Stelling

Hobby-archeologen verrijken onze geschiedenis

Stem

Agenda

Oorlog in Vlaanderen
Het is honderd jaar geleden dat de Derde Slag bij Ieper plaatsvond, ook wel de Slag bij Passendale genoemd. Ingezet door de internationale geallieerde coalitie als mijnenslag met als einddoel de controle over de grote havengebieden, werd het een bloedige strijd om een paar kilometer klei. In de Vlaamse Westhoek wordt het beruchte jaar herdacht met zes tentoonstellingen, waaronder een in de Koninklijke Zaal van het In Flanders Field Museum te Ieper.
Gewoon puissant rijk
Twee bijzondere exposities in Noord-Nederland over welstand en fortuin. De oude academiestad Franeker en de voormalige Hanzestad Groningen laten hun voorouders pronken met familiewapens, zilver en kostbare schilderijen. De vooraanstaande leden van de Groningse bestuurderselite hadden doorgaans een huis in de stad en een borg in de Ommelanden of Veenkoloniën. De provincie Groningen telde zo ooit 200 borgen, riante paleisvilla’s met een lange bouwgeschiedenis en een exclusief interieur. Veel huizen zijn gesloopt (er zijn nog zestien te bewonderen), waarmee ook veel kunstschatten op drift raakten.

Scheepschirurgijns in de Gouden Eeuw

24 april 2017 skrul

De scheepsdokter op de lange reizen naar Oost-Azië en andere verre streken was vaak een in praktijk goed opgeleide chirurgijn, maar had de reputatie een onervaren klungelaar te zijn. De scheepschirurgijn stond echter voor een kolossale taak aan boord waarvan hij zich volgens de toen gangbare medische inzichten over het algemeen uitstekend kweet.

In Europa stond de geneeskunde gedurende de Middeleeuwen en nog lang daarna onder invloed van de Grieks-Romeinse arts Claudius Galenus (2de eeuw n.Chr.) die zijn humorentheorie baseerde op de geschriften van Hippocrates (4de eeuw v.Chr.). Het uitgangspunt van deze theorie was dat de gezondheid van de mens afhankelijk was van een juiste balans tussen de vier lichaamssappen (humores): slijm (flegma), bloed (sanguis), gele (cholè) en zwarte gal (melaina cholè). Ziekte was een verstoring van die balans. Tevens werden deze sappen verbonden aan de psychische gesteldheid en onze woorden melancholisch (zwartgallig), flegmatisch en cholerisch (opvliegend) zijn nog een overblijfsel van deze zienswijze. Om een ‘teveel aan bloed’ te behandelen diende een aderlating te worden uitgevoerd. Het kleine aantal artsen dat in de 16de en 17de eeuw praktiseerde, hield zich uitsluitend bezig met diagnostiek als het voelen van de pols, het beoordelen van de uitgestoken tong, het schouwen van de urine en met het voorschrijven van meestal volstrekt onwerkzame medicamenten. Moest er een aderlating worden gedaan of een klysma worden gegeven dan werd dit door de chirurgijn verricht. Vanuit hun maatschappelijke positie keken doctores medicinae echter veelal hooghartig neer op dit eenvoudige handwerk.

 

Uit Chirurgijns Zeekompas. Handleiding
Middelburg, 1679.
(Rijksmuseum)

 

Barbiers: knippen en snijden

Chirurgijns waren opgeleid als handwerkslieden (barbiers) in een meester-gezelsysteem dat werd beheerst door de voorschriften van het gilde. Aderlaten, wondbehandeling, botbreuken en amputatie behoorden tot het werkterrein van de chirurgijn, maar hun expertise liep nogal uiteen, waarbij sommigen zelfs een specialisatie hadden. Zo waren er ‘pokmeesters’ (voor de behandeling van ‘Spaanse pokken’ -syfilis- en andere huidziekten), ‘breukmeesters’, ‘oogmeesters’ en ‘wondmeesters’. Daarnaast bestonden er rondtrekkende ‘meesters’ die op markten en kermissen hun argeloze patiënten behandelden, maar dit waren niet zelden ongeletterde charlatans en beunhazen.
De chirurgijns in de stad hadden meestal een goed lopende barbierswinkel en deden de chirurgie ‘erbij’ al naar gelang zich patiënten aandienden. De opleiding was in handen van het barbiersgilde en bestond uit een leertijd als knecht en gezel. Jongemannen van ongeveer veertien jaar kwamen in huis en in dienst van een meester als ‘knecht’, waarbij de werkzaamheden vaak niet anders waren dan krullen vegen en haar poederen. Na een leertijd van ongeveer twee jaar en een proeve van bekwaamheid (de ‘leerbrief’) vertrokken zij naar de winkel van een andere meester als gezel. Het was de bedoeling dat in deze tijd de gezel het slijpen van een lancet en de aderlating zou leren en een basale kennis van anatomie, botanie en astronomie zou opdoen. Voor studie van de anatomie kon de chirurgijngezel in de grotere steden soms openbare anatomische lessen bijwonen. Na het afleggen van een ‘meesterproef’, waarin de kennis van anatomie, het slijpen van het lancet en de aderlating werd geëxamineerd, konden zij zich vestigen.

 

De Heelmeester. Een chirurgijn brandt een wond uit. Ets van Justus van den Nijpoort, tweede helft 17de eeuw. (Rijksmuseum)

 

Scheurbuik en dysenterie

De Nederlandse scheepvaart maakte aan het eind van de 16de eeuw een enorme bloei door, niet in het minst door reizen naar verre windstreken. Na 1580, toen de Portugese havens voor Nederlandse koopvaarders werden gesloten en de lucratieve specerijenhandel met Portugal kwam stil te liggen, ontstond de behoefte om ook langere reizen te gaan maken naar de bronnen van deze specerijen, Oost-Azië. Op deze reizen werden de eerste scheepschirurgijns meegezonden ter verzorging van de bemanningen. Deze chirurgijns kregen aan boord echter ook te maken met ziekten als scheurbuik, dysenterie en tropische infecties en van hen werd verwacht dat zij deze ziekten zouden behandelen, iets waarvoor zij niet waren opgeleid en wat hun vakbroeders op de wal ten strengste verboden was omdat het behoorde tot het werkterrein van de doctores medicinae.
Door de snelle groei van de scheepvaart ontstond er grote behoefte aan scheepschirurgijns en werden aanvankelijk soms leerling-chirurgijns na een eenvoudig examen (de ‘scheepsproef’) aangenomen op de vloot. In de loop van de 17de eeuw werden de schepen groter en de bemanningen talrijker en zond de VOC een meester-opperchirurgijn, een onderchirurgijn en een chirurgijnmaat mee. De ervaringen die de laatste twee categorieën op reis opdeden kwamen soms van pas om bij terugkomst alsnog de meesterproef af te kunnen leggen en toegelaten te worden tot het gilde.

 

 

Reisverslagen
De scheepschirurgijn had een medicijnkist en een instrumentenkist tot zijn beschikking die hij aanvankelijk zelf moest aanschaffen. Later werden deze door de VOC bekostigd maar kreeg de chirurgijn ook de opdracht om van zijn behandelingen een journaal bij te houden. Deze verslagen dienden bij thuiskomst van een reis te worden ingeleverd, maar het doel daarvan zal vooral een inventarisatie van de mee teruggebrachte medicamenten en instrumenten zijn geweest en minder om te vernemen voor welke medische en chirurgische uitdagingen de chirurgijn had gestaan. Soms werd zo’n ‘journael’ gepubliceerd omdat in deze tijd van ontdekkingsreizen naar verre windstreken dergelijke verslagen gretig aftrek vonden. Vrijwel alle gepubliceerde chirurgijnsverslagen zijn uit de tweede helft van de 17de eeuw en later, zoals de ‘journaels’ van Gijsbert Heecq (1654), Wouter Schouten (1676) en van Nicolaus Graaff (1619-1688) met de omvangrijke titel : Reisen van Nicolaus Graaff na de vier gedeeltens des werelds, als Asia, Africa, America, en Europa. Behelsende een Beschryving van sijn 48 jarige Reise en aanmerkelykste voorvallen, die hy heeft gesien en die hem zyn ontmoet. Van de levenswyse der Volkeren, Godsdienst, Regeringe, Landschappen en Steden, etc. .

Bij de grote mast zult gij hem vinden!

De chirurgijn aan boord behoorde niet tot de officieren en had dan ook hooguit een bescheiden hut op het dek onder de kajuit. Hij hield dagelijks spreekuur, dat door de provoost (opzichter) ’s morgens na het ochtendgebed werd aangekondigd met de oproep: ‘Kreupelen en blinden, laat U door de Chirurgijn verbinden, bij de grote mast zult gij hem vinden!’. Daar werden dan onder het oog van eenieder wonden verzorgd, medicijnen uitgedeeld en chirurgische verrichtingen gedaan. Ongevallen aan boord konden variëren van kleine letsels, gebroken armen en benen tot verbrandingen en levensbedreigende trauma’s. De patiënten waren niet te benijden want pijnstilling was beperkt tot opiumdruppels en de begrippen steriliteit en antisepsis waren onbekend. Wondverzorging en operatieve ingrepen leidden dan ook als regel tot pussende wonden en soms tot ernstig weefselversterf (gangreen). Amputaties moesten niet zelden verricht worden om het leven van de patiënt te redden. Hierin was de chirurgijn dan ook vaardig en snel. Het slachtoffer zal bij de eerste snede door het nog gezonde vlees wel bewusteloos zijn geraakt, waarna met de handzaag het bot kon worden doorgenomen. Bloedende vaten werden met een gloeiend ijzer dichtgeschroeid en de stomp werd verbonden met een ‘liniment’ (smeersel) en linnen lappen.
(Jan de Lint)

 

(Openingsbeeld: Chirurgijn, door Adriaen Brouwer, ca 1638. (Rijksmuseum))

 

Lees de andere helft van dit spannende artikel in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Klanktovenaar in de schaduw

Toen Ry Cooder in 2009 zijn (hoogstwaarschijnlijk) laatste concerten in de Lage Landen gaf, was de cirkel rond. In Nederland boekte hij namelijk in 1972 zijn eerste commerciële succes met een album dat gaat over de Dust Bowl en de Grote Depressie. Zijn empathie voor de kleine man had hij thuis – een communistisch nest van Europese migranten- meegekregen. Gitaar spelen leerde hij al zeer jong na een ongeluk waarbij hij een oog verloor.

Lees verder

Kroniek

Ont-brekend glas

De kranten melden begin september 1947, nu zeventig jaar geleden, dat drie jaar na de bevrijding van Nijmegen, een groot deel van de inwoners nog altijd verstoken is van glas in hun woningen. Dezer dagen echter, kreeg de gemeente de beschikking over 1.500 m2 glas. Hiervan kunnen alle woningen voor de winter van glas worden voorzien. Rijk en gemeente zullen hen, die de direct te maken kosten niet kunnen betalen, financieel tegemoet komen. Op de foto de door gallieerde bommen verwoeste binnenstad met op de achtergrond de Waalburg.

Lees verder

Heilige van de week

Theresia van Avilla - 15 oktober († 1582)

De naam Theresia komt waarschijnlijk van het Griekse woord voor warmte, zomer, of het Griekse jageres. Misschien betekent de naam wel bewoonster van het eiland Thera, tegenwoordig Santorini.

Lees verder