Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Klem tussen de grootmachten

05 juli 2017 Siebrand Krul

Aan het hoofd van de Europese Commissie staat een Luxemburger. Daarmee speelt een van de kleinste landen een centrale rol te midden van de grote Europese mogendheden. Net als 150 jaar geleden, toen het maar weinig scheelde of Luxemburg de oorzaak werd van een grote militaire confrontatie tussen Pruisen en Frankrijk.

De Franse minister van Buitenlandse Zaken Moustier ‘is ontevreden over ons en zeer bevreesd voor de toekomst’, schreef Leonardus Ligtenvelt, de Nederlandse ambassadeur in Parijs, aan zijn minister van Buitenlandse Zaken Jules van Zuylen van Nijevelt op 4 april 1867. Hoe had het zover kunnen komen?
Toen in 1866 met het ondertekenen van de Vrede van Praag een einde kwam aan de Pruisisch-Oostenrijkse oorlog, bestond er in veel Europese landen angst voor het koninkrijk Pruisen. De expansiepolitiek van het land, onder leiding van de eerste minister Otto von Bismarck, was velen een doorn in het oog. Aan de vooravond van de oorlog verliet Pruisen de Duitse Bond, wat tot veel ongenoegen leidde bij de Oostenrijkse mede-Bondgenoten. Er ontbrandde een korte maar hevige strijd, waarin het machtige Oostenrijk het onderspit moest delven tegen Pruisen, de militaire grootmacht in opkomst.

 

Telegram uit Berlijn aan minister van Buitenlandse Zaken Van Zuylen van Nijevelt dat Bismarck de uitnodiging accepteert om naar de Conferentie van Londen te komen, 30 april 1867. (Nationaal Archief, Archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken)

 

Huis van Oranje in Duitse Bond

De Duitse Bond was een federatie van Duitse staten en daarmee een soort voortzetting van het Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie dat tijdens de veroveringen van de Franse keizer Napoleon Bonaparte ten onder was gegaan. Op het Congres van Wenen (1814-1816) sloten een groot aantal Duitse vorstendommen en enkele vrije steden een nieuw verbond: de Duitse Bond. De twee grootste en belangrijkste staten daarin waren Pruisen en Oostenrijk, maar ook het groothertogdom Luxemburg maakte er deel van uit. En daarmee speelde het Nederlandse koningshuis eveneens een rol in de Duitse Bond. Bij de totstandkoming van het Koninkrijk der Verenigde Nederlanden in 1815 kwam het groothertogdom immers in handen van de familie Oranje-Nassau. Koning Willem I was daarmee tevens Groothertog van Luxemburg. Vanaf de officiële scheiding tussen Nederland en België in 1839 ging ook Limburg (behalve de vestingsteden Maastricht en Venlo) deel uitmaken van de Duitse Bond.
Direct na het einde van de strijd in 1866 richtte overwinnaar Pruisen een nieuwe statenbond op, de Noord-Duitse Bond. Bismarck zou graag zien dat ook het groothertogdom Luxemburg en Limburg zich daarbij weer aansloten. Maar er waren meer kapers op de kust. De Franse keizer Napoleon III liet eveneens zijn oog op Luxemburgvallen. En die avances hadden meer kans van slagen. Willem III, koning van Nederland en groothertog van Luxemburg, voelde net zoals de meeste Luxemburgers weinig voor de Noord-Duitse Bond. Het kwam hem dan ook niet slecht uit dat Napoleon III Luxemburg binnen zijn invloedsfeer wilde krijgen. Frankrijk was bereid om de gebieden van Willem III (militaire) te beschermen tegen de Noord-Duitse Bond, maar verwachtte daarvoor wel iets terug: het groothertogdom Luxemburg.

 

Willem III koning der Nederlanden en groothertog van Luxemburg 1849-1890. Litho naar een origineel van Jacobus Spoel, tweede helft 19de eeuw. (Rijksmuseum, Amsterdam)

 

In de mangel

De onderhandelingen tussen Nederland en Frankrijk gingen snel van start. Willem III wilde dat ook Pruisen zich daarbij aansloot, maar Bismarck was er niet direct happig op. Persoonlijk was hij geen tegenstander van de plannen met Luxemburg, maar hij vreesde dat het Pruisische parlement dwars zou gaan liggen. Daarom stelde hij voor om de onderhandelingen over de overdracht van het groothertogdom in Franse handen voort te zetten, maar dan in het geheim. Op die manier zou het parlement van Pruisen uiteindelijk voor een voldongen feit gesteld worden.
Die opzet viel al snel in duigen, vooral omdat koning Willem III en zijn onderhandelaar Van Zuylen van Nijevelt openlijk Pruisen bij de onderhandelingen probeerden te betrekken. Daarna escaleerde de situatie in rap tempo: Bismarck sprak zich steeds openlijker uit tegen een overeenkomst tussen Nederland en Frankrijk over Luxemburg. Aan de andere kant liet de Franse gezant er geen misverstand over bestaan dat Frankrijk hechtte aan de mondelinge toezegging van koning Willem III over de verkoop van Luxemburg. Daar nu nog op terugkomen zou militair ingrijpen onvermijdelijk maken. Daarmee zat Nederland in de mangel tussen de Europese grootmachten Pruisen en Frankrijk.
Uiteindelijk liet de Pruisische gezant weten dat als Luxemburg in handen zou komen van de Franse keizer, Nederland een militaire aanval van Pruisen kon verwachten. Dat was een kansloos vooruitzicht, zodat Frankrijk en Nederland de onderhandelingen meteen staakten. Om tot een oplossing te komen werd een internationale conferentie belegd in Londen. Op 11 mei 1867 legden Engeland, Oostenrijk, Italië, Frankrijk, Pruisen, Rusland, Nederland, België en Luxemburg in een verdrag de onafhankelijkheid en neutraliteit van Luxemburg vast. Alle ondertekenaars committeerden zich aan de bescherming van deze status. Pruisen trok zijn legers terug. Groothertogdom Luxemburg maakte niet langer deel uit van een Duitse federatie, evenmin als Limburg, dat de elfde Nederlandse provincie werd.

 

Fürst Otto von Bismarck, door Franz von Lenbach, 1879. (Deutsches Historisches Museum, Berlijn)

 

Kamer en koning botsen

Deze Luxemburgse kwestie had nog een onverwacht resultaat. Het leverde het Nederlandse staatsrecht namelijk de zogenoemde vertrouwensregel op. Sinds de grondwetsherziening van 1848, het werk van Thorbecke, was Nederland een parlementaire democratie met een ministeriële verantwoordelijkheid. De grondwet zei het (en zegt het nog steeds) kernachtig: ‘De koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk.’ Voor elke daad van de koning is dus altijd een minister aan te spreken. Daarmee is nauw verbonden de voorwaarde dat een minister (of een heel kabinet) dan wel het vertrouwen van het parlement moet hebben. Is dat vertrouwen er niet meer (bijvoorbeeld blijkend uit een motie van wantrouwen), dan vertrekt de minister. Daarover ging het tijdens de Luxemburgse kwestie.
De hoofdrol speelde minister Jules graaf van Zuylen van Nijevelt, telg uit een Rotterdams geslacht, maar toevallig in Luxemburg geboren. De Londense conferentie viel tijdens zijn ministerschap (1866-1868). Op 11 mei 1867 werden, zoals gezegd, Luxemburg en Limburg losgemaakt uit de Duitse Bond. Nederland garandeerde mede de onzijdigheid van Luxemburg. Von Bismarck was daarover zeer te spreken en zou tegen Van Zuylen hebben gezegd: ‘Vous avez sauvé la paix de l’Europe’ (U hebt de vrede van Europa gered). De meerderheid van de Tweede Kamer meende echter dat Nederland niets met Luxemburg te maken had en achtte de neutraliteitsgarantie overbodig en gevaarlijk. De Kamer verwierp daarop de begroting van Buitenlandse Zaken. De koning besloot vervolgens niet het kabinet te ontslaan, maar de Kamer te ontbinden.
Een paar maanden later werd de begroting van Buitenlandse Zaken opnieuw verworpen en toen besloot het kabinet af te treden. Willem III weigerde echter Thorbecke, die als Kamerlid zich al heftig verweerd had tegen het ongrondwettelijk handelen van de koning, de opdracht tot vorming van een nieuwe regering te geven. Hij vond nog steeds: ‘De Kamer heeft met de buitenlandse aangelegenheden niets te doen en gij kunt haar dit zeggen.’ Na veel gesputter ging de koning uiteindelijk toch akkoord. Sindsdien is geen kabinet meer aan het bewind gebleven met een beroep op ’s Konings wil tegen een uitspraak van de volksvertegenwoordiging in.

 

Agenda van de documenten ten tijde van de Conferentie van Londen, 1867. (Nationaal Archief, Archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken)

 

Nassauische Erbverein

Tot 1890 bleef de personele unie tussen het Nederlandse vorstenhuis en Luxemburg bestaan. Na het overlijden van Willem III was er geen mannelijke troonopvolger. Wilhelmina werd toen koningin van Nederland, Luxemburg ging over naar de Weilburg-tak. Al ruim een eeuw eerder hadden de verschillende Nassaugeslachten namelijk de Nassauische Erbverein in het leven geroepen. In juni 1783 kwamen de stamhouders van de Oranje-tak, de Weilburg-tak, de Usingen-tak en de Saarbrücken-tak, samen met de vrouwelijke erfgenamen en curatoren voor de nog minderjarige kinderen bij elkaar om afspraken over de erfopvolging vast te leggen. Indien een van de Nassause geslachten in de mannelijke lijn zou uitsterven, gingen de bezittingen over naar een van de andere families. De Oostenrijkse keizer Joseph II bekrachtigde deze overeenkomst op 29 september 1786.
Toen koning Willem III in 1890 zonder mannelijke nakomeling overleed, trad artikel 30 van de Nassauische Erbverein in werking. Op 23 juni 1891 werd Adolf van Nassau-Weilburg uitgeroepen tot nieuwe groothertog van Luxemburg.
(Paul Brood en Arjan Poelwijk, Nationaal Archief Den Haag)

 

Adolf van Nassau (1817-1905), groothertog van Luxemburg 1890-1905.

 

(Openingsbeeld: Kaart van Luxemburg in het Scheidingsverdrag van 1839. (Nationaal Archief))


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder