Stelling

Het oprukkend gebruik van de Engelse taal in musea is publieksvijandig

Stem

Agenda

Naar de Oost en de West
In het Nationaal Archief te Den Haag ligt 1,2 kilometer aan archiefstukken van de Verenigde Oost-Indische Compagnie opgeslagen. De tentoonstelling ‘De wereld van de VOC’ is dus slechts een fractie, die niettemin een wijde wereld opent. Geen romantisch jongensboek, wel een duizelingwekkende reis.
Het kleine leven
Het Brusselse Hallepoortmuseum neemt met de nieuwe tentoonstelling Little Life de bezoeker mee naar een kleine wereld, die op wonderlijke wijze het huiselijk leven van de burgerlijke milieus uit de 19de en het begin van de 20ste eeuw verbeeldt. Koken, poetsen, de tafel dekken, het bed opmaken, bezoek ontvangen, een huis inrichten,… het dagelijkse leven blijkt voor het kinderspel een onuitputtelijke inspiratiebron.

Marot, culturele duizendpoot

11 augustus 2017 skrul

Toen de Franse koning Lodewijk XIV alleen nog katholieken in zijn land duldde, in 1685, moesten de Hugenoten ondergronds gaan, zich bekeren of vluchten. Daniël Marot vertrok naar Nederland. Hoewel hij vluchtte voor de godsdienstpolitiek van koning Lodewijk XIV, werd hij in zijn nieuwe vaderland de grote propagandist van de Lodewijk XIV-stijl. In talloze prenten en ontwerpen voor (stads)paleizen verspreidde hij de modieuze trends van Parijs en Versailles onder de rijke Hollandse regenten.

Daniël Marot werd vermoedelijk in 1661 geboren. Zijn vader, Jean Marot, was een bekende graveur en architect. Het is zeker dat een deel van zijn opdrachten rechtstreeks van het Koninklijk hof afkomstig was. De verbouwing van het Louvre in Parijs en daarna de uitbouw van het jachtslot tot het monumentale paleizencomplex in Versailles zorgden ervoor dat de beoefenaars van de kunstambachten in Parijs gouden jaren beleefden. Bij deze ‘artisans’ – een groot deel van hen had Vlaamse wortels – waren de Hugenoten oververtegenwoordigd.
Daniël Marot trad al op erg jonge leeftijd in de voetsporen van zijn vader. Aan twee van de verzamelwerken van Jean Marot (die naar het formaat van de gravures bekend zijn als Le Petit Marot en Le Grand Marot) leverde Daniël een door hem gesigneerde bijdrage. Al op zestienjarige leeftijd werkte hij als zelfstandig graveur mee aan een serie prenten waarin de militaire successen van Lodewijk XIV breed werden uitgemeten. Zo maakte hij gravures van de inname van Maastricht (30 juni 1673), van Besançon (6 mei 1674), van Dôle (6 juni 1674) en die van Ieper (29 maart 1678). Uit deze periode is in ieder geval een twintigtal prenten overgeleverd die met zekerheid aan Daniël Marot moeten worden toegeschreven.

 

Jacob Gole maakte deze prent van Daniël Marot naar een (vermoedelijk verloren gegaan) schilderij van Jacques Parmentier. Beide kunstenaars waren, evenals Daniël Marot, uit Frankrijk gevluchte Hugenoten.

 

Hunne Hoogheden

Nadat Lodewijk XIV het de Hugenoten verbood om hun godsdienst in betrekkelijke vrijheid te belijden, vertrok Marot uit Frankrijk. Het is niet precies vast te stellen wanneer hij naar Holland kwam: op zijn laatst in het najaar van 1686, maar vermoedelijk al wat eerder. Hij vestigde zich in Den Haag. Het is niet moeilijk te gissen naar de beweegredenen voor deze keuze: het hof van stadhouder Willem III. In 1686 maakte hij twee grote en gedetailleerde prenten waarop Willem III en zijn hofhouding centraal staan. Op de ene prent – die bijna een meter breed is en meer dan zestig centimeter – is de jaarlijkse parade van de Haagse schutters voor ‘Hunne Hoogheden’ tijdens de kermis weergegeven. De andere prent geeft een sfeerimpressie van het door ‘H.K.H. de princesse van Oranje’ in Huis ten Bosch gegeven bal bij gelegenheid van het bezoek van de Brandenburgse prins Philip Wilhelm.

 

De Haagse kermis, prent van Marot uit 1686. Links nadert in parade (tussen de kramen door) de schutterij. Bij de poort aangekomen, worden er saluutschoten gelost. Vanuit het raam in het Stadhouderlijk Kwartier kijkt het prinselijk paar toe. Rechts, voor de Kaatsbaan en de Komedie, staat de wacht van de prins te paard opgesteld.

 

Keus voor decoraties

Maar Daniël Marot moet al snel hebben ingezien dat zijn toekomst niet op het terrein van de historieprenten lag. Op het moment dat Marot zich in Den Haag vestigde, was Romeyn de Hooghe de onbetwiste favoriet van de prins van Oranje om de politieke gebeurtenissen en de grote daden van de stadhouder in prenten vast te leggen. Voor architectuurgravures was in Holland weinig animo en voor topografische prenten – wel een populair genre – was de concurrentie te groot. Om deze redenen verzette Marot de bakens en legde hij zich vooral toe op het maken van decoratieve ontwerpen.
Dat was een schot in de roos. De ‘Lodewijk XIV-stijl’ was ook in de Republiek ongekend populair. Bij deze stijl speelt symmetrie een grote rol, maar ook de rijke decoraties en ovale vormen zijn typische stijlkenmerken. Er waren op dat moment in de Republiek maar weinig vakkundige kenners van de Franse stijlvormen voorhanden. Het lijkt erop alsof Marot de lucratieve opdrachten voor het uitkiezen had. Kort na zijn vestiging in de Republiek leverde Marot al zijn bijdrage aan het in Zeist gebouwde slot van Willem van Nassau-Odijk, een gunsteling en bloedverwant van prins Willem van Oranje. Ook in de uitbreiding van paleis Het Loo is de hand van Marot zichtbaar. Het ontwerp van de hoofdtuin was in ieder geval van zijn hand.

 

Op de vaas links een medaillon met Venus en Cupido; op de vaas rechts een medaillon met Cupido en Overvloed. In de grote vazen staan bomen; de kleine vaas is bestemd voor planten. Dit is prent nr. 3 uit een serie van zes die Daniël Marot na 1703 maakte.

 

Vijftig jaar staatspensioen

Toen Willem III in 1688 óók koning van Engeland werd, verhuisde Daniël Marot tijdelijk mee. Na zijn huwelijk op 23 oktober 1694 met de 26-jarige Catharina Maria Golé (een eveneens uit Frankrijk gevluchte Hugenoot) bracht hij enkele jaren aan het Engelse hof door. Zijn oudste kinderen zijn in ieder geval in Engeland geboren. Wellicht keerde Marot naar Holland terug voor de ingrijpende verbouwing van de Trêveszaal in 1696/97 in Den Haag en voor de bouw van het Huis de Voorst (onder Eefde, in de Achterhoek).
Na een kort verblijf in Amsterdam vestigde Marot zich weer in Den Haag. Hier werkte hij vooral in opdracht van stadhouder Willem III aan de esthetische verfraaiing van de stadhouderlijke gebouwen. Een deel van zijn aandacht spitste zich toe op het interieur, maar ook het ontwerp van symmetrische tuinen was een geliefde bezigheid. De onfortuinlijke dood van prins Willem – hij overleed in 1702 aan de complicaties van een ongelukkige val van zijn paard – moet voor Marot een zware slag zijn geweest. Na de dood van zijn belangrijkste beschermheer werd hem als blijk van erkenning en waardering een levenslange toelage van 900 gulden per jaar werd toegekend (in koopkracht tweemaal het jaarinkomen van een geschoolde ambachtsman). Omdat Daniël Marot pas in 1752 overleed, genoot hij precies een halve eeuw dit vorstelijke pensioen.

 

Een overzichtsfoto van de Trêveszaal. Aan de lange zijde drie portretschilderingen van de stadhouders Willem van Oranje, Maurits en Frederik-Hendrik. Half verborgen achter een van de kroonluchters hangt aan de schoorsteenmantel het portret van Willem III.  In deze zaal vergadert het kabinet elke vrijdag. (Monumentenzorg Den Haag)

 

Handel in marmer

Na het overlijden van prins Willem III droogden de lucratieve opdrachten voor Marot enigszins op. In het begin stond hij nog in de gunst van het Friese stadhouderlijke hof. Uit bewaard gebleven correspondentie blijkt dat hij een rol speelde bij de verbouwing van Slot Oranienstein (in Diez an der Lahn) en het buitenverblijf Oranjewoud (bij Heerenveen). Maar al snel moest Marot ook op zoek naar andere bronnen van inkomsten. Hierbij schuwde hij het avontuur niet.
Een curieus voorbeeld is het gat in de markt dat hij in 1707 meende te zien. Marot stond op goede voet met Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau (1666-1726), een kleindochter van prins Frederik-Hendrik en Amalia van Solms en jarenlang regentes van haar zoon Johan Willem Friso (die van 1707 tot zijn verdrinkingsdood in 1711 stadhouder van Friesland en Groningen was). Daniël Marot deed in januari 1707 prinses Amalia het voorstel om een handel in Nassaus marmer te beginnen. Als hem voor de duur van vijftien jaar een monopolie op het delven van marmer in Nassau zou worden verleend, zou hij een compagnie in het leven roepen en de winst gelijkmatig verdelen over een Amsterdamse handelaar, prinses Amalia en Marot. Amalia beloofde het voorstel in overweging te nemen. Alles wijst erop dat het daar ook bij gebleven is.

 

Theodoor van der Schuers plafondschildering in de Trêveszaal. De ovale koepel van het plafond heeft een gestuukte rand van acanthusblad en een in olieverf op kalk geschilderde voorstelling, ‘verbeeldende de Wapens van de Zeven Provinceen, die door Vrouwen worden gedragen, met veel bijwerk van kinderen’. (Monumentenzorg Den Haag)

 


Kariatiden in de Trêveszaal. Ze lijken stucwerk, maar zijn van hout. Gemaakt door Johan Blommendaal. (Monumentenzorg Den Haag)

 

Eens een Fransman, altijd een Fransman

Vanaf 1705 besteedde Marot het grootste deel van zijn tijd aan decoratieve ontwerpen, zoals stoelen, uurwerken, vazen en hemelbedden. En niet te vergeten: praalgraven. Nadat hij kort na 1702 al een (niet uitgevoerd) ontwerp van een praalgraf voor prins Willem III maakte – de Oranjes worden immers in het familiegraf in Delft bijgezet – ontwierp hij pompeuze graftombes voor twee (toen) Beroemde Nederlanders. In de Hervormde Kerk van Rhoon staat het praalgraf van de diplomaat Hans Willem Bentinck en in de Vaste Burchtkerk in Wijckel dat van de vestingbouwer Menno baron van Coehoorn.
Ondanks dat Daniël Marot in de hoogste kringen kind aan huis was, integreerde hij slecht in zijn nieuwe vaderland. Hij schudde zijn Franse veren nooit helemaal van zich af. Hij bleef in zijn werk altijd trouw aan de stijl waarmee hij tijdens zijn jeugdjaren in Parijs en Versailles had kennisgemaakt. Als uitvoerders van zijn ontwerpen koos hij bij voorkeur Franse ambachtslieden en kunstenaars (bij voorkeur van Hugenootse huize). En hij vond zijn echtgenote in dezelfde kring. De twee van hem bewaard gebleven testamenten en de door hem geschreven brieven zijn in het Frans gesteld. Ook zijn kinderen werden in die taal opgevoed en zijn – aldus M.D. Ozinga – ‘niet in hun Hollandsche omgeving opgegaan’. Het is niet duidelijk of hier sprake van ‘oorzaak’ of ‘gevolg’ is, een feit is wel dat al zijn kinderen – Daniël Marot en zijn vrouw kregen minstens zeven kinderen – ongehuwd zijn gebleven. Mede hierdoor werd bij de Volkstelling van 1947 er in heel Nederland nog één persoon geteld die met de achternaam Marot door het leven ging. Niet vreemd dat deze Den Haag als woonplaats had.
(Cor van der Heijden)

(Openingsbeeld: Luchtopname van Paleis Het Loo nabij Apeldoorn en de door Daniël Marot ontworpen tuinen.)

 

Lees het volledige artikel in de nieuwe G-GESCHIEDENIS, en nog veel meer over de Hugenoten. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!

 


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Tussen medailles en pantserauto’s

Militaire attachés zijn deels diplomaat, deels spion. In vredestijd kan het een luxueus leventje zijn, in oorlogstijd wat minder. Andrej Prezjbjano (1885-1963), kapitein van de tsaristische gardecavalerie, werd begin september 1914 door de Russische militaire attaché in Frankrijk doorgestuurd naar het hoofdkwartier van het Belgisch leger. Hij kon natuurlijk in zijn raarste dromen niet bevroeden dat een paar jaar later in zijn vaderland de hel zou losbreken, en zijn positie dramatisch veranderde.

Lees verder

Kroniek

Held van Peotillos

Tweehonderd jaar geleden, op 11 november 1817, stierf de vrijheidsstrijder Francisco Javier Mina voor het vuurpeloton. Mina was een Spaanse militair die vocht als guerrillastrijder in de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog en later de kant koos van Mexico in de Mexicaanse Onafhankelijkheidsoorlog.

Lees verder

Heilige van de week

Theresia van Avilla - 15 oktober († 1582)

De naam Theresia komt waarschijnlijk van het Griekse woord voor warmte, zomer, of het Griekse jageres. Misschien betekent de naam wel bewoonster van het eiland Thera, tegenwoordig Santorini.

Lees verder