de menselijke soort. In een zeer ver verleden was er volgens Chamberlain goed mensenmateriaal geweest. Dat had zich in de loop der geschiedenis zelfs verbeterd door middel van een zorgvuldig kruisingsproces. Door de volmaakte kruising tussen Slaven, Teutonen en Kelten waren bijvoorbeeld de Germanen zo’n edel ras geworden. Door zich aan te vullen met vreemd bloed was inteelt voorkomen, zonder door het vreemde bloed aan karakter en kwaliteit te verliezen.
Cor van der Heijden

Openingsbeeld: Ernst Haeckel en Arnold Lang voor Langs huis in Zürich. Lang, in zijn tijd een gerenommeerd zoöloog, studeerde en promoveerde bij Haeckel.

Lees het volledige artikel en nog veel meer verhalen over Charles Darwin in de nieuwste G/GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts 5,50 euro!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder