Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Feniks Notre Dame

27 november 2019 Siebrand Krul

In de 12de eeuw was de Notre Dame van Parijs het baken van Europa’s ‘hoofdstad van de geest’. In verlichte tijden raakte ze, symbool van de Middeleeuwen, in verval. Maar altijd vindt de Notre-Dame redders – ook in de vlammen. Dat was tijdens de grote brand op 15 april van dit jaar overal zien en te horen.

De kathedraal is de zetel van de aartsbisschop van Parijs en herbergt vermaarde relikwieën, zoals een twijg van Christus’ doornenkroon. Hoewel Napoleon zich hier in 1804 tot keizer kroonde, is de Notre-Dame niet de kerk van de koningen en niet van de clerus, in elk geval niet in de ogen van het publiek. Nee, ze was altijd al de kerk van de stad en is al lange tijd staatseigendom.
Midden in de Seine ligt het die Île de la Cité, kiemcel van het middeleeuwse Parijs. Pierre Abaillard, begin 12de eeuw eerste in een lange reeks grote Franse filosofen, doceert hier aan de school van de Cathédrale St. Étienne en trekt studenten en geleerden uit heel Europa. De kathedraal is weliswaar een eerbiedwaardige 600 jaar oud, maar moet plaats maken voor de nieuwe, naar de hemel gerichte Gotische stijl. De bisschop van de stad, Maurice de Sully, laat een sacraal bouwwerk ontwerpen waarvan de afmetingen die van de St. Etienne verre overtreffen. Veertig meter breed en meer dan 120 meter lang wordt het. Twee kerken en een rij huizen moeten wijken.

La Descente du Saint-Esprit, door Jean Fouquet, circa 1450.

Ten westen van de bouwterrein wordt een brede weg aangelegd die richting koninklijk paleis voert en de façade van de nieuwe kathedraal het nodige cachet geeft. Deze verbinding tussen stadplanning en kerkbouw is uniek voor die tijd en zorgt ervoor dat de Notre-Dame het stadsbeeld van het middeleeuwse Parijs domineert.
In 1163 wordt in het bijzijn van paus Alexander III, die nog bij Abaillard studeerde, de eerste steen gelegd. Een kleine twintig jaar later is het oostelijk deel, het koor, klaar en kan bisschop De Sully daar de eerste mis opdragen. Na zeventig jaar had de kathedraal klaar moeten zijn, maar in de geest van de Gotiek bouwt men almaar verder. De Notre-Dame wordt als eerste gotische kerk van luchtbogen voorzien, die dak en wanden van buiten steun bieden, zodat binnen geen zware pijlers nodig zijn en de hoge muren van reusachtige vensters kunnen worden voorzien. Het middenschip wordt op een hoogte van 33 meter gebracht, zijbeuken ten noorden en zuiden ervan in de style rayonnant uitgevoerd – rijk geornamenteerd en met veelkleurige glas-in-lood, met name in de drie beroemde, reusachtige rozetten (roosvensters).

De Notre Dame omstreeks 1525-1530, met Romaans front.

Bij alle aanpassingen behield de kerk een uitgekiende compositie en bleef een harmonisch geheel. Eeuwenlang bleef zij een lichtend voorbeeld van menselijke scheppingskracht. Tegelijk met het ambitieuze bouwproject voltrekt zich in de École Cathédrale een muziekhistorische revolutie: hier ontstaat het meerstemmige liturgische gezang. De geweldige ruimte verlangt er eenvoudigweg naar met muziek gevuld te worden en het notenschrift, dat nu opkomt, laat zich door dezelfde mathematische grondbeginselen leiden als de gotische bouwmeesters. Muziek, licht en kerkinterieur sluiten zich aaneen tot een Gesamtkunstwerk dat de gelovigen overweldigt en van hun stuk brengt.

Napoleon arriveert bij de Notre Dame voor zijn kroning tot keizer van Frankrijk, 2 december 1804.

De in 1345 voltooide kathedraal wordt al gauw opgenomen in het dagelijks leven van Parijs, maar over de eeuwen verandert de smaak en wordt de Notre Dame zelfs als lelijk en afstotelijk beschouwd. Onder Lodewijk XIV worden de wanden van de Notre-Dame met tapijten bekleed, het hoofdportaal verbreed om stoeten inclusief koetsen te accommoderen. Behalve in de grote roosvensters wordt al het glas-in-lood door helder glas vervangen. De Gotiek heeft in de 17de en 18de eeuw afgedaan, Verlichtingsdenkers zien in de kathedraal de belichaming van de duistere, bijgelovige Middeleeuwen. De kerk raakt in verval en wordt ingebouwd, de dakruiter moet wegens windschade verwijderd worden.

De Notre Dame en het bisschoppelijk paleis in 1826. Door Eduard Gärtner.

En toen moest de revolutie nog komen. In 1789 bestormen de sansculotten de kathedraal, die ze als symbool van het ancien régime beschouwen. Met name de beelden boven het hoofdportaal, de koningen van Israël en Judea, moeten het ontgelden. De woedende menigte ziet er eerder de Franse koningen in en daarom worden hun de koppen afgeslagen. In 1977 worden bij bouwwerkzaamheden 21 van 28 koppen teruggevonden.
Onder Napoleon wordt de tot pakhuis gedegradeerde kathedraal weer in handen gegeven van het kerkbestuur, dat het gebouw opkalefatert voor de keizerkroning. Maar de Notre-Dame blijft bouwvallig. In 1831 publiceert de jonge schrijver Victor Hugo zijn roman Notre-Dame de Paris.

De kathedraal aan het einde van de 19de eeuw.

Deze oorspronkelijke titel is programmatisch, want hoe pakkend en ontroerend het verhaal van de klokkenluider Quasimodo, de ploertige aartsdeken Frollo en de schone zigeunerin Esmeralda ook is, de ware hoofdpersoon is het vervallen kerkgebouw. Hugo maakt de schoonheid van de kathedraal in haar bloeitijd aanschouwelijk voor zijn lezers en opent hun daarmee de ogen. Plotseling zien de Parijzenaars in het voorbijgaan aan het Île de la Cité ook hun eigen geschiedenis. Hugo’s bestseller beïnvloedt het culturele zelfbeeld van een stad en een hele natie. En hij brengt de Parijzenaars ertoe de Notre-Dame te redden.

Waterspuwers, veelal als vrolijke monsters, tevens afweer tegen demonen, op de zogeheten Galerie des chimères, op de zuidwestgevel.

In 1844 beginnen de restauratiewerkzaamheden onder leiding van Eugène Viollet-le-Duc. Aan de hand van oude tekeningen en prenten proberen de opzichter en zijn bouwploeg de Notre-Dame in haar oorspronkelijke, gotische staat terug te brengen. Waar de bronnen hen in de steek laten, gebruiken ze hun fantasie. Het hoge, spitse vieringtorentje dat in april 2019 in vlammen opgaat, is afkomstig uit hun koker. Hetzelfde geldt voor de meer dan vijftig groteske waterspuwers aan de dakranden van de kathedraal: wereldberoemd maar 19de-eeuws.
Katharina Maier

Lees het volledige verhaal in de nieuwste G/GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder