Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Bitter maar saamhorig

27 januari 2020 Siebrand Krul

Precies 75 jaar geleden maakte bezet Nederland de moeilijkste winter van de oorlog mee: de Hongerwinter. Na de bevrijding van Zuid-Nederland in de herfst van 1944 kregen steden in West-Nederland te kampen met ernstige voedsel- en brandstoftekorten. De Duitse repressie verscherpte, en razzia’s en standrechtelijke executies waren aan de orde van de dag. Naast honger en kou was er de voortdurende angst dat het nóg erger zou worden.

De meeste Nederlanders zijn bekend met de verschrikkingen van de Hongerwinter: het eten van tulpenbollen en suikerbieten, lange rijen voor de gaarkeukens, barre hongertochten naar het platteland, en uitgeputte mensen die de eindstrijd niet overleefden. Toch was de Hongerwinter niet alleen een periode van passief lijden en maatschappelijke ontwrichting. Integendeel, er bestond opvallend veel solidariteit en saamhorigheid. De vele particuliere acties om samen de strijd tegen de honger aan te gaan waren bovendien bijzonder effectief.

Meer dan 20.000 kinderen kregen in Den Haag maaltijdbonnen van het IKB. (Huizinga, beeldbankwo2/NIOD)

Market Garden en spoorwegstaking

De hongersnood in stedelijk West-Nederland had alles te maken met het falen van de geallieerde Operatie Market Garden, die op 17 september 1944 begon. Doel van deze immense luchtlandingsoperatie was om het industriële hart van Duitsland, het Ruhrgebied, te omsingelen. Tegelijkertijd zouden de geallieerden in een snelle beweging Nederland kunnen bevrijden. Aanvankelijk verliep alles volgens plan, maar het offensief over de Rijn bleek ‘een brug te ver’. Op 25 september moesten de laatste geallieerden troepen zich uit Arnhem terugtrekken. Operatie Market Garden was mislukt en de noordelijke provincies zouden tot het voorjaar van 1945 bezet blijven.

Kinderen hebben hout uit leegstaande panden in Den Haag gehaald en wachten tot de politie uit het zicht is, voordat de buit mee naar huis kan. (Huizinga/beeldbankwo2/NIOD)

Vorst verlamt scheepvaart

In de maanden die volgden zorgde een opeenstapeling van transport- en distributieproblemen ervoor dat er te weinig voedsel van het agrarische noorden en oosten naar de steden in de westelijke provincies kwam, waar 2,6 miljoen mensen woonden. Een belangrijke factor was de spoorwegstaking, die de Nederlandse regering in Londen op 17 september had uitgeroepen op verzoek van het geallieerde opperbevel en waardoor tot mei 1945 geen treinen reden. De Duitsers sloegen tien dagen later terug met een verbod op voedseltransporten per schip, dat pas op 8 november werd opgeheven. Net toen scheepsvervoer weer op gang kwam, ging het vriezen en kwam transport weer stil te liggen. De ernstige brandstofschaarste door het wegvallen van kolen uit de Limburgse mijnen, groei van de zwarte markt, Duitse inbeslagnames en het langdurig uitblijven van internationale voedselhulp verergerden in rap tempo de situatie.
Na 26 november 1944 zakten de officiële rantsoenen onder een magere 750 kcal per dag – een derde van wat wij nu als een gezond dieet beschouwen. De vorstperiode vormde een eerste dieptepunt, met 500 kcal in januari 1945. De week voor de bevrijding waren de rantsoenen gedaald tot een schamele 364 kcal, met niets meer om naar uit te kijken als de Duitse overgave langer had geduurd. Ruim 20.000 mensen overleven de Hongerwinter niet.

In Den Haag wordt uit leegstaande panden hout gestolen. Mensen vluchten voor de politie, die een vruchteloze poging doet het illegale slopen te keren. (Huizinga/beeldbankwo2/NIOD)

Harde strijd om te overleven

Tijdens de laatste bezettingsmaanden domineerde de zoektocht naar voedsel en brandstof het dagelijks leven in West-Nederland. Honger zette stedelingen aan tot het eten van tulpenbollen, suikerbieten en beukennoten. Sommigen gingen zelfs noodgedwongen over tot katten, honden, duiven en meeuwen. Ook de hygiënische omstandigheden verslechterden zienderogen. Huishoudens hadden te kampen met een gebrek aan zeep en warm water, gecombineerd met een explosie aan vlooien, luizen en neten. Door de onregelmatige vuilnisophaal veranderden parken en stadsranden in vuilnisbelten.
Door de dalende rantsoenen waren de stedelingen voor een belangrijk deel op zichzelf aangewezen. Zwarte prijzen stegen tot astronomische niveaus, die alleen de rijksten zich konden veroorloven. Brood, graan en aardappelen verkochten op de zwarte markt tot wel 200 maal de winkelprijs. Veel mensen gingen over op ruilhandel. Zo was het in Amsterdam in januari 1945 mogelijk om voor een gouden ring twintig pond tarwe te kopen. Een familie in Den Haag wist honderd kilo aardappelen te bemachtigen voor twee setjes ondergoed.

Een Amsterdams gezin probeert de woonkamer warm te krijgen. Stukken van de vloer, deuren, kasten, alles wat wil branden, gaat de kachel in. (beeldbankwo2/NIOD/Golsteyn/Windig)

M’n linnengoed, m’n zilver

Aangezien de meeste gezinnen niet de middelen hadden om regelmatig op de zwarte markt te kopen of te ruilen, trok iedereen die hiertoe in staat was naar het platteland op zoek naar voedsel voor lagere prijzen. Een man uit Nieuwer-Amstel vertelde: ‘de drukte op de buitenwegen in dien tijd [was] te vergelijken met die in de [Amsterdamse] Kalverstraat. Het aantal trekkers was ontelbaar.’ Meer dan de helft van de huishoudens deed mee aan deze ‘hongertochten’, met name mannen en vrouwen uit de arbeiders- en lagere middenklasse. Hun ervaringen liepen enorm uiteen. Een vrouw vertelde: ‘M’n linnengoed, al m’n tafelzilver, m’n vloerkleed, een smyrna traploper, alles heb ik geruild voor eten.’ Anderen kwamen nooit in contact met harteloze boeren en hielden warme herinneringen over aan plattelandsbewoners die hun huizen en voorraden onbaatzuchtig met hen deelden.
Al deze overlevingsstrategieën waren belangrijk om de nood binnen het gezin te bestrijden, maar lieten ook kwetsbare groepen achter: mensen die niet in staat waren op hongertocht te gaan of om regelmatig zwarte aankopen te doen, zoals armen, zieken en ouderen, onderduikers en thuisgebonden alleenstaande ouders met jonge kinderen. Wie hielp hen de Hongerwinter door?

Aan de Laakhaven in Den Haag, maart 1945. (Rudi Hornecker, beeldbankwo2/NIOD)

Samen tegen de honger

De crisissituatie bracht niet alleen maar egoïstisch gedrag voort. Vanaf de herfst van 1944 ontstonden overal in het bezette westen particuliere zelfhulp- en hulpverleningsorganisaties. Die bestonden doorgaans uit mensen die in dezelfde buurt of straat woonden, of tot de dezelfde geloofsgemeenschap behoorden. Onderling hulpbetoon was groter in arbeiderswijken dan in welgestelde buurten, aangezien daar meer zwarthandelaren woonden, meer bekendheid was met de gezinstoestand van buren en meer bereidheid lotgenoten te helpen.
De succesverhalen van particulier initiatief in arbeiderswijken zijn talloos. Zo wist de Actie Betondorp in Amsterdam tussen begin januari en half mei 1945 ruim 55.000 warme maaltijden te verzorgen. Maar liefst 500 van de 6.200 bewoners van de wijk Betondorp hadden zich als vrijwilliger aangemeld om te helpen met de lokale voedselvoorziening, het noodziekenhuis, de technische dienst, de veiligheidsdienst en zelfs een geïmproviseerde dierenartspraktijk. Met behulp van zowel lokale verzetsgroepen als de politie wist het comité regelmatig voedsel op te kopen dat bestemd was voor de zwarte markt, om de opbrengst vervolgens onder alle buren te verdelen.

Het gezin Holvast in barre woonomstandigheden in de Amsterdamse Jordaan. Deze Henkie is een van de zes jonge kinderen, gefotografeerd door Marius Meijboom. (beeldbankwo2/NIOD)

Gastgezinnen

Kerken speelden eveneens een belangrijke rol, maar vaak alleen binnen de eigen geloofsgemeenschap. Het comité Hulp voor ons Allen, opgericht in december 1944, richtte zich bijvoorbeeld uitsluitend op de gereformeerde gemeente in Rotterdam-centrum. Hulp voor ons Allen verzorgde tot mei 1945 met de hulp van honderd vrijwilligers en een lokale slager, voedselhulp aan alle aangesloten 2.061 families. Het voedsel kwam van zustergemeenten in het noordoosten van het land, zoals doorgaans het geval bij de kerkelijke hulpcomités. In totaal verstrekte het comité 40.000 maaltijden, plaatste het 36 kinderen in betergesitueerde gastgezinnen in de stad en evacueerde het nog eens 200 kinderen naar het platteland.

Begin 1945 bij voedseluitdelingen in de gaarkeuken van Delft. (beeldbankwo2/NIOD)

Zelf bestek meenemen

De omvang van de particuliere hulpacties liep enorm uiteen. In sommige gevallen beperkten hulpinitiatieven zich tot een kleine cirkel van directe buren. Zo opende de heer Timmermans, blokleider bij de Luchtbeschermingsdienst, ‘uit sociaal gevoel’ een kookplaat in zijn garage aan de Parkweg te Scheveningen om alle 350 families uit zijn wijk te kunnen laten koken en van warm water te voorzien. Arts Sijne de Jongh uit Haarlem nodigde regelmatig bekende en onbekende buren uit voor avondeten. De korte uitnodiging las: ‘Onze poging is het, in deze barre tijd van nood, een bescheiden poging te doen om slechts voor een enkele keer Uw zorgen te verlichten. Wij verzoeken U zich geheel als onze gast te beschouwen. Wilt u zoo vriendelijk zijn zelf een diep bord, lepel, mes en vork mede te nemen.’
Barmhartige burgers waren overal te vinden. De Rotterdamse Arie vertelde: ‘Ik weet nog goed, dat ik dan twee keer in de week naar een viswinkel op de Binnenweg mocht om iets te gaan halen. Soep of zo. En d’r was ook een dokter, Dagevos, waar je soms wat kon krijgen als kind. Die deden dat helemaal particulier. Fantastische mensen.’ Stadgenoot Toon uit Rotterdam-Zuid voegde hieraan toe: ‘In de Roentgenstraat woonde bakker Van der Jagt en in de Stampioenstraat had je een kruidenier, Kees Dekker. En die twee lieten af en toe de kinderen van Feijenoord bij hen eten. […] Nou, dat was een feest, want je kreeg echt een bord warm eten, en lekker!’

Kinderen gaan per schip naar Friesland, waar voldoende voedsel is.

Schrikbeeld

Er waren ook noodhulporganisaties die zich stadsbreed inzetten. De Utrechters waren een van de eersten die zich zonder hulp van de lokale overheid gingen organiseren. ‘Geplaatst voor het schrikbeeld van een grote en toenemende ondervoeding, ziekte en sterfte onder de kinderen’, initieerde de Utrechtse tak van het Nederlandse Rode Kruis half oktober 1944 een overkoepelend hulpcomité door samen te werken met de GGD, plaatselijke voedselcomités en vertegenwoordigers van kerkgenootschappen. Samen gingen zij ‘de grote kruistocht tegen de kinderhonger’ aan.
Ingrid de Zwarte

Openingsbeeld: Om nog een beetje warmte vast te houden, blijven moeder en kinderen overdag in bed. (Huizinga/beeldbankwo2/NIOD)

Lees het volledige artikel en nog veel meer historische verhalen in de nieuwste G/GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts 5,50 euro!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder