Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Witte wieven van Bourtange

12 september 2019 Siebrand Krul

Het uitgestrekte Bourtangermoor in het noordoosten van Nederland werd in vroeger eeuwen zoveel mogelijk gemeden. Het was een duivelsland, waar heksen rondvlogen en witte wieven boven het moeras zweefden. Deze duistere wereld is vastgelegd in talloze volksverhalen.

‘Gezegend is het landt daar ’t kind zijn moer verbrandt’. Zo luidt de even korte als trefzekere lofzang van Joost van den Vondel op het veen. Het kan haast niet anders of de brandende turven in de huiselijke haard moeten de ‘Prins onzer dichters’ geïnspireerd hebben. Zij zorgden voor warmte in de winterse kou. Zonder het verbrande moer zou het in het houtarme Nederland heel wat lastiger zijn geweest om er warmpjes bij te zitten. En de winters waren in de 17de eeuw nog ‘ouderwets’. Een ijzige wind blies door kieren en ramen. De waterrijke Nederlanden veranderden in een ware ijsvlakte. Zelfs de drassige moeren werden in bevroren toestand begaanbaar. Dat was in een groot deel van het jaar wel anders. Het plas-dras van de venen maakte ze ontoegankelijk. De mossen, grassen en heidestruiken die haar bedekten waren verraderlijk; je kon er in wegzakken.

Een hoogveenlandschap, geschilderd rond 1650 door Jacobus Sibrandi Mancadan. (Groninger Museum)

De duistere magie van het moor

Van alle venen, moeren of moerassen was het uitgestrekte Bourtangermoor misschien wel het meest desolaat. Hoorde zo’n eindeloze natte vlakte wel tot Gods Schepping? Duivelsland was het, waar wezens rondwaarden die door Ol Vent gezonden waren. Angst, eenzaamheid en onwetendheid maakten de mensen letterlijk duivelsbenauwd. Met tal van namen werd de grootste vijand van Onze Lieve Heer aangeduid: Peter met zijn koude natuur, Joostje Pek, de Boze… In het Bourtangermoor fluisterde men van: Ol Pait, Ol Knecht, Ol Vent…
Eerst toen de venen ontgonnen werden en de turven het leven van Vondel en de andere Nederlanders veraangenaamden, weken de mysteriën van het duivelse veen. Het werd een bewoonbare wereld met kerken, scholen, werkplaatsen, molens en boerderijen. Evenzogoed duurde het vele jaren voor de duistere magie van het veen haar kracht verloor. De waandenkbeelden over Sinjeur de Duivel en zijn handlangers waren taai en hardnekkig. Bijgeloof noemde de kerk die onderwerping aan bovennatuurlijke zaken. Maar er bleef tussen hemel en aarde nog genoeg dat de nietige mens niet duiden kon. En dat helemaal in de eenzame venen, waar raadselachtige verschijnselen het leven beheersten. Geen wonder dat de bewoners hun vertrouwen schonken aan wonderdoeners en andere uitdrijvers van het kwaad.

Het klooster Ter Apel, gelegen midden in het Bourtangermoor, getekend in 1812 door Johan Diederik Wolthers. (Groninger Archieven)

Het gehuil der honden, het geroep der uilen

Toch waren er in de 18de en 19de eeuw al veenkolonialen, de bewoners van deze uithoek, die zich onverbloemd tegen het bijgeloof keerden. Een van hen was de schoolmeester in Oude Pekela Hendrik Wester (1752-1821). Hij was een echte Nutsman, kind van de Verlichting en volksverheffer uit roeping. In 1809 sprak hij als voorzitter van zijn departement in de Pekela’s de leden toe: ‘Naar mate de volksverlichting en volksbeschaving veld winnen, moet ook het belachelijk bijgeloof achteruit deinzen. Hoe gering is thans het aantal heksen en spoken onder ons in vergelijking van vorige tijden. Dit gespuis, het licht niet kunnende verdragen, schijnt elders in duisterder oorden thans verblijfplaats gezocht te hebben; althans het durft zich in deze meer verlichte dagen niet zoo openlijk meer vertoonen. Waar vindt men nu zulk een algemeene vrees voor kwade voortekenen van allerlei, zelfs van den belachelijksten aard, als voorheen? B.v voor het gehuil der honden, voor het geroep der uilen, voor ’t getik der torretjes-wormen, als van een horologie, voor het geplaag der nachtmerries en andere zotheden? Hoeveel minder geld wordt er naar de wikwijven gebracht en hoezeer verliezen thans de waarzeggerijen haar gewicht!’
Ook Wester zag een duidelijk verband tussen het toenemen van de beschaving en het afnemen van het bijgeloof. In zijn woonplaats hadden de Pekelders inmiddels het licht gezien, maar in de nauwelijks ontgonnen delen van het Bourtangermoor wandelde het volk nog in duisternis. Daar zoefden heksen door de lucht, beslopen nachtmerries eerzame bewoners, waren zwarte katten voorboden van het kwaad, zorgde de gruwelijke stommelsteert voor ware trauma’s en dansten de ongrijpbare widde juvvers als zwevende mysteries over het drassige onland.
Vooral na 1800 maakten schoolmeesters, dominees en pastoors er werk van om deze waandenkbeelden uit te bannen. En als dat al lukte, dan bleven de verhalen. Ze werden van generatie op generatie aan elkaar doorverteld. Dat zal, zoals dat gaat met spectaculaire geschiedenissen, de waarheid niet altijd ten goede zijn gekomen. Des te adembenemender was het effect. Maar Wester kon, als man van de Verlichting, geen waardering opbrengen voor belevenissen met bovennatuurlijke wezens.

Het Bourtangermoor, weergegeven op de kaart van Drenthe, door Cornelis Pijnacker, 1634. Rechts de grote veenplassen. (Drents Archief, Assen)

Strijd tussen het natuurlijke en bovennatuurlijke

Toch groeide in de loop van de negentiende eeuw de belangstelling daarvoor juist weer. De romantiek betekende een herwaardering van zulke ‘volksverhalen’. Sommige speelden zich af in een bepaalde streek, andere werden in een veel wijder gebied doorverteld. De verhaalkunst heeft het voordeel dat de luisteraars aan de lippen van de ware vertellers hangen. Die maakten zoveel indruk dat de verhalen in het geheugen gegrift bleven. Maar des te vaker deze van mond tot mond gingen, des te meer veranderde de inhoud. Zo kreeg het volksverhaal vele varianten. De beroemde geschiedenis van Ellert en Brammert kende in de loop der jaren tal van versies. In de kern verschilden die niet erg, maar hoofdpersonen en de wereld waarin ze leefden bleven niet identiek. Veel verhalen uit het veen waren sagen. Ze speelden in een vertrouwde omgeving en gingen vaak over de strijd van het natuurlijke met het bovennatuurlijke. Het waren doodgewone mensen die getuige of slachtoffer waren. Zij worstelden met demonische en goddelijke krachten of maakten onvoorstelbare gebeurtenissen mee. Soms in vroegere tijden, soms korter geleden. Het veen was een ideaal decor voor al die adembenemende taferelen. In het Bourtangermoor speelden zich dan ook tal van ongelooflijke gebeurtenissen af. Vaak in het ruwe veen, maar ook wel in de bewoonde wereld van de latere veenkoloniën.

De witte wieven zweven boven het veen. Mistflarden kregen van de veenbevolking een mythische betekenis. Olieverf, door Geert Schreuder. 2017.

Op de grens van droom en werkelijkheid

Het Bourtangermoor strekte zich uit in het oosten van Groningen, Drenthe en het aangrenzende Duitse Eemsland. Voor duivels en heksen was het een thuisland. Als magische hoofdrolspelers van het kwaad waren ze ook bij andere spookverschijnselen en duistere krachten nooit ver weg. Vanaf het eind van de 19de eeuw, als de Romantiek de regionale literatuur beïnvloedt, worden de huiveringwekkende verhalen ook aan het papier toevertrouwd. In Groningen reisde Elina (Lientje) Huizenga-Onnekes (1883-1956) letterlijk stad en land af om uit de mond van meestal bejaarde vertellers te horen wat die zelf beleefd of van hun ouders en voorouders gehoord hadden. Dat al deze geschiedenissen uit de sfeer van het ‘van horen zeggen’ in boeken en tijdschriften belandden, was prijzenswaardig. De fietsende reporter uit Ten Boer vereenzelvigde zich overigens maar al te graag met haar informanten. Door haar spiritistische overtuiging stond zij open voor de wonderbaarlijke gebeurtenissen die zich op de grens van droom en werkelijkheid afspeelden. ‘Lientje uit Ten Boer’ inspireerde op haar beurt Kornelis ter Laan (1871-1963), die de volksverhalen met grote geestdrift onder de paraplu van het Gronings-eigene plaatste. Hoewel hij niet onvermeld liet dat vergelijkbare geschiedenissen ook in Friesland, Drenthe of Noordwest-Duitsland de ronde deden, maakte hij ze als het ware onderdeel van de Groninger identiteit. In Drenthe werd Harm Tiesing (1853-1936) uit Borger geboeid door de cultuurbotsing van het volk van veen en zand. Ook de gebruiken en verhalen hoorden daartoe.
Harm van der Veen

Openingsbeeld: Lichtjes in het veen (vermoedelijk reflecterende insecten) maakten diepe indruk. Olieverf, door Geert Schreuder, 2017 (detail).

Lees de andere helft van dit bijzondere verhaal in de ‘Heksen’-special van G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts 5,50 euro!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder