Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Een duivelse handel

18 juni 2019 Siebrand Krul

‘Op 14 december kwamen hier elf slaven aan, vooral Oostendenaars. Het waren de laatsten vanop het schip van kapitein Geselle, die in 1724 door twee Algerijnse zeerovers gevangen genomen werden en sedertdien in slavernij geweest waren. Velen van hun metgezellen waren al in 1731 verlost geworden en naar huis gekomen. Ze zijn allen afgekocht door het Broederschap van de Allerheiligste Drievuldigheid,’

Dit noteerde de Oostendse kroniekschrijver Jacob Bowens in 1735. Wie zich in de dagen van het Ottomaanse Rijk op de Middellandse Zee waagde, viel niet zelden in handen van Turkse zeerovers, wier dreiging tot de Atlantische oceaan, soms tot de Noordzee reikte. Veel losgeld was nodig om de gevangenen, die vervolgens als levende buit waren verkocht op de slavenmarkten van Barbarije (Noord-Afrika), naar Europa terug te brengen. Koplopers in het vrijkopen waren de paters Trinitariërs, die via broederschappen ook voor Vlaanderen opereerden.

‘Elendige straffen die de Turcken de Slaeven doen Leyden,’ gravure door Jan Luyken in Historie van Barbarijen (Amsterdam, 1684), vertaling van Histoire de Barbarie et de ses corsaires (Paris, 1637) door Pierre Dan, overste van het Trinitariërsklooster in Fontainebleau.

Vrijbuiterij van Kruis of Halve Maan

Het krachtigste christelijke antwoord op de zeeroverij van Barbarije lag op Malta en hanteerde dezelfde methodes. Het corso (vandaar corsairs, corsaires, Korsaren) werd er geleid door de ridders van de Johannieterorde en was vooral gericht op het nemen van gevangenen bestemd als galeislaven; door roeiers voortgedreven galeien vormden immers tot in de 18de eeuw de hoofdmoot van de vloten van Frankrijk, Italië en de paus, één van de redenen waarom met name Frankrijk de Maltese piraterij heimelijk financierde. Tussen de vloten van Barbarije en Malta – niet meer dan pionnen in een ingewikkeld internationaal politiek en commercieel schaakspel – evolueerden Engelse en Hollandse koopvaarders die zich met alle geweld een toegang wilden verschaffen tot de handelsmarkten van de Levant, naast onvervalste Spaanse en Italiaanse zeeschuimers: allen zwierven zij rond op zee op zoek naar een prooi.

Na zeven jaar slavernij valt Bruggeling Frans de Mulder in de armen van zijn vader bij aankomst in Duinkerke in 1781. Naast hem staat een pater Trinitariër in witte pij. Schilderij door Jan-Antoon Garemijn in de Sint-Gilliskerk in Brugge.

Schepen kapen, kuststreken overvallen, bewoners gijzelen – het schiep een klimaat van terreur van de Middellandse Zee tot de Atlantische Oceaan. Vanaf de 15de eeuw werden de Algierse kapers ook ingezet als onderdeel van de Ottomaanse vloot. Na de zeeslag bij Lepanto (1571) leverden moslims en christenen echter niet langer openlijk slag met elkaar, de strijd werd een alledaagse realiteit, een guerrilla op zee, waarbij de grens tussen het Kruis en de Halve Maan allesbehalve scherp was te trekken. Avonturiers van divers pluimage dachten vooreerst aan hun eigen profijt. Na het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) domineerden christelijke overlopers, de beruchte renegaten, de Turkse vrijbuiterij, met Algiers als hoofdplaats. De meeste renegaten kwamen uit de Nederlanden, zoals Mourad Raïs, afkomstig uit Haarlem, of Simon De Danser uit Dordrecht. Niet enkel zeeschuimers zochten gewin, ook kooplui uit Frankrijk, Engeland en Holland zonden agenten naar de markten van Algiers en Tunis, waar de piratenbuit aan dumpingprijzen werd verkocht, om die opnieuw naar Europa te verschepen en daar met grote winst te verkopen.

Processie der verloste slaaven’, gravure door Jan Luyken in Historie van Barbarijen, Amsterdam, 1684.

De wrede, Goddeloze Turk!

In Europa riepen predikers op om de vele christenslaven uit de kerkers en de galeien – als roeiers het ergste lot – te bevrijden, door een luguber beeld van hun lijden te schetsen. Daarbij werd zedig verzwegen dat minstens evenveel gevangen Turken en Moren in Spanje, Malta en Italië – de slavenmarkt van Livorno – werden verkocht. Het vrijkopen van de christenen werd een industrie apart, lucratief voor een legertje bemiddelaars. Specialisten in het negotiëren en afkopen waren de paters Trinitariërs van l’Ordre de la Très Sainte Trinité et des captifs, kort voor 1200 in Frankrijk gesticht onder impuls van de kruistochten ‘tot vrijkoping van de door de Moren gevangen christenen’.

In het kerkje van Ouwegem bij Oudenaarde zit een slaaf vastgeketend aan een offerblok. Langs een gleuf in de bedelnap gleden de munten naar beneden. Op de plaatjes van het register staan de met de hand geschreven namen van christenslaven. (Foto auteur)

Het zwaartepunt lag rond de Middellandse Zee, met talrijke kloosters in Zuid-Frankrijk, Spanje en Italië; er kwamen tevens gemeenschappen in Engeland, Ierland, in Wallonië en in het graafschap Vlaanderen, in Dowaai, Hondschote, Convorde bij Steghers, en Morbecque (alle in Frans-Vlaanderen). De kloosterlingen stonden onder de bescherming van de Heilige Drievuldigheid en moesten haar verering bevorderen; daarom stond alles er in het teken van het getal drie, zo diende er één derde van de inkomsten te worden besteed aan de vrijkoping. In de loop van haast zes eeuwen zouden ze naar schatting 90.000 christenen hebben bevrijd. Grote concurrenten van de Trinitariërs waren de Spaanse Mercedariërs, terwijl ook uit Italië en Noord-Europa missies naar Barbarije trokken; daar werkten zij samen met joodse en andere kooplieden die als bemiddelaars fungeerden bij het betalen of het ruilen met moslimslaven.

Afkoping van christene slaven door Tinitariërs, naar een schilderij door Jan van Cleef in de Drievuldigheidskapel van de Gentse Sint-Jakobskerk. (Archief Gent)

Duivelse streken

Bleef hun lot hoe dan ook weinig benijdenswaardig, in de regel werden christenslaven niet gefolterd of mishandeld zoals het in Europa werd afgeschilderd; daarvoor hadden ze te veel potentiële waarde. Een klein aantal wist zichzelf vrij te kopen: zij die over goedbetaalde vaardigheden beschikten, zoals chirurgijns, of zij die de toelating hadden gekregen om een eigen zaakje te starten. In Algiers besteedde een herbergier zelfs zijn inkomsten om zijn lotgenoten vrij te kopen. Sommigen kregen tijdelijk de vrijheid om het losgeld voor henzelf en hun kameraden te gaan verzamelen. De meesten waren nochtans aangewezen op het thuisfront. Communicatie met Europa werd niet belemmerd, maar de verbindingen waren traag, sommige brieven bereikten nooit hun bestemming, meestal sleepte de zaak vele jaren aan voor er een oplossing kwam. Soms kon de familie door het losgeld geruïneerd worden, moest zij alle bezit verkopen en schulden maken.

Het altaarstuk Verlossing van christene slaven door Caspar de Craeyer, 1669, in de Drievuldigheidskapel in de Sint-Jakobskerk in Gent. (www.lukasweb.be. Art in Flanders vzw, foto Dominique Provost)

Uitwisseling met Turkse gevangenen was een andere manier om de vrijheid te herwinnen, maar werd tegengewerkt door speculanten die hun winsten zo zagen verdwijnen. In de loop van de 17de eeuw ging het persoonlijke gewin het meer en meer halen op de godsdienstijver; het bevrijdingswerk groeide uit tot een erg ingewikkelde zaak, waar steeds meer tussenpersonen bij te pas kwamen. Die probeerden ‘de loskoop te rekken of te verhinderen, zodat zij het geld langer kunnen uitbuiten en hun winst kunnen verdubbelen, waarbij zij allerlei duivelse streken uithalen om hun doel te bereiken,’ schreef pater Gracian vanuit Tunis. Ook de Europese regeringen gingen zich almaar meer met het vrijkopen inlaten door middel van gezantschappen en consuls ter plaatse. (zie G/Geschiedenis 2019 nr. 1, blz. 52-53) Vele loskopen kwamen tot stand met de hulp van westerse kooplui of van renegaten met goede zakenrelaties aan beide kanten van de Middellandse Zee. Respectabele handelaars – die zich net als bij het opkopen van de piratenbuit in een erg dubieuze positie bevonden – berekenden een vast commissieloon voor hun goede diensten. Hun schijnbare bekommernis ten spijt hadden zij er alle belang bij dat het systeem overeind bleef. De machtige Italiaanse familie Lomellini bracht een bescheiden drie procent in rekening voor elke transactie; anderen waren minder scrupuleus en deinsden niet terug voor pure oplichterij, waarbij het geld werd geïncasseerd en de slaaf bleef waar hij was.

Lijst van slaven vrijgekocht door het klooster van Dowaai (Douai) in augustus 1675. (Archiefkamer Sint-Jakobskerk, Gent)

Religieuze plicht

Midden 17de eeuw werden de Trinitariërs in Vlaanderen ingeschakeld via broederschappen, een geliefde vorm van devotie. In menige parochie werd een Broederschap van de H. Drievuldigheid opgericht, vooral in West-Vlaanderen – in Brugge, Kortrijk (1642), Veurne en Oostende (1644), Ieper (1652) en tal van kleinere steden. Door de vele gevangen zeelui waren de kosten voor de vrijkoop in Oostende dusdanig hoog dat er soms een beroep werd gedaan op andere confrerieën. Eén der actiefste broederschappen startte in Gent in 1641 door toedoen van bisschop Triest, die gelijk fikse bedragen schonk voor de vrijkoop van slaven. De confrerie kreeg een aparte kapel in de Sint-Jakobskerk, naar het voorbeeld van de Drievuldigheidskapel (1636) in de gelijknamige kerk in Antwerpen. Later werden verscheidene filialen in het bisdom opgericht. Een gekoesterd document was de breve van paus Clemens IX uit 1669, waarin de statuten werden goedgekeurd. Die bepaalden de plichten der bestuursleden, de werking van de administratie en de manier waarop de inkomsten dienden te worden besteed. Het bestuur moest elk jaar hernieuwd worden en de deken moest steeds ‘eenen kerckelijcken Heere’ zijn. De twaalf andere bestuursleden werden geacht ‘van goeder naeme ende reputatie’ te zijn. Alle leden moesten dagelijks een aantal gebeden opzeggen, bepaalde plechtigheden volgen, zelf naar vermogen giften storten ‘ter verlossinghe der gevanghene christenen slaven’ en een wit schapulier met het blauw-rode Trinitariërskruis dragen.
André Capiteyn

Openingsbeeld: Trinitariër met vrijgekochte slaven. Schilderij uit 1777 door Jan-Antoon Garemijn in de Sint-Gilliskerk in Brugge.

Lees ook de andere helft van dit boeiende verhaal in de nieuwste G/GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder