Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Trojes ondergang

21 januari 2018 Siebrand Krul

Als de imposante vestingmuren, fundamenten van huizen en massa’s scherven en botten niet de doorslag gaven, dan toch zeker de gouden artefacten. Voor Heinrich Schliemann en vele anderen was er geen twijfel meer: dit was het toneel van de Ilias, hier stond de schone Helena de tweestrijd tussen Hector en Achilles gade te slaan. Schliemann had na uitgebreide opgravingen bereikt waarvoor hij in 1870 naar het noordwesten van Turkije gekomen was.

Niet alleen de archeologische wereld stond op z’n kop. Ook filologen, kenners van de oude geschiedenis en oriëntalisten dwong het nieuws tot herbezinning op hun vakgebied. Maar elke spadensteek in Hisarlik wierp nieuwe vragen op, waar in de decennia die volgden vooral Wilhelm Dörpfeld en – in de jaren dertig – de Amerikaan Carl Blegen een antwoord op probeerden te vinden. Maar ondanks alle navorsingen bleef er veel onopgelost. Daarom onderwierp men in 1988 de heuvel van Hisarlik aan een nieuw onderzoek. Onder leiding van de prehistoricus Manfred Korfmann uit Tübingen begon een internationaal en interdisciplinair team aan een werk dat van 2005 tot 2012 onder leiding van de eveneens Tübingse archeoloog Ernst Pernicka werd voortgezet.

 

Kaart van westelijk Klein-Azië naar gegevens van Schliemann.

Een imposante stad
Doel was om de nederzetting geheel los van de Homerische fictie te onderzoeken – niet ‘met Homerus in de hand’, maar onbevangen wilden de onderzoekers de ruïnes en het omliggende land tegemoet treden. Geen eenvoudige zaak, want Troje was duizenden jaren lang bewoond. Elke generatie sloopte, egaliseerde en vernietigde daarmee de geschiedenis van de heuvel. Hoe ouder de nederzetting, des te spaarzamer de overblijfselen. Dit probleem gaf de laatste jaren aanleiding tot stevige kritiek. Met name de reconstructie van de buiten de burcht gelegen nederzetting stuitte op veel weerstand. Toen het team in 1992 vierhonderd meter bezuiden de burcht een gracht vond, schetste men het beeld van een grote, dichtbebouwde benedenstad, in de veronderstelling met een verdedigingswerk van doen te hebben. Een inwonertal van 10.000 en meer deed de ronde en maakte van Troje een wereldstad en handelsmetropool. ‘Overdreven’ en ‘onbewijsbaar’ waren nog de meest onschuldige verwijten van de tegenpartij in deze ‘hernieuwde strijd om Troje’. Inmiddels is de storm gaan liggen en heeft men gefundeerde kritiek ter harte genomen. Het ‘nieuwe beeld van Troje’ is echter nog altijd indrukwekkend te noemen.

 

Een aan Schliemanns opgravingen toegewezen site in Troje.

 

Muren van drie meter dik
Kennelijk hadden ook de eerste bewoners van rond 3000 v. Chr. al aanzienlijke behoefte aan bescherming, want rond een vlak van zo’n zestig bij zestig meter trokken ze muren op die een dikte van drie meter bereik-ten. In de eeuwen daarop groeide de burcht en daarmee ook de muur. Deze omsloot nu een groter gebied en was voorzien van torens. Erachter was het goed leven, zoals resten van grote, rechthoekige huizen met leemstenen muren op een stenen fundament bewijzen.
Ook buiten de burcht woonden mensen. Diverse handwerkslieden, maar ook boeren hadden zich in een on-geveer negen hectare grote nederzetting gevestigd, die waarschijnlijk met een palissade omgeven was. Dat was geen overbodige maatregel, want het Troje van de Vroege Bronstijd was rijk. De goudschat die Schlie-mann in de burcht vond en aan de homerische koning Priamus toeschreef, stamt namelijk in werkelijkheid uit deze tijd, rond 2300 v. Chr. De bron van deze rijkdom was waarschijnlijk de handel. Diverse vondsten wijzen op handelscontacten met het Egeïsche gebied, de Levant met haar achterland, maar ook met het Baltische en Donau-gebied. Het lijkt erop dat de stad als spil tussen Klein-Azië en Europa fungeerde, al valt er over het handelsvolume niets zinnigs te zeggen. Lonend moet het in elk geval geweest zijn.

 

 

Kolossale tempel
Maar de geschiedenis van Troje was niet louter een opgaande lijn. Er waren ook tegenslagen – stadsbranden, aardbevingen en de nodige belegeringen. Maar hoe hard de stad ook soms getroffen werd, zij richtte zich steeds weer op. Pas rond het jaar 1750 v. Chr. bereikte Troje zijn eigenlijke hoogtepunt. In deze fase (Troje VI in het jargon van de deskundigen) besloeg de burcht een oppervlak van twee hectare. De vijf meter dikke en tegenwoordig nog altijd acht meter hoge vestingmuur had vier openingen, waarvan de zuidelijke poort met zijn geweldige toren het indrukwekkendst was. Door een 3,25 meter brede toegang voerde een licht stijgende, egaal bestrate weg waarover men met paard en wagen tot aan het centraal gelegen paleis kon rijden. Hoe dat paleis er uit gezien heeft, valt niet meer te achterhalen, want op de plaats ervan werd in hellenistische tijd een kolossale Athenatempel opgericht. Wel zijn er nog resten van een gordel van bebouwing rond het centrum, die deels twee verdiepingen hoog was en een imposante aanblik geboden moet hebben.
In het onderhoud van de in de burcht wonende edellieden en hoge ambtenaren werd voorzien door talrijke handwerkers en boeren, die in de steeds verder uitdijende nederzetting ten westen, zuiden en oosten van de burcht woonden. De opgravingen brachten aan het licht dat de kwaliteit van de bouwwerken afnam naarmate zij zich verder van de burcht bevonden. Vlak buiten de muren stonden nog representatieve huizen van leemsteen. Daarna volgde een strook eenvoudige huizen en aan de rand van de nederzetting zullen wel hou-ten hutten gestaan hebben. Dat wil niet zeggen dat de bewoners arm waren, want overal werd gebraden rund- en varkensvlees gegeten. Op het menu stonden verder schaap, geit, everzwijn en damhert. Als bijgerecht at men onder zeer veel meer emer, eenkoren, gerst, linzen, erwten en bonen.

 

Schliemann en Wilhelm Dörpfeld bij de Leeuwenpoort van Mycene.

 

Arbeidsverdeling
Het handwerk floreerde. Hoewel het maar weinig eenduidige sporen heeft achtergelaten, mogen we toch van een hoge mate van arbeidsdeling uitgaan. In economisch opzicht het belangrijkst waren vermoedelijk de ko-perslagers en goudsmeden, pottenbakkers en stellig ook textielwerkers zoals wevers, ververs en kleermakers. Ook voor paardenfokkerij zijn er aanwijzingen. In tegenstelling tot eerdere aannames, veronderstellen de archeologen bij de benedenstad nu een minder dichte bebouwing, aangezien er tussen de huizen ook plaats geweest moest zijn voor akkers en bedrijfsactiviteiten. Hierdoor moesten de aanvankelijk zeer optimistische schattingen van het inwonertal naar beneden bijgesteld worden. Hoewel het omliggende land zeker 10.000 mensen had kunnen voeden, gaan de archeologen nu uit van ongeveer de helft daarvan.
De benedenstad werd beschermd door een vier meter brede en twee meter diepe, droge gracht, zoals voor het zuiden, westen en oosten is aangetoond. Of zich daarachter een echte vestingmuur bevond, zoals men aanvankelijk aannam, of wellicht toch alleen maar een aarden wal, viel tot op heden niet uit te maken.
Met een bewoond oppervlak van dertig hectare kon Troje zich weliswaar niet met oriëntaalse steden meten, maar voor het Egeïsche gebied in de Bronstijd had het een bepaald aanzienlijke omvang. Een stad met cen-trumfunctie kortom, een plaats van regionale en wellicht ook bovenregionale betekenis.

 

De lagen van Troje in een schematisch, maar ook schetsmatig, overzicht.

 

Handelsstad
Ook naar de omvang van het gebied waarover Troje heerste, blijft het gissen. Ontdekkingen in het verre Hattusa, de hoofdstad van het Hettietenrijk, verraden echter wel iets over de naam en de geopolitieke betekenis van dat gebied. Al in het midden van de jaren twintig van de vorige eeuw uitte Emil Forrer, kenner van de oud-oriëntaalse geschiedenis, het vermoeden dat het in Hettitische teksten opduikende Wilusa gelijkstond aan de Griekse naam voor Troje, namelijk Ilios. Ook Joachim Latacz is een aanhanger van deze these. Voor de meeste deskundigen staat inmiddels vast dat het rijk van Alaksandu van Wilusa, dat in Hettitische teksten uit de tijd van koning Muwattalli II (ca. 1290 – 1272 v. Chr.) voorkomt, hetzelfde is als Troas. Dat zou Troje de niet geringe status van hoofdstad van een Hettitische vazallenstaat geven.
De taalkundigen moeten het voor deze interpretatie echter stellen zonder archeologische onderbouwing, zonder vondsten die een onomstotelijk bewijs voor betrekkingen tussen Troa en het Hettietenrijk leveren. Wat vooral steekt, is het totale gebrek aan kleitabletten, waarzonder een regelmatig contact met de Hettieten moeilijk voor te stellen is. Ook het in de jaren negentig ontdekte zegel met Luwisch schrift doet daar niets aan af. Weliswaar hebben we hier voor het eerst van doen met een Hettitische taaluiting, maar het stuk stamt uit het midden van de 12de eeuw v. Chr. en daarmee uit een tijd waarin het ‘oude Troje’ waarschijnlijk al ten onder gegaan was en plaats gemaakt had voor ‘Troje VIIb’, met andere bouwwerken en een andere maatschappijstructuur. De nieuwe stad importeerde goederen uit Anatolië, Syrië en zelfs het verre Egypte, maar de vondsten daarvan zijn zo schaars, dat intensieve handelsbetrekkingen daar niet uit afgeleid kunnen worden.
(Klaus-Dieter Dollhopf)

Te diep gegraven!
Schliemanns opgravingen in Troje

Toen hij in 1873 op de ‘schat van Priamus’ stuitte, was Heinrich Schliemann er zeker van het Troje van Homerus gevonden te hebben, maar zijn enthousiasme had hem verblind. Eigenlijk was het de Engelsman Frank Calvert die Schliemann in 1868 op Hisarlik attendeerde en dus de ontdekker van Troje mag heten. Toch is het vooral Schliemanns verdienste dat de locatie systematisch onderzocht werd. Op zoek naar de stad van Priamus liet hij vanaf 1871 een sleuf van hier en daar wel veertig meter breed van noord naar zuid door de heuvel graven. Tegenwoordig gaat men iets subtieler te werk …
Maar Schliemann leerde van zijn fouten en na verloop van tijd slaagde hij er samen met de architect Wilhelm Dörpfeld in de opeenvolgende bebouwingslagen te reconstrueren. Hun onderverdeling van Troje I tot IX geldt, zij het in sterk verfijnde vorm, nog altijd.

 

Heinrich Schliemann.

 

In 1873 ontdekte Schliemann de ‘huisschat van Priamus’ en voelde zich daardoor gesterkt in zijn vermoeden de stad van Homerus in de onderste laag, direct op de natuurlijke rots, te moeten zoeken. De resultaten die hij boekte, spraken echter een andere taal. Kort voor zijn dood moest hij tegenover de vakwereld (en zijn medewerker Wilhelm Dörpfeld) zijn vergissing toegeven en erkennen dat de schat zo’n duizend jaar ouder was dan het Troje van Homerus geweest zou zijn.

 

Schliemanns mausoleum bij Athene.

 

Nadat hij in 1874 en 1876 met veel succes resten van Mycene blootgelegd had, keerde Schliemann in 1878 terug naar Troje. Hoewel hem het meest aan het homerische Troje gelegen was (volgens zijn indeling de la-gen Troje II en III), onderzocht hij ook de andere bebouwingslagen, probeerde ze te dateren en hun specifieke kenmerken te duiden. Sterker nog: hij betrok nu ook de nabijgelegen heuvel en andere nederzettingen in Troas bij zijn onderzoek en sloeg daarmee de weg in van een integraal onderzoek naar een vestigingsgebied als geheel.
In het nu volgende decennium concentreerde hij zich op het determineren van de vele bebouwingsfasen. Stijlkenmerken en bouwwijzen werden met behulp van een driedimensionaal meetsysteem zorgvuldig in kaart gebracht. Daarnaast begon hij met sonderingen in de benedenstad.
Voorbeeldig was ook Schliemanns interdisciplinaire benaderingswijze, waarin een grote rol voor de natuur-wetenschap was weggelegd. Hij liet bot- en plantenresten, stenen, metalen en aardewerken voorwerpen door specialisten onderzoeken (vooral met de medicus en natuurgeleerde Rudolf Virchow onderhield hij contact) en was daarmee zijn tijd ver vooruit. Ten slotte was hij een van de eersten die de fotografie gebruikten om de opgravingen te documenteren.
In de late Heinrich Schliemann bezitten we kortom een pionier van het archeologische veldwerk. De impulsi-viteit van zijn beginjaren, waarin hij de nodige schade aanrichtte en vaak overhaaste conclusies trok, zij hem vergeven.

(Openingsbeeld: Het door Schliemann gevonden gouden Myceense dodenmasker, het zogeheten ‘Masker van Agamemnon.)

Lees het gehele artikel, en veel meer over Troje en de beschavingen van de Late Bronstijd in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder