Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Doden om te leven

12 december 2017 Siebrand Krul

Oorspronkelijk bedoeld om werkloze emigranten bezig te houden, ontwikkelde het Franse Vreemdelingenle-gioen zich via een rauwe verzameling criminelen en gelukzoekers tot het geduchtste leger in de wereld. Het legioen gaat prat op zijn hoge verliezen en uitzichtloze gevechten. Zijn rol in de koloniale geschiedenis is allesbehalve roemrijk. Maar er blijven meer dan genoeg rekruten; de meesten zijn op zoek naar een nieuw leven, vrijheid en hun eigen grenzen.

In de hete julidagen van het jaar 1830, na de val van koning Karel X, zat Frankrijk met een fiks probleem: duizenden gedemobiliseerde, buitenlandse soldaten, verslagen revolutionairen, vluchtelingen en deserteurs uit alle windstreken. Al met al een even roerige als onberekenbare massa zonder taak of doel. De laatste Bourbons, Lodewijk XVIII en Karel X, hadden hun vertrouwen steeds meer in de bajonetten van vreemde soldaten gesteld en zich met huurlingen uit Zwitserland en van het Hohenlohe-regiment omgeven. Ze koch-ten de trouw van deze lieden met een vorstelijke soldij en gunstige dienstvoorwaarden, die de nijd van de Franse soldaten opwekten. Maar de weerstand tegen het restauratieve bewind van Karel X groeide en in 1828 braken er gevechten uit tussen Franse, in Versailles gestationeerde grenadiers en de Zwitsers. Toen Ka-rel X twee jaar later in ballingschap ging, was het vertrek van de ongeliefde buitenlanders een uitgemaakte zaak.

 

Soldaten van het Hohenlohe-Regiment, voorloper van het Vreemdelingenleger, 1826.

 

Plunderend allegaartje
De nieuwe regering onder ‘burgerkoning’ Louis Philippe van Orléans ontbond eerst de Zwitserse regimenten (op 14 augustus 1830) en toen het Hohenlohe-regiment (op 5 januari 1831). Veel was daar echter niet mee gewonnen, want de soldaten bevonden zich nog steeds in Frankrijk, zij het nu zonder soldij. Aangezien in 1830 niet alleen Frankrijk, maar half Europa in rep en roer was, was ook uit België, Polen en Duitsland een talrijk allegaartje van verslagen revolutionairen en deserteurs het ‘moederland van alle revoluties’ binnenge-komen. Waarheen met hen?

 

1852: een soldaat van het Vreemdelingenlegioen met de kenmerkende rode broek.

 

Oprichting
Oorlogsminister maarschalk Nicolas Jean-de-Dieu Soult, een napoleontische veteraan, wist raad. Hij stelde de oprichting van een nieuw regiment voor, een ‘Légion étrangère’, geheel en al uit buitenlanders met oor-logservaring bestaand en uitsluitend bedoeld om buiten de landsgrenzen ingezet te worden. Zo had hij alle vaderlandsloze elementen bij elkaar – én op veilige afstand van de machtscentra. En aangezien na het napo-leontische tijdperk een Franse expansie in Europa toch niet meer mogelijk was, kon de nieuwe legereenheid mooi een bijdrage leveren aan de nog prille overzeese machtsuitbreiding. Als koloniale macht stond Frankrijk nog in de kinderschoenen en nu kon het aan een imperium gaan bouwen – zonder zijn eigen zonen daarvoor te hoeven offeren. Een zeer aanlokkelijk idee en de regering van de ‘burgerkoning’ gaf dan ook al op 9 maart 1831 haar goedkeuring aan de oprichting van dit vreemdelingenlegioen, waarin alleen buitenlandse rekruten van achttien tot veertig jaar opgenomen werden.

 

Het Vreemdelingenlegioen in actie bij Lizaine, in een vruchteloze poging de Pruisische troepen te stuiten, 1871.

 

Scharlakenrode broek
Het regiment zou net als alle andere uit acht bataljons van elk acht compagnieën van ten hoogste 112 man bestaan en door Franse officieren gecommandeerd worden. De mannen zouden gekleed gaan in konings-blauwe uniformjas, scharlakenrode broek, een zwarte muts in afgeplatte kokervorm (sjako) en een zware, grijze overjas. Het eerste doorgangskamp in Langres, in de Champagne, barstte al snel uit z’n voegen, zo groot was de toeloop van buitenlandse soldaten zonder werk en soldij. Zij werden aanvankelijk naar nationa-liteit gescheiden en in bataljons ingedeeld. Zo bestonden het 1ste, 2de en 3de bataljon overwegend uit oud-leden van de Zwitserse garde en het Hohenlohe-regiment. In het vierde bataljon zaten de Spanjaarden, in het vijfde de Italianen. Het zesde bestond overwegend uit Belgen en Nederlanders, het zevende uit Polen.

 

19de-eeuwse soldaat van het legioen.

 

Paul Frederic Rollet wordt gezien als de grote hervormer van het Vreemdelingenlegioen.

 

Duitse studenten
Van meet af aan ontbrak het het nieuwe legioen aan uitrusting, discipline en leiderschap. Het militaire samen-raapsel stond onder bevel van oude, inderhaast opgeroepen officieren uit het napoleontische leger, dan wel van jonge, onervaren officieren in opleiding. Voor het Franse kader was de dienst in het Vreemdelingenlegi-oen niet aantrekkelijk genoeg. Vooral het gebrek aan ervaren onderofficieren brak op – de hiervoor ingezette Duitse studenten beschikten nauwelijks over praktijkervaring en spraken slecht Frans. ‘Van de 26 officieren hier zijn er maar acht competent,’ beklaagde zich de eerste legioenscommandant, baron Christophe Stoffel. ‘De anderen waren al een tijd met pensioen, zijn buitenlanders of cavaleristen.’ Muiterij, kloppartijen en ern-stig alcoholmisbruik waren schering en inslag.

 

Soldaten van het Vreemdelingenlegioen en zoeaven bij de Slag van Gallipoli, 1916.

 

Legio patria nostra
Om deze ongezeglijke troep iets om handen te geven werden de mannen in november 1831 overgezet naar Noord-Afrika, waar Frankrijk in Algiers inmiddels vaste voet aan de grond gekregen had. Hier groeide de eenheid tot een hecht leger aaneen, dat tot indrukwekkende prestaties in staat bleek. De vele verliezen in de strijd tegen de Algerijnse opstandelingen, het hondenwerk bij de drooglegging van moerassen en in de we-genbouw, de levensomstandigheden in de barre woestijngebieden, ziekten als malaria en cholera smeedden een sterke onderlinge band. Het legioen werd meer en meer het thuis van de mannen, die nu naar eer en ge-weten konden zeggen: ‘legio patria nostra’ (‘het legioen is ons vaderland’).

 

 

Jaren twintig, Noord-Afrika: een mislukte grap van een bataljon van het legioen kost een soldaat het leven. Hij wordt in de woestijngrond begraven.

 

Bir Hachein, 1942: het legioen voert een bestorming uit.

 

Bloedige verliezen
Frankrijk begon het militaire potentieel van de club naar waarde te schatten, al vond dat niet zijn weerslag in een betere uitrusting en ravitaillering. De legionairs werden steeds vaker in benarde situaties als commando’s ingezet en vervolgens nog al eens aan hun lot overgelaten. In 1835 werden ze bijvoorbeeld naar Spanje ge-stuurd om in de burgeroorlog te interveniëren ten gunste van de infante Isabella II en haar moeder Maria Cristina, tegen troonpretendent Don Carlos. Door het legioen onder Spaans bevel te stellen, kon de Franse regering voor haar belangen in het buurland opkomen, zonder een directe verantwoordelijkheid te dragen. De uiterst bloedige strijd, een miserabele bevoorrading en uitblijvende soldij nekten het legioen, dat in de veldslagen bij Huesca en Barbastro zware verliezen leed. Van de 6.000 mannen die in Spanje van boord gin-gen, overleefden er maar 250, die in 1839 uit Spaanse dienst ontslagen werden en haveloos en uitgemergeld naar Frankrijk terugkeerden. Daar had men inmiddels per koninklijk decreet van december 1835 een nieuw vreemdelingenlegioen gelicht, om in Algiers present te kunnen blijven.

 

In Berlijn wordt gewaarschuwd om geen dienst te nemen in het Franse Vreemdelingenlegioen. Het haalt niet veel uit: Duitsers maken met 250.000 man verreweg het grootste deel van de rekruten uit.

 

Saamhorigheid
Het nieuwe legioen betaalde een hoge prijs aan mensenlevens om het Algerijnse verzet te breken en Frank-rijks positie als koloniale macht veilig te stellen. In het moederland circuleerden berichten over heldenmoed en onverzettelijkheid, over eenheden die tot de laatste man vochten omdat ze weigerden de eigen doden of gewonden achter te laten. De ster van het legioen was rijzende. Door de invoering van het Frans als voertaal kon er van een bataljonindeling in nationaliteiten afgestapt worden. Ook dit kwam het saamhorigheidsgevoel ten goede, al liet ook nu de discipline in veel gevallen nog te wensen over, wat de legerleiding met draconi-sche straffen probeerde uit te bannen.

 

Soldaat van het legioen in Indochina, jaren vijftig.

 

Een sappeur van het legioen, met de kenmerkende bijl en baard.

 

Kanonnenvoer
De toegenomen status kon echter niet verhullen dat de legionairs weinig meer waren dan kanonnenvoer ter meerdere eer en glorie van Frankrijk. Tijdens de Krimoorlog (1853-1856) verrekten ze in de loopgraven voor Sebastopol; voor de Italiaanse eenheid stortten ze zich op de slagvelden van Magenta en Solferino in de dood; in Mexico lieten ze voor de belangen van Franse investeerders het leven en in de Duits-Franse Oorlog van 1870/71 stonden velen van hen tegenover hun eigen landgenoten: het op het allerlaatste moment in Tours gelichte vreemdelingenregiment omvatte ook 500 mannen van Duitse afkomst.
Ook daarna schreef het legioen onverdroten verder aan zijn eigen geschiedenis. Die vormt een wonderlijk mengsel van pijn, dood en tranen, moed en verruwing, vastberadenheid en een onberedeneerd saamhorig-heidsgevoel. Het zijn de bestanddelen waar mythen van gemaakt worden.
(Karin Schneider-Ferber)

(Openingsbeeld: Soldaten van het Vreemdelingenlegioen in geposeerde actie in Afghanistan.

 

Het monument voor de gevallenen van het legioen moest worden verplaatst van Algerije naar Frankrijk.

 

De nieuwe G-GESCHIEDENIS is gewijd aan het Franse Vreemdelingenlegioen. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder