Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

De Birmese Dodenspoorlijn

11 september 2018 Siebrand Krul

Tijdens de Japanse bezetting van Zuidoost-Azië in de Tweede Wereldoorlog bouwden tienduizenden geallieerde krijgsgevangenen een spoorlijn dwars door Siam en Birma, ruim 400 kilometer lang. Uitsluitend handenarbeid met primitief materieel, onder onmenselijke omstandigheden en in een moordend tempo. In deze hel stierven onder meer 3.000 Nederlanders, weggevoerd uit toenmalig Nederlands-Indië.

Voor Japan was het een belangrijke strategische verbinding, toen de weg over zee te gevaarlijk was geworden. Het grootste deel van de dwangarbeiders overleefde de aanleg van de Birmaspoorweg niet.
In december 1941 begonnen de Japanners aan hun opmars. Na hevige gevechten versloegen ze het jaar daarop de Britten en veroverden Singapore en Nederlands-Indië. Op zoek naar een veiligere bevoorradingsroute tussen Birma (thans Myanmar) en Siam (thans Thailand) werd de Birmaspoorlijn aangelegd, berucht als de Dodenspoorlijn. Ook wilden zij het spoorwegnet gebruiken om een aanval op India voor te bereiden. Per spoor zouden de troepen vlotter kunnen aangevoerd worden. Het besluit om de spoorweg te bouwen werd genomen na de beslissende nederlaag van de Japanse marine in de slag van Midway in juni 1942, waardoor die haar overwicht op zee had verloren.

 

 

Massale dwangarbeid

In 1942/43 zetten de Japanners 68.000 krijgsgevangenen en dwangarbeiders aan het werk om die spoorweg aan te leggen, die Birma (Myanmar) met Siam (Thailand) moest verbinden door de bergachtige jungle, om zo de veilige doortocht van militair materieel te verzekeren tussen Singapore en Bangkok en het Japanse front in Birma. De tot dan toe gebruikte zeeroute was immers te gevaarlijk geworden. Niet enkel de bevoorrading, maar ook de verbinding met India speelde een belangrijke, strategische rol in de bouw van de spoorlijn. De Britten hadden de aanleg ervan al in 1910 overwogen, maar het plan snel laten varen vanwege het bergachtige landschap en de tropische hitte. Gevangen genomen Britten, Australiërs, Nieuw- Zeelanders, Amerikanen, Denen en Nederlanders werden gebruikt als dwangarbeiders, of juister, slaven. Dag-in, dag-uit werden ze tot het uiterste gedreven om de bouw van de spoorlijn zo snel mogelijk te voltooien, 415 kilometer lang: 263 in Siam en 152 in Birma. Naast de krijgsgevangenen werden ook meer dan 200.000 Aziatische arbeiders ingezet, Chinezen, Tamils en Indonesiërs die onder valse voorwendselen waren geronseld.

 

Krijgsgevangene W.F. Brinks maakte ter plekke een reeks tekeningen; hier de kookplaats in Kamp Rintin, 9 juni 1943.
(Museon Den Haag)

 

In het vuur van de hel

Vanaf juni 1942 werkten twee ploegen van de eindpunten – Ban Pong in Siam en Thanbuyuzayat in Birma – naar elkaar toe. Alle krijgsgevangenen werden in groepen onder de vele kampen verdeeld die naast de rivieren Kwai Yai en Kwai Noi waren opgericht. Zodra een deel van het traject klaar was, stuurde men de gevangenen naar een ander kamp voor het volgende stuk, aanvankelijk tot honderd kilometer te voet, naarmate de spoorweg vorderde met de trein. Verscheidene bruggen waren nodig. Te Konyu moest dwars door een bergketen worden gehakt. Dag en nacht werd er gewerkt, sommigen krijgsgevangen soms wel achttien uur aan een stuk. ’s Nachts werden er fakkels doordrenkt met dieselolie aangestoken. Van bovenaf gezien leek het weghakken van de rotsen op taferelen uit de hel, de Australiërs noemden het daarom de Hellfire Pass, de pas van het hellevuur. Dit deel van slechts vijf kilometer eiste de hoogste tol. Honderden dwangarbeiders stierven er aan cholera, infecties, verwondingen, uitputting en andere ziektes; velen werden doodgeknuppeld.

 

De Hellfire Pass tegenwoordig.

 

In 1963 bezocht koningin Juliana de Thaise erevelden. Hier is ze bij de herstelde brug over de Kwai.

 

95.000 doden

Slechts driehonderd van de duizend tewerkgestelden overleefden het hellevuur. Op 17 oktober 1943 sloten de railtrajecten van Thailand en Birma op elkaar aan en na krap zestien maanden was de Birma-Siam-spoorlijn voltooid, hoewel Britse ingenieurs in 1910 hadden berekend dat de aanleg minimaal vijf jaar zou duren. De prijs die voor die snelheid werd betaald was hoog: naar schatting 15.000 geallieerde krijgsgevangen en 80.000 Aziaten lieten het leven, als gevolg van ziekte, ondervoeding, uitputting en mishandeling. Dit kwam neer op 38 doden per kilometer. Onder hen bevonden zich minstens 3.000 Nederlandse militairen.
Na de voltooiing moesten de gevangenen zorgen voor het onderhoud en voor het herstellen van de schade, veroorzaakt door de geallieerde bommenwerpers die ook nog eens doden en gewonden maakten, daar de werkkampen naast vitale punten lagen. Na de bevrijding bleven velen fysiek en mentaal getekend. Fred Seiker schreef zijn ervaringen neer onder de titel Opdat wij nooit vergeten; tot op hoge leeftijd bleef hij de Japanse wreedheden aanklagen. Hij overleed als een der laatste overlevenden in 2017, 101 jaar oud.

 

Tekening door Fred Seiker, de laatste Nederlandse overlevende.

 

Verre oorlogskerkhoven

Een groot aantal van de doden die aanvankelijk langs de spoorlijn waren begraven, zijn later bijgezet op drie erevelden: Chungkai en Kanchanaburi in Thailand en Thanbyuzayat in Birma. Deze werden aangelegd op initiatief van de Commonwealth War Graves Commission, de Britse zusterorganisatie van de Nederlandse Oorlogsgravenstichting. Het grootste is dat van Kanchanaburi, 128 kilometer ten westen van Bangkok, waar ook het Death Railway Museum staat. De begraafplaats ligt er dichtbij het vroegere kamp Kanburi, dat als transit fungeerde voor de meeste gevangenen. Meer dan 5.000 slachtoffers onder wie 1.800 Nederlanders zijn hier begraven. Onder hen bevinden zich ook 300 mannen die in Nieke en Changaraya aan ziektes zijn overleden en gecremeerd. Hun as werd op deze begraafplaats bijgezet in twee graven. In Nederland staat een herdenkingsmonument op het voormalig landgoed Bronbeek in Arnhem.

 

F.G. Soeterik legde kort na de bevrijding zijn ervaringen vast in aquarellen. (Museon Den Haag)

 

De oorlogsbegraafplaats van Kanchanaburi in 2017. (Foto Storm Calle)

 

 

Twee bruggen over de Kwai

De filmklassieker van David Lean uit 1957, The Bridge on the River Kwai, werd het bekendste verhaal over de Birmaspoorlijn, hoewel hij een onjuiste voorstelling geeft van de feiten. Enkel Britse krijgsgevangenen komen in beeld, andere nationaliteiten komen niet aan bod. Een commando van de Special Air Service wordt door de jungle gestuurd om de houten spoorbrug met springladingen te vernietigen. Bloedstollend spannend, maar in werkelijkheid waren er in Kanchanaburi twee bruggen, één van staal en één van hout, 200 meter stroomafwaarts voor de aanvoer van materiaal; beide werden in april 1945 vernietigd door bombardementen van de geallieerden. Kritiek was er ook op de al te zachtaardige voorstelling van het kampleven en de dwangarbeid. De filmmakers waren evenwel van mening dat het publiek nog meer wreedheid niet had aangekund. Na de oorlog kwamen de Thaise en Birmese regering overeen om de spoorbanen vanaf hun grens tot op honderd kilometer landinwaarts te vernietigen. De Thaise regering kocht in 1947 de overblijvende spoorlijn op; Nederland participeerde in de opbrengst, wat dan weer aanleiding was voor de overlevenden om schadevergoeding te eisen. Tien jaar later werd het traject tussen Nong Pladuk en Nam Tok heropend, dat nog steeds in gebruik is. De stalen brug over de rivier Kwai werd hersteld en is nog in gebruik voor lokale treinen. Verderop kunnen bezoekers door de Hellfire Pass wandelen. Na 75 jaar is de rest van het Spoor des Doods door de jungle opgeslokt.
(André Capiteyn)

(Openingsbeeld: Aanleg van de Hellfire Pass.)

 

Lees het volledige artikel in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder