Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

De Slag bij Mesen in 1917

24 april 2017 Siebrand Krul

‘7 juni, donderdag, Heilige Sacramentsdag. Volle maan en prachtige zomernacht. … Ik ontwaak enige minuten voor 3 uur en natuurlijk is mijn eerste gedachte of de aanval weldra zal beginnen. Mijn kamer is zeer goed gelegen en geen huizen en weinig bomen belemmeren het zicht op Wijtschate…. Het is juist 3 uur en het eerste daglicht begint te schemeren als ik plotseling het reusachtigste en tevens ijselijk prachtigste vuurwerk zie dat ooit in Vlaanderen ontstoken is.’

‘Buitengewoon hevig boven Wijtschate, wat minder aan beide zijden, een ware vulkaan, het is net of het hele zuidoosten vuur spuwt. Geen twijfel: het zijn de mijnen van Wijtschate, Mesen en Hill 60 die aan het springen zijn. Het duurt nog enige seconden voor wij de schokken voelen. Dit is een ware aardbeving, die ruim een minuut duurt. En intussen zijn alle kanonnen van geheel het front, misschien wel duizend in aantal, in werking. Wat een helse muziek, wat een gruwelijk schouwspel! Duizenden kanonnenbliksems en – slagen per minuut onder de vuurregen en kletterende ontploffingen van obussen en schrapnels. Och, ware het geen mensenslachterij, men zou het ‘prachtig’ noemen. … Voor ons, getuigen, is dat niets, maar wat moet het zijn voor die 100.000 mannen die daar leven en woelen in die vuurpoel.’
Dit schreef pastoor Achiel Van Walleghem op 7 juni 1917 in zijn dagboek neer. De 37-jarige Van Walleghem was parochiepriester in Dikkebus, een dorpje zo’n vier kilometer ten zuidwesten van Ieper maar de oorlogsomstandigheden hadden hem eerder gedwongen te vluchten naar het naburige Reningelst. Het is daar dat hij de spectaculaire ouverture aanschouwde van wat later de Slag (of Mijnenslag) bij Mesen zou genoemd worden.

 

Luchtfoto van het voormalige front bij Wijtschate in februari 1918 met rechtsonder de mijnkraters van Petit Bois. (Imperial War Museum, Londen)

 

Kilometers reikende vergezichten

Die veldslag was waarschijnlijk de best voorbereide van de hele Eerste Wereldoorlog en de Britse plannen voor de aanval waren reeds twee jaar vroeger gesmeed. Immers, na de Tweede Slag bij Ieper, in mei 1915, lag de stad als het ware op de bodem van een kom waarvan het front, op een afstand van slechts drie à vier kilometer van het centrum, de rand vormde. Bijzonder vervelend voor de geallieerden was echter dat de hoger gelegen gronden van die Ieperboog stevig in Duitse handen waren. Vooral ten zuiden van de stad was de situatie erg nadelig voor de Britten: de heuvelrug met de plaatsjes Wijtschate en Mesen, zo’n tachtig meter boven de zeespiegel, was niet alleen een door de Duitsers zwaar versterkte stelling die als een wig diep in het laaggelegen Britse front sneed, maar de hoogtes boden de vijand ook kilometers reikende vergezichten waardoor weinig Britse troepenbewegingen hen kon ontgaan. Wilden de Britten ooit de Duitsers bij Ieper verslaan, dan moesten ze hen eerst van de heuvelrug van Mesen verjagen.

 

De kraters van Petit Bois met op de achtergrond Wijtschate. (UGent Vakgroep Archeologie, B. Stichelbaut)

 

Tunnelgravers gebruiken metroboor

Daarom begon het Britse Tweede Leger van generaal Plumer in de tweede jaarhelft van 1915 met het graven van lange en diepe tunnels onder de Duitse posities om er zware dieptemijnen te plaatsen. Een makkelijk werkje was dat niet: de structuur van de grond en vooral de laag dikke Ieperse klei die plaatselijk ook blauwe spie wordt genoemd, speelde de tunnelgravers parten. Het was bijzonder hard werk om door de kleilaag te vorderen. Zelfs een mechanische graafmachine die dienst had gedaan bij het maken van de Londense Underground kwam vast te zitten en zit tot op vandaag zo’n twintig meter diep in de Vlaamse grond. De beste graafmethode bleek het clay-kicking te zijn: daarbij lagen de tunnelers op hun rug en stampten ze met hun voeten een spade de klei in. Op die bijzonder arbeidsintensieve wijze kon men een meter in drie uur graven. Maar de Ieperse klei zorgde nog voor een ander probleem: door haar blauwe kleur kon ze erg makkelijk opgemerkt worden door Duitse vliegeniers die zo zouden vaststellen dat er grote graafwerken aan de gang waren. Het was dus kwestie om de bovengebrachte klei te camoufleren of ver weg te voeren.

 

Australische tunnelgravers aan het werk, 1917. (Imperial War Museum, London)

‘Zero hour’ op 7 juni 1917, 3.10 uur

De hele operatie was een knap staaltje van wat de Duitsers Wehrgeologie noemen, ondergronds militair ingenieurswerk: tunnels van wel 600 meter lang leidden naar niet minder dan 26 ondergrondse kamers met dieptemijnen waarvan de zwaarste zowat 43.400 kilogram springstof bevatte en dat op een diepte van 42 meter. Door zo diep te gaan was men er in geslaagd om de Duitse Pioniere te misleiden: zij waren er van overtuigd dat ze de meeste Britse tunnels hadden ontdekt en met tegenmijnen hadden uitgeschakeld.
De meeste dieptemijnen lagen klaar tegen de zomer van 1916. Maar doordat de Slag aan de Somme, die op 1 juli 1916 was begonnen, niet liep zoals gehoopt, werden alle door de Britten geplande operaties in Vlaanderen uitgesteld. Uiteindelijk werd ‘Zero Hour’ vastgesteld op 7 juni 1917 om 3.10 uur in de ochtend, Britse tijd wel te verstaan. Dat was anderhalf uur voor zonsopgang en er was voorzien dat het zicht zo’n honderd meter zou bedragen.

 

Australische troepen bestuderen een grote maquette van het aanvalsgebied bij Mesen op de vooravond van de Slag. (Australian War Memorial, Canberra)

 

Reusachtige maquette

Voorafgaand aan het grote moment werd er door de Britten 185 kilometers extra spoor en smalspoor aangelegd om verse troepen en munitie aan het Ieperse front te krijgen. Er werden voorraden opgebouwd van duizenden loopplanken om het door de beschieting verwoeste terrein vlot te kunnen doorkruisen en dicht bij de eerste lijn werden verzamelloopgraven gegraven om zoveel mogelijk troepen te kunnen herbergen. Aan de noordzijde van de Scherpenberg werd een reusachtige maquette van de gehele heuvelrug aangelegd: zo konden de manschappen het terrein dat ze zouden moeten veroveren goed bestuderen. Als daar al wat zou van overblijven want in de week voor het grote moment vuurde de Britse artillerie zowat drie en een half miljoen granaten af op de Duitse stellingen ten zuiden van Ieper.

 

In de Slag bij Mesen werd dit gedenkteken opgericht ter nagedachtenis van de soldaten van het 35ste bataljon van het Australian Imperial Force die op 7 juni 1917 waren omgekomen. (Australian War Memorial, Canberra)

 

De grootste ontploffing in de wereldgeschiedenis

Uiteindelijk zouden op 7 juni 1917 van de 26 voorziene mijnen er twintig effectief de lucht ingaan: één was inmiddels onder water gelopen, een andere was door de Duitsers ontdekt en de vier meest zuidelijke mijnen bleken strategisch niet meer van nut te zijn. Maar desondanks was dit nog steeds de grootste geplande ontploffing in de wereldgeschiedenis – een die niet geëvenaard zou worden, niet in kracht en ook niet in aantallen slachtoffers, tot aan de komst van het atoomwapen in 1945.
Zoals ook Achiel Van Walleghem schreef werd de hemel boven Vlaanderen voor een ogenblik verlicht door gigantische vuurkolommen, kort daarop gevolgd door een door de mens gecreëerde aardbeving die naar verluidt zelfs tot in Londen, in vogelvlucht 250 kilometer verderop, werd opgemerkt. Op vijf kilometer van het front, in Waasten, werd Ortskommandant Kurt Zehmisch door de kracht van de explosie uit zijn bed geslingerd, en in Rijsel (Lille), drie uur gaans verder, liepen Duitse militairen in paniek de straat op. De Duitsers aan het front zelf werden verpulverd of onder tonnen aarde begraven. In sommige schuilplaatsen trof men naderhand doden aan die geen enkel zichtbaar letsel hadden en door de druk van de ontploffing waren omgekomen. En zij die de ontploffing wel overleefden waren door de shock nauwelijks in staat te reageren.

 

Resten van de Duitse tegenmijnschacht ‘Dietrich’ in het Campagnebos bij Wijtschate. (Foto auteur)

 

80.000 man vallen aan

Gelijk met de reusachtige ontploffing vielen negen infanterie-divisies, alles samen zo’n 80.000 Engelsen, Welshen, Ieren, Australiërs en Nieuw-Zeelanders, de Duitse stellingen aan, hierin bijgestaan door 72 van de allernieuwste Mark IV-tanks. Door de quasi volledige uitschakeling van de Duitse eerste verdedigingslijn ging dat overal zonder al te noemenswaardige problemen. Zelfs in het stadje Mesen dat van alle zijden een uitstekend zicht op de omgeving bood en waar nogal wat Duitse strongpoints waren zoals de ruïnes van de Hospicemolen (nu het New Zealand Memorial to the Missing), Uhlan Trench (nu het New Zealand Memorial Park) en wat restte van de Romaanse kerk, ging het al bij al vlot, onlangs het feit dat net hier de door de Duitsers ontdekte en dus niet ontplofte mijn zich bevond.
(Dominiek Dendooven, conservator bij In Flanders Fields Museum, Ieper)

 

(Openingsbeeld: Recent veroverde Duitse loopgraven op de heuvelrug van Mesen, 11 juni 1917. (Australian War Memorial, Canberra))

Lees nog veel meer spannende historische verhalen in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder