Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Duinkerker oorlogsvoering

15 juli 2019 Siebrand Krul

Piraterij is een hot item, zie de piraterijbestrijding langs de Somalische kust. Ruim vierhonderd jaar geleden behoorden piraterij en de toen juridisch geaccepteerde kaapvaart tot de ‘normale’ bedrijfsrisico’s. Zij waren een plaag voor reders, zeevarenden en hun thuisfront, een zegen voor de Vlaamse havensteden, maar zeker geen voorpaginanieuws.

Zodra in de eerste jaren van de Opstand de Vlaamse kust en de havenplaatsen Duinkerken en Nieuwpoort door de Spaanse bevelhebber Alexander Farnese, hertog van Parma, waren veroverd, riep hij in Duinkerken een marine-organisatie in het leven. Hij hoopte hiermee de handelsbelangen van de opstandige gewesten (de latere Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden) te schaden. Duinkerken werd van vissersplaats omgevormd tot een vlootbasis voor kaper- en oorlogsschepen.
Krachtdadig trad Parma op. Op 1 september 1583 vaardigde hij nieuwe richtlijnen uit voor het hele zeewezen. De visserij, de overzeese handel en de oorlog ter zee stonden voortaan onder zijn bevoegdheid. In dezelfde maand verleende hij de eerste kaperbrieven. Niemand mocht ter kaapvaart varen zonder deze ‘vergunning’ en een borgstelling. Overtreders werden als zeerovers beschouwd en behandeld. Een admiraliteitsraad hield toezicht op de uitrusting en bewapening van de oorlogsschepen, de monstering van het bootsvolk en de aanstelling van de commandanten. Admiraliteitsraden verzorgden de prijzenrechtspraak. Zij oordeelden of een opgebracht schip al dan niet terecht was buitgemaakt.

Witte Cornelisz. de With in gevecht met vijf Duinkerker kapers in 1641. Schilderij van Jacob Gerritsz. Loef. (National Maritime Museum, Greenwich)

Vlaamse oorlogsvloot=Duinkerker kapers

Gelijktijdig liet Parma op kosten van de Spaanse koning Filips II een tiental oorlogsschepen op stapel zetten. Deze zogenoemde koningsschepen vormden samen met de op particulier initiatief uitgeruste kaperschepen de Vlaamse oorlogsvloot. Beide onderdelen van de vloot vielen onder dezelfde regelgeving. Er was één groot verschil; de schepen van het koninklijk eskader konden ook ingezet worden voor het verzorgen en beveiligen van troepen- en geldtransporten tussen Spanje en de zuidelijke Nederlanden. Vooral in de jaren na het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) opereerde de Vlaamse oorlogsvloot als één strijdmacht. Samen met de particuliere kapers vormden de koningsschepen eskaders die onder bevel stonden van de koninklijke admiraal of viceadmiraal. Voor veel tijdgenoten was de Vlaamse oorlogsvloot een synoniem voor Duinkerker kapers.
Onder het motto: Ruiner les pêcheries et le commerce des rebelles liepen vanaf 1583 tientallen en in sommige jaren zelfs bijna honderd kaperschepen in zee. De Duinkerker kapers waren geboren. Tot aan 1647 brachten zij de handel en visserij van de Republiek enorme schade toe.

Profiel van de stad Duinkerken, belegerd door het Franse leger onder de hertog van Enghien, 1646. Op de voorgrond beschietingen door het Franse leger. In ornamentele omlijsting met twee cartouches. Dit profiel behoort bij een plattegrond van de stad. Onderdeel van een serie voorstellingen van de militaire overwinningen behaald door koning Lodewijk XIV. Prentmaker van Nicolas Cochin (1646). (Rijksmuseum Amsterdam)

Alle passeerden lopen risico

De operatiegebieden van de Duinkerker kapers lagen verspreid over het Kanaal en de hele Noordzee. Veelvuldig namen de kapers bij de Doggersbank kabeljauwvissers. De haringvissers achtervolgden zij gedurende het hele vangstseizoen vanaf de Orkney-eilanden tot ver in de Noordzee. Aan de ingang van het Kanaal of op de noordoostkust van Schotland trachtten de kapers terugkerende Oostindiëvaarders op te vangen. Langs de Franse kust en eveneens bij de ingang van het Kanaal voerden zij aanvallen uit op Nederlandse Bordeaux- en Rouaanvaarders alsook op zoutschepen die uit Frankrijk, Portugal of Spanje kwamen. Langs de hele Zeeuws-Hollandse Noordzeekust belaagden de Duinkerkers de kustvissers. Op de Duitse en Deense kust onderschepten de kapers Oostzeevaarders. Als er geen Nederlandse oorlogsschepen voor de riviermondingen waren gestationeerd, probeerden zij ook daar hun slag te slaan.
Zelfs onder de kanonnen van Vlissingen, op de Zuiderzee voor Amsterdam en in de Maasmonding bij Brielle en Maassluis veroverden de kapers menig Noord-Nederlands schip.

Onder: De haven van Duinkerken geblokkeerd tegen het uitvaren van de kapers. De Spaanse vloot gelegen in het Scheurtje. Tevens een profiel van de stad vanaf zee. Bovenaan een kleinere kaart van de Vlaamse kust van Walcheren tot Boulogne, 1631. Kaart van Pieter Codde van Enchuysen (ca. 1631). (Rijksmuseum Amsterdam)
De kaart hierboven is een detail van die hieronder.

‘Naghelen door handen en voeten’

Kwam een visser of koopvaarder op zee een kaper tegen, dan werd in het gunstigste geval alleen een gedeelte van zijn vangst of lading in beslaggenomen. In het ergste geval werd het schip tot zinken gebracht en de bemanning omgebracht. Slechts de stuurman of kapitein werd gespaard. Een fragment uit het scheepsjournaal van de Duinkerkse viceadmiraal Anton van Bourgondië geeft een beeld hoe een ontmoeting op zee kon plaatsvinden en wat er dan met de opvarenden gebeurde:

Den 18e (augustus 1600) zijn wij gecomen bij derthien visschers
van Maeslantsluijs met haer hebbende een
convoier, daer op ontrent twintich schooten
geschooten hebbende ende het vier in zijn cruyt
geschooten geweest, terstont verbrant ende gesoncken (..),
de reste van de visschers vuijt genoemen, twee al verbrant.
Den 19e noch drie ofte vier visschers verbrant,
namentlick een die daer jegens schoot met
volck ende al datter in was.

De 17de-eeuwse Nederlandse historicus Emanuel van Meteren beschreef van horen zeggen soortgelijk geweld waarmee vissers soms werden geconfronteerd:

De arme visschers naghelden sy onder in de schepen, boorden gaten in de schepen, en lieten se allenskens sincken. Oock waeren daer twee schippers die niet onder in ’t schip en wilden gaen, om alsoo versmoordt te worden. Dies namen sy dese, en naghelden die dwers cruyswyse d’een over den anderen, met naghelen door handen en voeten, ende lieten se alsoo sincken’.

De meest voorkomende handelwijze was echter dat de stuurman of kapitein op het kaperschip werd overgezet om met zijn leven borg te staan voor het in een ‘rantsoenbrief’ geëiste losgeldbedrag. Soms werden ook een of meer bemanningsleden meegenomen en geprest tot dienst nemen op de kaperschepen of naar de Spaanse galeien gestuurd. Naast het rantsoeneren van de stuurman of kapitein werd de bemanning van zijn eigendommen beroofd en het schip meestal leeggeplunderd. In enkele gevallen werd het schip verbrand en een deel van de bemanning aan land gezet of op een ander schip geplaatst.

Spotprent op Jacques Colaert, Vlaamse kapercommandant of admiraal van Duinkerken. De admiraal staande aan land, in de verte wordt zijn schip tijdens een gevecht met Johan Evertsen tot zinken gebracht, 20 februari 1636. Het schip werd samen met 200 man opgebracht te Middelburg. Prent van Salomon Savery (1636). (Rijksmuseum Amsterdam)

Enorme aantallen

Vooral honderden Zeeuwse en Hollandse zeevarenden kwamen in aanraking met deze Duinkerker kapers. Velen brachten maanden door in Vlaamse gevangenissen, sommigen overleefden de erbarmelijke omstandigheden niet, anderen moesten noodgedwongen hun ‘nering’ beëindigen en berooid huiswaarts zeilen.
Voor het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) boekten de Duinkerker kapers in de jaren 1595-1604 hun grootste successen. Jaarlijks werden toen tussen de veertig à vijftig schepen naar Vlaamse havens opgebracht. In de jaren 1621-1647 verviervoudigde het aantal schepen dat de kapers elk jaar veroverden. Gemiddeld werden jaarlijks 229 schepen het slachtoffer van de Duinkerkers. Zeker vijftig procent van deze schepen had zijn thuishaven in de Republiek. Het absolute hoogtepunt in aantallen genomen schepen vormde 1632. Toen werden tenminste driehonderdvijftig schepen het slachtoffer van de kapers.

Overzicht van de aantallen door Duinkerker kapers veroverde koopvaardij- en vissersschepen(1626-1646)

Jaar            Aantal      Jaar        Aantal  
Nov 1626-1627   265     1637*       142 
1628            310     1638**      157
1629            320     1639        122
1630            317     1640        135
1631            295     1641        104
1632            350     1642        223
1633            200     1643        193
1634            249     1644        257
1635            290     1645        213
1636            201     1646        239
  • Opgaven voor de maanden maart t/m oktober ontbreken.
    ** Opgaven voor de maanden februari en april ontbreken.
Een tien-kanons fregat, gekerfd in een houten wand in het Gravensteen te Zierikzee, dat onder meer fungeerde als gevangenis voor Duinkerker kapers. Waarschijnlijk is de tekening door een van hen gemaakt. (Gemeentearchief Schouwen-Duiveland)

Exploderende verzekeringskosten

De Belgische historicus R. Baetens schatte de totale opbrengst van de vanaf 1626 voor de Duinkerkse admiraliteit verkochte Nederlandse schepen op minimaal vijftien miljoen euro. Voor die tijd een enorm bedrag. En deze raming is nog aan de lage kant als we de reële waarde van de schepen in ogenschouw nemen. De markt voor schepen was door de kaapvaart in een mum van tijd verzadigd. Vooral buitgemaakte vissersschepen werden als brandhout verkocht.
De successen van de kapers leidde in de Republiek tot verregaande economische gevolgen. Verzekeringspremies rezen de pan uit, uitrustingskosten stegen sterk, evenals de vrachtprijzen. De risico’s namen toe. Reders van vissersschepen leden zoveel verlies dat velen het vissersbedrijf de rug toekeerden.

Registratie van in 1600 gevangen genomen vissers. Achter hun namen staan de losgeldprijzen. (Rijksarchief in Brussel, Admiraliteitsarchief)

Meedogenloze bestraffing

De Noord-Nederlanders traden hard tegen de Duinkerker kapers op. Gevangen genomen kapers hoefden niet op clementie te rekenen. Zij werden veelal direct overboord gezet, eufemistisch omschreven als het voetenspoelen. Sommigen werden aan land gebracht. Hun wachtte dan na verhoor de galg. Zo ook de bemanning van de Crabbelcatte. Op 6 september 1600 ondervroegen enkele leden van de Zeeuwse admiraliteit 44 gevangen genomen opvarenden van dit Duinkerkse oorlogsschip. Zij waren uitgevaren om op zee kooplieden, schippers, vissers en andere zeevarenden te plunderen, te beroven en op te brengen naar Vlaanderen. Bovendien hadden zij eerder verschillende schepen uit de Republiek veroverd. Op basis van deze bekentenissen spraken de rechters van de Zeeuwse admiraliteit het volgende vonnis uit: ‘Ophanging tot de dood er op volgt’. Voor zes jongens maakten de rechters een uitzondering. Hun jonge leven werd gespaard. De uitspraak was overeenkomstig de regelgeving van de Staten-Generaal, het hoogste bestuurscollege van de Republiek. Zij hadden jaren eerder al bepaald dat op zee aan alle vijanden, of dit nu kapers of opvarenden van reguliere oorlogsvloten waren, geen lijfsbehoud (kwartier) gegeven werd. Na gesprekken met enkele Middelburgse predikanten voerden een beul de executies uit. Lange tijd bungelden er aan de stadsgalg op de dijk voor Vlissingen 38 lichamen.

‘De wreedheden door de Duinkerker kapers jegens de bemanningen der Hollandsche haringbuizen die zij bij alle vernielden.’ Anonieme gravure ca. 1600. (Nedl. Inst. v. Militaire Historie)

Kaperbrieven

De harde opstelling van de Staten-Generaal tegenover gevangen genomen tegenstanders werd door veel tijdgenoten niet gedeeld. Kaapvaart was volgens het oorlogsrecht van de 16de en 17de eeuw een wettige activiteit. Was een land in oorlog dan kon de overheid aan geïnteresseerden een kaper- of commissiebrief uitreiken. De houder van een dergelijke brief was dan gerechtigd vijandelijke schepen en goederen te veroveren of te vernietigen.
Zeerovers en piraten onderscheidden zich van kapers door geen kaperbrieven te bezitten. Zij roofden voor eigen gewin, bepaalden zelf de rechtmatigheid van hun buit en droegen geen percentages van de opbrengsten af aan een hoger gezag. Zij opereerden in de illegaliteit, genoten geen bescherming en mochten door iedereen die hen te pakken kreeg worden opgehangen.

Haringbuizen op de Noordzee. (Het Scheepvaartmuseum)

Slimme Spaanse vondst

Naast het voetenspoelen troffen de gewestelijke bestuurders, de Staten-Generaal of de admiraliteitscolleges allerlei andere maatregelen om het kapergeweld enigszins te beteugelen. Oorlogsschepen kregen expliciet de opdracht zoveel mogelijk kaperschepen uit te schakelen, premies werden uitgeloofd voor degenen die een kaperschip opbrachten, vissersvloten werden beschermd en net als in de Tweede Wereldoorlog werden koopvaardijschepen verplicht in konvooi te varen onder het toeziend oog van begeleidende oorlogsschepen. Daarnaast blokkeerden Nederlandse oorlogsbodems de Vlaamse kust om te voorkomen dat kaperschepen in zee konden lopen.
Tegen de Duinkerker kapers was eigenlijk geen kruid gewassen. De bescherming van honderden koopvaardij- en vissersschepen door konvooischepen was ondoenlijk. Bovendien waren de vaarroutes en de vangstgebieden te uitgestrekt. Een blokkade van de Vlaamse kust kon bij stormachtig weer lang niet altijd gehandhaafd worden. En een verovering van de Vlaamse havensteden leverden te veel logistieke problemen op. Hoewel in 1600 het Staatse leger de Slag bij Nieuwpoort won, werd het eigenlijke doel – de uitschakeling van Duinkerken – niet bereikt. De creatie van de Duinkerker kapers was dan ook een Spaanse vondst waarop de Republiek lange tijd geen antwoord had.

‘Algiers van het Noorden’

Pas in 1647 verdwenen de Duinkerker kapers grotendeels uit zee. Met succes was Frankrijk in samenwerking met de Republiek er in geslaagd Duinkerken over land en vanuit zee aan te vallen. Op 11 oktober 1646 gaf de stad zich over. Het ‘Algiers van het noorden’, zoals Duinkerken door tijdgenoten wel werd genoemd, was voorlopig uitgeschakeld. Noord-Nederlandse kooplieden, reders en zeevarenden konden weer met een gerust hart adem halen. In de Vlaamse havenplaatsen daartegen sloeg de armoede voor korte tijd toe. Het tij keerde in de loop van de 17de en 18de eeuw. Kapers uit Duinkerken, waaronder de bekende Jan Baert, maakten opnieuw de zeeën onveilig en zorgden voor werkgelegenheid.
Adri P. van Vliet (plaatsvervangend directeur Nederlands Instituut voor Militaire Historie)

Openingsbeeld: De haven van Duinkerken.

Lees het volledige boeiende verhaal, en nog veel meer verhalen over de geschiedenis van de piraterij, in de nieuwste G/GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder