Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Goddelijke plicht

24 april 2017 Siebrand Krul

Medische verzorging, thuis, in een rustoord of in een ziekenhuis, is een verworvenheid van de sociale zekerheid geworden. Tot in de jaren zestig waren religieuzen alomtegenwoordig in de verpleegkunde in rust- en (psychiatrische) ziekenhuizen. Met de verdwijning van deze caritatieve hulp uit religieuze bron kwam een eind aan een bijna duizendjarige traditie die in de Europese kloosters werd ontwikkeld.

Hulp bieden aan zieke of gekwetste pelgrims en reizigers was een daad van christelijke naastenliefde. Die opvang kon maar in het beperkt aantal abdijen en kapittelkerken. Zieke leken die als reiziger of pelgrim aan een abdijpoort aanklopten werden in een afzonderlijke zaal van het gastenverblijf verzorgd. Andere zieken werden bij voorkeur doorverwezen naar een burgerlijk hospitaal. De groei van de steden veroorzaakte een nieuwe dynamiek in de gezondheidszorg. Naast de religieuze en wereldlijke autoriteiten richtten ook rijke mecenassen hospitalen op. Deze goede daad moest hun zielenheil ten goede komen. Meestal werd het hospitaal naast een kerk gebouwd, omdat het een positieve invloed op het zielenheil van de zieke zou hebben.
In feite was het hospitaal vooral bedoeld als een plaats om zich voor te bereiden op een goede dood. Voor contemplatieve religieuzen was dat het belangrijkste doel in hun monastieke leven. Hen werd voorgehouden dat heiligen edel sterven (psalm 115), terwijl zondaars een slecht verlopende dood wacht (psalm 33). Om dat laatste te vermijden diende de religieus(e) de Regel (van Benedictus) te volgen. De dood is er slechts voor het lichaam, niet voor de ziel, indien men vroom had geleefd. Door een sobere en nederige levenswandel, spiritualiteit, goede daden en ijverig verzorgen van zieken en gewonden kon men een goede dood tegemoet zien.

 

Het statige hospitaal van de cisterciënzerinnenabdij van Herkenrode. (Foto auteur)

 

Hospitaalgeneugten?

Alhoewel de spirituele handeling, verbonden aan de verzorging, belangrijker was dan het genezen, werd er in de Regel van Sint Benedictus uit de 6de eeuw toch duidelijk op gewezen dat de abt erop diende toe te zien dat de zieken een afzonderlijke ruimte ter beschikking hadden, plus een godvrezende en zorgzame verzorger. Oudere zieken konden zo vaak als ze wensten een bad nemen en mocht aan de zieken vlees te eten gegeven worden. Indien ze genoeg aangesterkt waren, dienden ze wel weer een vegetarisch menu voorgeschoteld te krijgen.
De ziekenzaal in een abdij werd niet alleen bij ‘echte’ ziekte gebruikt. Religieuzen kregen viermaal per jaar een aderlating, en mochten nadien drie dagen aansterken in de ziekenzaal. Doordat het meestal slechte eten veel maagklachten veroorzaakte, bood de ziekenzaal ook hiertegen soelaas, want de zorgbehoevenden kregen er beter te eten en te drinken. Voordat de abten over een eigen woning beschikten, trokken zij zich met belangrijke geestelijke bezoekers terug in een deel van de ziekenzaal. Zelfs Sint Bernardus van Clairvaux vond het een goede locatie om spirituele gesprekken te voeren. De ziekenzaal is immers naar het oosten gericht, en ligt dichtbij de gewijde locaties: de abdijkerk, de kapittelzaal en het kerkhof. Contemplatiever kan bijna niet. Als oude monniken niet meer mee konden met het ritme en de ontberingen van het normale monnikenleven, werden ze in de ziekenzaal ondergebracht. Zolang ze nog goed ter been waren, werd van hen wel verwacht dat ze de misdiensten in de abdijkerk volgden.
Voor de echte zieke en oude monniken gold de ziekenzaal als een wachtkamer op een goede dood. Wanneer de doodstrijd duidelijk waarneembaar was, werd de gemeenschap gemobiliseerd. De stervende werd op een centrale plaats in de zaal op de grond gelegd, op een laken, op as in de vorm van een kruis of later op de tegels in het midden van de zaal waarin een kruisteken verwerkt was. Daar begeleidden de monniken met een gebedslitanie het afsterven van hun medebroeder.

 

Abdijhospitaal van Aduard.

 

Monniken op bijles

De ziekenzaal van de abdij Aduard heeft de Reformatie en de afbraak van het abdijdomein overleefd dankzij een herbestemming tot hervormde kerk. Het gebouw geeft een beeld over de omvang van de ziekenzaal die ter beschikking stond van de koormonniken. Hier waren volgens de orderegels alleen monniken van de eigen abdij en van de eigen orde welkom. Andere zieken werden aan de poort verzorgd, vrouwen mochten helemaal niet binnen. De omvang geeft een vertekend beeld. Het gebouw was voorzien voor de abdijbezetting van de 12de eeuw met een honderdtal koormonniken. Wanneer de bezetting kleiner werd, werd de ziekenzaal vanaf de late 13de en 14de eeuw onderverdeeld in verschillende compartimenten. Zo kon men in een gebouw de ouderen, de zware zieken en de rustenden na een aderlating beter verdelen.
Het aderlaten was lang de belangrijkste medische ingreep. De abt (!) bepaalde wanneer een monnik dat moest laten doen en hoeveel bloed er dan mocht afgetapt worden. Een bijhorend ritueel zorgde voor een spirituele reflectie op het lijden van Christus aan het kruis. Toch gingen de monniken zich in de 13de eeuw ook interesseren in de feitelijke geneeskunde en werd hulp gezocht bij lekenartsen en werden medicijnen besteld bij apothekers. Abdijen gelegen in de buurt of in een stad riepen nadien altijd de hulp in van geneesheren, chirurgijns en apothekers die hun praktijk in de stad hadden. Alleen in afgelegen plaatsen werd meer aandacht besteed aan de eigen apotheek.

 

In 1938 straalt zuster Boniface tussen dr. Vandevelde, Denise Van Doorslaer, dr. De Breuck en dr. Vandeputte. (Coll. Universiteitsarchief UGent)

 

Miniwereld

Net zoals een abdijdomein verschillende zones en gebouwen had, zo was een ziekenzaal ook een wereld op zich. Naast het hospitaal was er een kapel, een spreekkamer, een refter, een haard, een keuken, een badruimte en een lokaal voor het afleggen van overledenen. Binnen 24 uur diende de overledene trouwens begraven te worden.
Alhoewel in een abdij iedereen God diende, was er toch een sociale segregatie tussen koor- en werkmonniken. Zieke cisterciënzer lekenbroeders werden opgevangen in een eigen ziekenzaal die parallel aan de slaapzaal van de lekenbroeders stond. Mobiele zieke lekenbroeders dienden dezelfde latrines als hun gezonde confraters te gebruiken. Die scheiding werd vanaf de 14de eeuw opgeheven omdat er geen of nauwelijks lekenbroeders meer waren. Indien ze ziek werden, konden ze in de ziekenzaal van de monniken terecht. Daar was de zaal met behulp van houten wanden toch al gedeeltelijk onderverdeeld in kamers.
In het nieuwe hospitaal dat in de monialenabdij van Herkenrode in 1658 werd opgetrokken, volgde de bouwmeester de nieuwe structuur. Tot dan waren er voor zieke koordames slechts enkele kamers beschikbaar in het kloosterpand. Bij de bouw van een nieuw hospitaal voor zieke en oude monialen werd er geen zaal gebouwd, maar een groot huis waarin de zieken in individuele kamers konden worden ondergebracht. De ziekenopvang van de zusters volgden net als bij de gewone reglementen dezelfde evolutie als die van de monniken.
Ook de begijnen volgden het besloten abdijmodel. Binnen hun eigen domein stonden zij zelf in voor de zorg van zieke en oude begijnen. In de grotere begijnhoven was dat een afzonderlijk zaalgebouw met een eigen afgesloten tuin. Daarbij behoorden ook een kapel, keuken en woning voor de ziekenverzorgsters. Een arts en chirurgijn uit de stad werden aangesteld om te helpen.

 

De Bijloke in de winter op een schilderij van J.B. de Noter. 1818. (Stadsarchief Gent)

 

Bijloke als buitenbeentje

De Bijloke in Gent was een buitengewoon geval. De bewaarde ziekenzaal werd in 1251-1255 gebouwd als een hospitaal met veertig bedden, enkel voor leken. Omstreeks 1270 werd naast de ziekenzaal een kapel aangebouwd. Begin 16de eeuw werd er nog een craeckhuys aan toegevoegd. In dit bakstenen gebouw konden ernstig zieken afgezonderd worden, tot de dood hen tussen haar tanden ‘gekraakt’ had. De oorsprong van het hospitaal lag in de stad.
De pieuse Ermentrude Uten Hove stichtte voor 1204 een burgerlijk hospitaal bij haar woning, gelegen naast de Sint-Michielskerk in Onderbergen. Toen het gebouw werd ingenomen door een groep dominicanen, moest naar een nieuwe locatie worden uitgekeken. Na onderhandelingen met de graven van Vlaanderen (Ferrand van Portugal en Johanna van Constantinopel) en de bisschop van Doornik werd in 1228 beslist om een nieuw hospitaal buiten de stadswallen bij de Bijlokemeersen te bouwen. De zorgfunctie werd toevertrouwd aan de zusters van de cisterciënzerinnenabdij Onze-Lieve-Vrouw Ten Bos bij Lokeren, ook een stichting van de familie Uten Hove. Dit klooster lag te ver van het hospitaal en dus werd besloten om op de Bijloke een nieuwe cisterciënzerinnenabdij te bouwen, naast het hospitaal. In 1234 werd de boedelscheiding tussen beide abdijen geregeld. De veiligheid van de zusters werd beter vanaf 1241 toen het Bijlokedomein in de stad werd opgenomen en vanaf de 16de eeuw lag het achter vestingwerken.
(Harry van Royen)

(Openingsbeeld: Jubilerende zusters van het Bijlokehospitaal in 1955.)

 

Lees de andere helft van dit interessante artikel in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder