Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

De Hollandse olifantenhandel

08 mei 2019 Siebrand Krul

Nederland is eeuwenlang een handelsnatie. Soms zit de ‘dominee’ de ‘handelaar’ in de weg, maar als er geld kan worden verdiend, schrompelen scrupules meestal weg. Dat was zo met de walvisvangst, maar ook met de veel minder bekende olifantenhandel. Nederland was lang de belangrijkste natie die in grote landdieren handelde. Dood of levend

Op Ceylon, waar de VOC het van 1640 tot 1796 voor het zeggen had, werden olifanten gevangen en getemd en vervolgens doorverkocht aan Indiase vorsten. Alleen enkele jonge exemplaren die op de retourschepen pasten bereikten Nederland, zoals de jonge Hansken die na door Rembrandt vereeuwigd te zijn in 1633 zelfs op Europese tournee ging. In West-Afrika werden duizenden olifanten om hun ivoor gedood en werden hun slagtanden ambachtelijk bewerkt, Nederland had immers met de Noordsche Compagnie de kennis al van het bewerken van walrus- en narwaltanden.

Kleurtekening over twee pagina’s van een massa Singalezen met fakkels en trommels bij een bamboehek waarachter olifanten rennen, Ceylon. Uit het schetsboek van Jan Brandes, 1808. (Rijksmuseum)

Zoals met de eenden

Het vangen van olifanten op Ceylon ging op een manier zoals wij die kennen van de eendenkooi. De Antwerps/Amsterdamse geleerde Barlaeus zegt hierover in 1672: ‘men lokt de olifanten op ongeveer dezelfde manier als wij in Holland de eenden lokken.’ De constructie was zodanig dat wanneer de olifant eenmaal naar binnenliep, hij niet terug kon. Er werd ook gebruik gemaakt van lokolifanten zoals bij de eendenkooi van lokeenden.
Onderzoeker Engelsman stelt: ‘wanneer een kudde gesignaleerd was, probeerden de vangers tamme of lokolifanten daartussen te mengen. De dieren werden met veel vuur en lawaai van drums, hoorns en musketten bijeengedreven en over grote afstand opgejaagd naar de ingang van de kraal. Voor het maken van zoveel mogelijk lawaai werden ook de vrouwen en kinderen ingeschakeld. De jacht kon soms vele dagen duren, dat hing af van de afstand tot de kraal, soms wel 25 kilometer.’
De techniek van het vangen en temmen van olifanten wordt gedetailleerd beschreven en uitvoerig geïllustreerd in de dagboeken van de Lutherse dominee Jan Brandes. Brandes maakte in december 1785 een driedaagse olifantenjacht mee op Ceylon, waarbij 25 olifanten werden gevangen. In een soort van ‘stripverhaal’ van dertien afbeeldingen tekent en beschrijft hij de technieken, het maken van stevige knopen en de bouw van de vanginstallaties dermate nauwkeurig, dat zijn verslag nog steeds dienst zou kunnen doen als handleiding. Het temmen van olifanten vond plaats bij de olifantenkraal bij Jaele, acht kilometer ten noordoosten van Negombo. In deze kraal werden de olifanten om de zeven jaar verzameld en gevangen gehouden. Gewonde olifanten wachtte het lot van lastdier of oorlogsdier.
In de jungle werd op een oppervlak van enige vierkante kilometers een soort driehoek van palissaden gemaakt, waarin aan één zijde brede toegangshekken zaten. De samengedreven wilde olifanten werden daar tussen twee tamme soortgenoten gehouden, die gebruikt werden om het proces van temmen in gang te zetten. Ze werden ‘getemd’ door ze met touwen aan palmbomen vast te binden, waardoor de knopen in hun poten sneden en het zogeheten ‘wilde water’ uit hen wegstroomde en ze tam werden.

Een olifant vertrapt een misdadiger, het is een executie (Reghtspleging). Op de achtergrond zijn verschillende veroordeelden aan palen vastgebonden. Jan Luyken, 1692. (Rijksmuseum)

Gedoopt en gebrandmerkt

G.J. Engelsman stelt in zijn doctoraalscriptie in 1996 dat ivoor niet de drijfveer was maar levende olifanten: ‘Er werden geen dieren voor de verkoop van hun tanden gedood. De enkele keer dat de VOC een tand verkocht was die afkomstig van een dier dat in de stal was overleden.’ […] ‘De tanden werden verhandeld of bij het hoofd ingeleverd, dat de brenger daarvoor beloonde. De hoofden hielden de tanden zelf of zonden de heel mooie als geschenk naar de koning of schonken ze voor versiering aan tempels.’
Het vangen en temmen van de olifanten kostte menig mensenleven, naast de slachtoffers die op het eiland vielen door overstekende of woeste, opgejaagde wilde olifanten. Olifanten werden in tempels vereerd, ingezet om executies uit te voeren, en gedoopt, waardoor ze een naam kregen en gebrandmerkt werden.
Engelsman schrijft: ‘Er waren dat jaar zeker 120 stuks voor de compagnie gevangen. Men besloot zelfs het volgende jaar een jachtverbod in te stellen om de prijzen hoog te houden.’ De VOC verkreeg de olifanten door alle districten een zogenoemd tribuut (afdracht) op te leggen. Volgens een bericht aan commandeur Zwaardecroon in 1697 was deze afdracht elk jaar veel te weinig en was het ongelooflijk hoeveel olifanten in de stallen stierven. Van de drie of vier olifanten die in 1685 naar Jaffnaparam werden gezonden, kwam slechts eentje levend aan, in een slecht jaar soms maar één van de tien, vooral door verwaarlozing zoals te weinig of verkeerd voer. De olifanten waren na kaneel de belangrijkste inkomstenbron, maar vóór parelvisserij en verfstoffen.
In 1698 schreef de moddelaan (of modeljaar = een officier in een dessave) Don Alphonso Perera in twee brieven een kort verslag van zijn reis met 83 olifanten en 292 mensen van Caymdel (ongeveer tien kilometer buiten Negombo) naar Jaffna. Onderweg stierven dertien olifanten. Een helper werd door een olifant zo ernstig getrapt dat de man stierf. De olifanten werden, eenmaal onder controle, over land naar de havenstad Jaffna gebracht waar de VOC een speciale kade in Kayts of Hammenhiel had geconstrueerd voor het inschepen van de dikhuiden.

Op 3 april 1702 zal in herberg De Gouden Leeuw in Middelburg een partij olifantentanden worden verkocht.

Profijtelijke handel

Engelsman: ‘Een schip van 500 tot 600 ton kon tussen de 14 en 26 olifanten vervoeren, maar het in- en ontschepen en het transport zelf gaf steeds stabiliteitsproblemen. Bovendien kon een olifant de scheepshuid kapot trappen, gevaarlijk omdat Europese schepen hun stijfheid uit de boeg halen. De olifanten zullen dus meestal aan boord getakeld zijn. De doorsnee oostindiëvaarder zal meestal niet meer dan twee, drie, tot maximaal zes olifanten, meegenomen hebben.’ De fluitschepen waren beter ingericht voor het transport van olifanten.
De belangrijkste kopers van olifanten van de VOC waren de nawab van Bengalen, de koning van Golconda en verschillende regeerders van rijkjes aan de Coromandelkust. De o1ifantenhandel op Ceylon leverde tussen 1660 en 1675 jaarlijks, omgerekend, 150 tot 200 duizend gulden winst op. Voor mooie exemplaren kon de VOC prijzen van 6.000 tot 7.000 gulden per dier bedingen. De handel was echter weinig stabiel en raakte bijvoorbeeld door een oorlog ontregeld. Op het einde van de 17de en in de eerste helft van de 18de eeuw, toen de handel op zijn hoogtepunt was, beschikte de VOC jaarlijks in het gebied van Galle over zo’n vijftig dieren. Engelsman: ‘In 1698 schreef de gouverneur in een enthousiaste brief naar Batavia dat 113 olifanten voor 51.037 rijksdaalders waren verkocht op de veiling. Dat betekende 451 rijksdaalders per olifant, omgerekend meer dan 11.000 gulden. Een ongekend record. Waarvan 97 stuks naar Coromandel.’

Een Hollands 17de-eeuws distributiecentrum van ivoor in West-Afrika.

Jaarlijks 100.000 pond ivoor van 3.000 olifanten

Een heel eind dichter bij huis, aan de West-Afrikaanse kust, was, na goud en slaven, ivoor het belangrijkste exportproduct. Kenmerkend zijn daarom de namen van de gebieden: Goudkust (Ghana), Slavenkust (Nigeria, Togo en Benin) en Ivoorkust. Nederland had daar overal handelsposten en distributiecentra.
In tegenstelling tot de kleinere Aziatische dieren waren de reusachtige Afrikaanse olifanten nauwelijks te vangen. Ze werden meestal vrijwel direct gedood. De West-Afrikaanse handel bestond dan ook voornamelijk uit handel in ivoor, de Aziatische handel in het vervoer van levende olifanten. Het noordelijkste gebied waar olifantstanden vandaan gehaald werden, was Cabo Verde, het zuidelijkst Angola. Bij de ivoorhandel werd onderscheid gemaakt tussen slagtanden van volwassen dieren, doorgaans ‘oliphantstanden’ of kortweg ‘tanden’ genoemd, en de slagtanden van jonge dieren, ‘crevellen’ genoemd. De grote slagtanden, die gemiddeld 35,5 pond wogen, genoten in Europa de voorkeur boven de kleinere, jongere van gemiddeld zes pond, vanwege hun grotere hardheid en lichtere kleur. Het ivoor werd verwerkt in allerlei soorten luxe artikelen, zoals snuifdozen, waaiers, medaillonportretten, kammen en bestek en voor de versiering van meubels. De prijs die de Compagnie daarvoor rekende was één gulden per pond, terwijl die voor crevellen de helft bedroeg.
Tussen 1699 en 1730 werd door de West-Indische Compagnie ruim 1.831.000 pond ivoor met een waarde van circa 1.556.500 gulden vanuit Elmina (Goudkust) naar de Bataafsche Republiek verscheept. Het jaarlijkse gemiddelde bedroeg over die periode ongeveer 61.000 pond. Geschat wordt dat ruim tien procent van alle lading die de Westindische Compagnie vervoerde uit olifantstanden bestond. Waarschijnlijk is dit de helft van wat er werkelijk vervoerd werd, omdat de hoeveelheid die van de kust van Loango-Angola kwam en die via zogeheten (voornamelijk Zeeuwse) lorrendraayers (loerdraaiers) oftewel piratenschepen werd aangevoerd ook ongeveer zoveel geweest moet zijn. Dit betekent dat er jaarlijks ruim 100.000 pond ivoor uit West-Afrika in Nederland kwam, ivoor van gemiddeld ruim 3.000 olifanten per jaar.
René Zanderink

Openingsbeeld: Rembrandts krijttekening Olifant met drie figuren (De olifant Hansken), ongedateerd (1637). (British Museum)

Benieuwd naar het complete artikel? Koop de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu in de winkel voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder