Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Lenins linkervuist

27 september 2017 Siebrand Krul

Om de positie van de revolutionairen veilig te stellen richtte Lenin in 1917 een geheime dienst op, de Tsjeka, een voorloper van de KGB. Onder leiding van Feliks Dzerzjinski ontketende deze de ‘Rode Terreur’. Toen hij in 1926 plotseling stierf, slaakten heel wat Russen een zucht van verlichting, want het hoofd van de beruchte geheime dienst, de Tsjeka, had talloze mensenlevens op zijn geweten – volgens sommige schattingen zelfs bijna een miljoen.

Het was vermoedelijk een beroerte die op 20 juli 1926 geheel onverwachts een einde maakte aan het leven de toen 49-jarige Feliks Dzerzjinski. In een pathetische gedenkrede betreurde Jozef Stalin het ‘onherstelbare verlies’ van een ‘laaiende vlam’ die onvoorwaardelijk voor de revolutie gebrand had: ‘De bourgeoisie haatte geen naam meer dan die van Dzerzjinski, de man die de slagen van de vijanden van de proletarische revolutie met ijzeren vuist afweerde. De schrik van de bourgeoisie – zo werd kameraard Feliks Dzerzjinski indertijd genoemd.’

 

Het presidium van de Tsjeka in 1921. Van links naar rechts: Yakov Peters, Jozef Unszlicht, Abram Belenky, Felix Dzerzjinski, en Vyacheslav Mendzsjinski.

 

Haat tegen dwarsliggers

Op 7 december 1917 was de ‘Buitengewone Commissie ter bestrijding van contrarevolutie en sabotage’ opgericht. Uit de Russische afkorting daarvan, CK, ontstond het ook bij ons gangbare letterwoord Tsjeka. De commissie moest helpen de nog prille maatschappelijke veranderingen in zekerder banen te leiden, maar verwerd tot een onderdrukkingsapparaat dat zich bij voorkeur van strafkamp, moord en marteling bediende.
Lenin hoefde niet lang te zoeken naar een specialist voor het vuile werk om de Tsjeka te leiden. De knokige Feliks Dzerzjinski kende hij sinds jaar en dag en hij wist dat de man alles had wat een post als deze vereiste: een gloeiende haat jegens iedereen die de revolutie ook maar in de weg kon staan en toch in staat zichzelf geheel en al weg te cijferen voor de partij. Boris Bazjanov, die enige tijd Stalins secretaris geweest was, schreef later over de Tsjeka-baas: ‘Hij leek het evenbeeld van Don Quichot en had een idealistisch overtuigde manier van spreken […] Het was zonneklaar dat deze man nooit of te nimmer zijn positie zou misbruiken om er persoonlijk beter van te worden en een aangenaam leven te leiden.’

 

Badge van de Tsjeka zoals vanaf 1922 in omloop.

 

Moorddadige willekeur

Feliks Dzerzjinski, in 1877 geboren in de omgeving van Vilnius, stamde uit verarmde Poolse landadel. Als jongeling al stelde hij zijn leven in dienst van de revolutie. Als scholier was hij lid van diverse sociaal-democratische groepen en hij nam actief deel aan de opstand van 1905. Vanwege zijn politieke engagement werd hij meermaals gearresteerd. Toen hij zich in 1917 in Moskou uiteindelijk bij de bolsjewieken aansloot, had hij in totaal elf jaar in de gevangenis doorgebracht.
De macht om over leven of dood te beschikken kreeg hij uit handen van Lenin persoonlijk, die de bourgeoisie ervan betichtte ‘de ergste misdaden’ te begaan. Dat vroeg om een gerichte vervolging, waarbij men ‘niet voor barbaarse strijdmethoden tegen de barbarij terugschrikken’ mocht.
Daarmee maakte Lenin de weg vrij voor een moorddadige willekeur. Niet alleen wie erop uit was de macht van ‘bourgeoisie’, ‘adel’ of ‘clerus’ te verdedigen of vergroten kreeg met opsluiting en geweld te maken – nee, het volstond om tot een van deze groepen te behoren of ook maar met een ‘verkeerde’ achternaam behept te zijn. Zo belandden ook toevallige passanten, winkeliers, officieren, professoren en zelfs kinderen in de gevangenis. Liefst in grote aantallen tegelijk, want dat zaaide angst en maakte de verschillende maatschappelijke groepen kneedbaar.

 

Felix Dzerzjinski.

 

Een klasse vernietigen

Dzerzjinski’s plaatsvervanger Martin Lazis gaf openlijk toe dat het niet om de schuld of zelfs het gedachtegoed van de individuele arrestant ging. Hij schreef in het door de Tsjeka uitgegeven blad De Rode Terreur: ‘Wij voeren geen oorlog tegen individuen. Wij vernietigen de bourgeoisie als klasse. Het onderzoek is niet gericht op bewijzen voor het feit dat de verdachte in woord en daad tegen de Sovjetmacht gehandeld heeft. De eerste vragen die gesteld moeten worden, luiden: ‘tot welke klasse behoort hij en wat is zijn afkomst? Wat zijn opleiding en beroep?’ Dat zijn de vragen die over het lot van de verdachte horen te beslissen. Daarin ligt de betekenis en het wezen van de Rode Terreur.’
In september 1918 begonnen eskadrons van de Tsjeka met de willekeurige executie van talloze leden van de ‘bourgeoisie’. Het doel was bepaalde bevolkingsgroepen te vernietigen en zo de Sovjetmaatschappij te zuiveren van ‘ongedierte’. De Russische schrijver Isaak Babel, die zelf een tijd lang voor de Tsjeka gewerkt had, noteerde op 18 augustus 1920 verbitterd in zijn dagboek: ‘Hels! Zoals wij de vrijheid brengen – afgrijselijk!’

 

Dzerzjinksi met vrouw Zofia en zoon Janek in 1919 in Lugano, Zwitserland.

 

Proletarische Jacobijn

Dzerzjinski, die de bolsjewieken vol bewondering en ontzag de ‘ijzeren Felix’ noemden en die zichzelf als ‘proletarische Jacobijn’ bestempelde, zal in de overtuiging geleefd hebben een toegewijd dienaar van de revolutie te zijn. Waarschijnlijk hield hij zich zelfs voor een mensenvriend, iemand die vooral met de jeugd begaan was. Hij oogstte daarvoor inderdaad lof van de Duitse schilder Heinrich Vogeler, die in 1925 het idyllische Noord-Duitse Worpswede voor de Sovjet-Unie verruilde. Volgens Vogeler had de Tsjeka-baas ontheemde jongeren een betere toekomst geboden. Wat hij er niet bij vertelde, was dat veel jongeren in eerste instantie juist door Dzerzjinski op drift geraakt waren.
In de burgeroorlog van 1917-1923 hadden duizenden opgroeiende kinderen hun ouders verloren, waarna ze in bendes door het land trokken. Voor hen liet Dzerzjinski tehuizen inrichten. Dan hadden ze tenminste een dak boven het hoofd. Bovendien konden ze daar met socialistische ideeën volgestopt worden. Iets dergelijks geldt voor de sportclub Dynamo, die Dzerzjinski in 1923 in het leven riep. De GPOe (‘politiek staatsdirectoraat’, een onderdeel van de NKVD en in 1922 opvolger van Tsjeka) nam het beschermheerschap van die club op zich. Decennia lang bevorderde Dynamo de wedstrijdsport in de Sovjet-Unie en diende tevens als kweekvijver voor de veiligheidsdiensten en de latere KGB.
(Karin Feuerstein-Prasser)

Lees het volledige artikel, en nog veel meer over de Russiche Revolutie, in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!

 

(Openingsbeeld: Het is 1924. De grote roerganger Lenin is gestorven. Zijn kist wordt door zijn naaste strijdmakkers gedragen. Vooraan Dzerzjinski.)


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder