Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Smikkelen in Pompeji

05 november 2019 Siebrand Krul

In Romeinse steden had bijna niemand een keuken en was buitenshuis eten de gewoonte. Pompeji telde 35 bakkerijen, terwijl de straten wemelden van de gaarkeukens en wijnhuizen. In de antieke horeca bestond de keus uit het eethuis (caupona), het snelbuffet (thermopolium), de bar (taberna), de gaarkeuken (popina) en de herberg. Intussen zijn er bij opgravingen in Pompeji niet minder dan 180 van zulke horecagelegenheden geïdentificeerd – op een inwonertal van 20.000.

Wie bij de bakker in Pompeji z’n hoofd om de hoek van de deur steekt, ziet op de houten toonbank donker brood, tarwebrood, brioches en broden van gerst- of gierstmeel liggen. De meeste hebben een ronde vorm en laten zich langs inkepingen in achten breken. Zelfs gekruide, in melk gedrenkte en met anijs of sesam be-strooide baksels omvat het assortiment. Op straat verstouwt een slaaf broden in manden en laadt die op een ezel.

de Via dell’Abbondanza.

Pompeji’s burgers hadden een ruime keus aan brood en banket. Ze kenden minstens tien verschillende soor-ten brood. Voor de zoetekauwen waren er dan nog broodjes met noten- of rozijnenvulling, en ook waren er koekjes van speculaasdeeg, gemodelleerd in de vorm van een penis. Zo’n zoete deegpaal werd veel gekocht, want het eten ervan zou geluk brengen. Maar hier lag ergens ook de grens van wat eenvoudige mensen zich permitteren konden. Het meest begeerde gebak van Pompeji, met een gierst-kaasvulling, werd namelijk al-leen door de rijken in de stad gekocht.
Voor hen vormden graanproducten een aanvulling op het menu, dat verder bestond uit vis en vlees, maar te-vens uit kaas, eieren, wijn, fruit en groente – met de nodige specerijen toebereid. Het was onder hen mode om de hoofdmaaltijd (cena) ’s middags en liggend te nuttigen, waarbij men zich van zijn vingers en een lepel bediende.

Tekening van de onlusten in Pompeji tussen Pompejiers en Nucerianen in 59 n. Chr. op een wandschildering in Pompeji. Zogeheten volksschilderkunst. Opvallend is het zonnezegel. Het fresco bevindt zich in het Museo Archeologico Nazionale (Napels).

Slechts een enkeling beschikte over een eigen keuken, om van een oven maar niet te spreken. Daarom koch-ten de stedelingen hun brood in een pistrinum, een van de 35 bakkerijen in Pompeji. Je kon ook je eigen deeg mee daar naartoe nemen en het laten afbakken.
De gemiddelde bakker in een van de achterafstraatjes van Pompeji had vijf à zes werkkrachten nodig voor zijn bedrijf. Die werkten in een heet en stoffig duister. Geen goede arbeidsvoorwaarden kortom en daarom vooral een zaak van slaven.

Het vrijleggen van een huis bij de opgravingen aan het einde van de 19de eeuw.

Samen met drie of vier muildieren dreven ze de vier molens van de bakker aan, aldoor in een cirkel lopend en de stangen aanduwend die een zware molensteen van lava in beweging hielden. Het meel kwam in een zeef en werd dan in een andere ruimte met water en gist in stenen troggen tot deeg gekneed. De troggen beschik-ten over een kneedapparaat (een houten spil met staken erin) dat het kneedproces versnelde. Voor het bak-ken gebruikte men een oven met twee kamers. In de onderste brandde een houtvuur, dat de bovenste, met tegels beklede kamer verwarmde.

Luchtopname van Pompeji, genomen vanuit het noordoosten.

Een gemiddelde stadsbakkerij kon hoogstens 450 tot 500 mensen dagelijks van brood voorzien en daarvoor moesten de slaven dan steeds dertien à veertien uur in touw zijn. Brood was het basisvoedsel van de Romei-nen en kwam bij elke maaltijd op tafel. Archeologen gaan ervan uit dat elke stedeling er dagelijks zo’n 800 gram van at. Een gemiddelde westerling eet minder dan 500 gram, om een indruk te geven.

Olijfmolen.

De gebruikte meelsoorten vertoonden grote verschillen. Wie het zich kon permitteren, kocht witbrood, ge-maakt van geraffineerd meel. Boeren, armen en slaven waren aangewezen op het grove, donkere brood van ongezeefd meel, vermengd met residuen van tussen de molenstenen. Een witbrood kostte acht asses, een donker brood maar twee. Voor de Romeinen was ongeraffineerd meel armeluiseten en ze zouden zeker raar hebben opgekeken van het moderne idee dat bruin brood gezonder is dan wit.

Romeinse schildering behorend tot de tweede Pompejiische Stijl, uit het huis van Julia Felix.

Van al die 35 bakkerijen had slechts de helft, bestaande uit kleine bedrijven, een eigen verkoopruimte. De andere, grotere leverden aan bakkerijen zonder eigen molen, aan eethuizen, rijken en straatventers. Dat ge-beurde bij voorkeur ’s avonds, zodat de lastdieren overdag niet de straten blokkeerden.
Het brood werd in manden gepakt en op de ruggen van muildieren of paarden naar de klant vervoerd – an-tiek transport met een à twee pk, zeg maar. Als een broodkoerier op zijn route aan een speelhal (taberna luso-ria) voorbijkwam, mocht hij daar graag binnenwippen. Er heerste een groot lawaai, het rook er naar wijn en voortdurend hoorde je de dobbelstenen in de bekers rammelen en over het tafelblad stuiteren. Wie een Ve-nus gooide (dubbel zes), schreeuwde het uit van geluk, terwijl een hond (dubbel een) met luid afgrijzen be-groet werd. Als je blut raakte, kon je prompt een lening krijgen – tegen een torenhoge rente. Doordat er vaak met de dobbelstenen geknoeid werd, gebeurde het niet zelden dat de broodkoerier weer met schulden uit de taberna lusoria naar buiten stapte.
Sophia Schülke

Openingsbeeld: Bakkerij, rechts graanmolentjes, in het midden de oven.

Lees de andere helft van dit boeiende artikel in de Pompeji-special van de nieuwe G/GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder