Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Fundament van de Lage Landen

28 maart 2018 Siebrand Krul

Een drilpudding, zo zou je de ondergrond van onze contreien met een zekere overdrijving kunnen noemen. Vroeger werd daar rekening mee gehouden door vooral op zandruggen te bouwen. Toen de grenzen daarvan bereikt waren, moesten andere oplossingen worden gevonden. Funderen werd almaar belangrijker. Tegewoordig is de heipaal onmisbaar.

Zonder heien zou bouwen hier ondenkbaar zijn. Wie kent niet het versje: ‘Amsterdam die grote stad, die is gebouwd op palen, en als die stad eens ommeviel, wie zou dat betalen?’ Huygens noemde Amsterdam een averechts mastenwoud. En Vondel rijmde: ‘Keer om de stad, ze is bos van onder’. Overdreven? Voor de bouw van het nieuwe stadhuis op de Dam alleen al, nu het Koninklijk Paleis, werden maar liefst 13.659 heipalen de grond in geslagen. Elders was het niet anders. De heipaal ligt letterlijk aan de basis van onze steden.
Al in de Bronstijd werden op het Europese continent huizen aan oevers op palen gebouwd. Daardoor stonden ze hoog en dus droog. Maar het waren de Romeinen die als eersten bij de aanleg van bruggen de paal als ondergrondse fundering voor de landhoofden gebruikten. Met het verdwijnen van het Romeinse Rijk ging ook veel bouwkundige kennis verloren.

 

Nog tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw werd de stoomhei nog gebruikt. Locatie Amsterdam West, 1955. (Nationaal Archief/Anefo/foto Wim van Rossem)

 

Slietenfundering

Voor het onderheien van de simpele houten woningen van de vroege Middeleeuwen was geen noodzaak. Een eenvoudige ondersteuning met stenen en liggende paaltjes was afdoende. Toen de gebouwen groter werden en van steen zoals kerken, werd een betere fundering noodzakelijk. In het begin waren dat slieten: een bundel van verticaal in de grond gedreven korte paaltjes waarop het gebouw kon steunen. Maar ook deze slietenfundering rustte niet op een dragende laag waardoor verzakken mogelijk bleef. De oplossing was de slieten te vervangen door lange dikke palen en die tot in een dragende zandlaag te brengen, een techniek die vanaf de 16de eeuw opgang maakte.

 

Voor het heien met de Hollandse heistelling waren aanvankelijk tientallen mensen nodig. Amsterdam, Jan Luijken (1649-1712).

 

Zestienstaartse blokken

Dit ‘heien’ gebeurde met de klassieke Hollandse heistelling, een driepotige houten constructie voor palen tot wel twintig meter lang. Er waren heel wat mensen voor nodig om het loodzware heiblok op te hijsen. Een heiploeg van zestig man was geen uitzondering. Door toepassing van katrollen verminderde dat aantal. De zwaarte van het heiblok werd uitgedrukt in het aantal mannen dat voor de bediening nodig was. Zo was er een acht-, tien-, twaalf- of zestienstaarts blok, waarbij de ‘staart’ het touw was waar één man aan trok.
Voordat het heiwerk begon werd eerst een bouwput gegraven. Dat was belangrijk want de houten palen moesten volledig onder water staan omdat anders het hout gegarandeerd zou gaan rotten. Pompen hielden de werkput droog. Na het heien werden de palen tot onder het grondwaterpeil afgezaagd en voorzien van een houten draagconstructie waarop vervolgens een stenen fundering werd gemetseld.

 

Heiwerkers aan het werk in de Van Diemenstraat, Amsterdam. Heiwerkers stonden niet bekend om hun zachtaardige manieren. Het was zwaar en slecht betaald werk. George Hendrik Breitner, ca. 1890-1910. (Rijksmuseum)

 

Vies-natte palen

Het heiblok werd door de heiploeg in dertig slagen of ‘tochten’ opgehesen en losgelaten. Vervolgens was het even rusten en werd er weer dertig tochten gehaald. Een goede coördinatie was daarbij belangrijk. Daarom werd tijdens het heien op de cadans van een werklied gehaald en gevierd: het heilied. Een heilied telde altijd dertig korte regels, net zoveel als er tochten waren. Het was de heibaas die zong en daarom ook wel zanger heette, de heiers hadden hun lucht hard nodig voor het trekken. Wat er ook gezongen werd, de laatste regel luidde altijd ‘strijk en zet’, om aan te geven dat er gerust kon worden. Vaak waren de liedjes nogal dubbelzinnig of ronduit schunnig, met teksten over palen zetten, willige vrouwen en drank. Het heivolk stond bepaald niet bekend om zijn beschaafde manieren. Maar ook het werk was rauw, getuige deze beeldende beschrijving uit 1902: ‘Terwijl de vette klei vastklontert aan hum stugge waterlaarzen, sjouwen de arbeiders om met vies-natte palen, waarvan de afgeweekte schors in goor-bruine vellen losglijdt onder ’t grijpen van hun grove handen’.
Net als ook nu nog was het slaan van de eerste paal een feestelijke aangelegenheid. Die paal werd versierd met groene takken en onder gezang door de buurt rondgedragen. Van de aannemer werd een royale borrel verwacht. Ook de laatste paal werd gevierd. Zo maakt de Groninger Courant van 6 augustus 1852 gewag van een ‘vreugdedag’ vanwege het afsluiten van het heiwerk voor een sluis in het Drentse Hoogeveen: ‘Onder muziek en zang hebben zij over de markt en door het grootste gedeelte van de kom der gemeente den laatsten heipaal, waarop hun zanger geplaatst was, rondgedragen, achtervolgd door een aantal kinderen’.

 

Voorbeeld van een oud heiblok.

 

‘Irriteerende dieselkop’

Heien was eeuwenlang een zwaar en niet ongevaarlijk handwerk. Talrijk zijn de meldingen van dodelijke ongelukken tijdens het heien. In de 19de eeuw deed de stoommachine zijn intrede. Vanaf 1900 werd de stoommachine langzaam vervangen door de veel lichtere en praktische dieselmotor en weer later de dieselhamer (het dieselheiblok). Tot spijt van de verslaggever die in 1939 schreef: ‘De machtige stoomstooten van de stoommachine worden vervangen door een irriteerenden dieselklop, de prikkelende turf- en kolenrook maakt plaats voor een kleverigen oliewalm, die uit een mager pijpje omhoog kringelt en de romantische vuurgloed, waarin de gelaarsde heiers eens zoo forsch en stoer schenen, verdwijnt geheel’.
Ook de aloude houten palen zijn ondertussen zo goed als verdwenen en vervangen door betonnen exemplaren. Het karakteristieke geklop van de hei hoor je nog maar af en toe. Steeds vaker wordt er geboord waarna na het storten van het beton (door dezelfde boor) een ijzeren bewapening in het gat wordt geschoven. Trilschade aan bestaande bebouwing wordt zo vermeden. Maar ondanks al die technische veranderingen blijft heien net als vroeger van fundamenteel belang. Dat staat als een paal boven, pardon, onder water.
(Harry Stalknecht)

(Openingsbeeld:
Heiwerk aan de Van Diemenstraat, Amsterdam. George Hendrik Breitner, ca. 1890-1910.)

 

Lees nog veel meer boeiende historie in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder