Stelling

Hobby-archeologen verrijken onze geschiedenis

Stem

Agenda

Oorlog in Vlaanderen
Het is honderd jaar geleden dat de Derde Slag bij Ieper plaatsvond, ook wel de Slag bij Passendale genoemd. Ingezet door de internationale geallieerde coalitie als mijnenslag met als einddoel de controle over de grote havengebieden, werd het een bloedige strijd om een paar kilometer klei. In de Vlaamse Westhoek wordt het beruchte jaar herdacht met zes tentoonstellingen, waaronder een in de Koninklijke Zaal van het In Flanders Field Museum te Ieper.
Gewoon puissant rijk
Twee bijzondere exposities in Noord-Nederland over welstand en fortuin. De oude academiestad Franeker en de voormalige Hanzestad Groningen laten hun voorouders pronken met familiewapens, zilver en kostbare schilderijen. De vooraanstaande leden van de Groningse bestuurderselite hadden doorgaans een huis in de stad en een borg in de Ommelanden of Veenkoloniën. De provincie Groningen telde zo ooit 200 borgen, riante paleisvilla’s met een lange bouwgeschiedenis en een exclusief interieur. Veel huizen zijn gesloopt (er zijn nog zestien te bewonderen), waarmee ook veel kunstschatten op drift raakten.

Beulen, barbiers en chirurgijnen

24 april 2017 skrul

Zij die in de Middeleeuwen de geneeskunst beoefenden, hadden een imagoprobleem. Van de status van moderne artsen konden ze slechts dromen. Toch verstonden zij hun vak, dat nog letterlijk handwerk was. Net als vilders, beulen en doodgravers werkten ze met de minder aangename kanten van het ruwe leven: etterende wonden, openbrekende zweren, open botbreuken en ontwrichte ledematen.

Deze beroepen waren van grote betekenis voor de middeleeuwse maatschappij en stonden toch in een kwade reuk. Heelmeesters hadden een slecht imago en lange tijd slaagden zij er niet in als eerbare lieden gerespecteerd te worden. Barbiers en chirurgijns waren in de Late Middeleeuwen soms uitgesloten van het stadsbestuur, ook al hadden ze zich in gilden georganiseerd. Het feit dat ze er vaak ook badhuizen op nahielden (en daarmee – wie weet – ‘onzedelijk gedrag’ uitlokten) zal daar niet vreemd aan zijn. Desalniettemin vervulden deze ‘handwerkers’ onder de medici een belangrijke functie. Poorters die nooit of alleen tegen hoge betaling een universitair geschoolde arts (geneesheer) te zien kregen, namen voor allerlei kwaaltjes maar al te graag hun toevlucht tot de heelmeesters.

 

Aderlatingsschema, 1499.

 

Chirurgijns en stadsdokters
Vanaf de 14de eeuw werkten hier en daar uit de openbare middelen betaalde, universitair geschoolde stadsartsen, maar die behandelden doorgaans alleen notabelen en hun familieleden. Verder hielden ze alleen een oogje in het zeil bij gast- en leprahuizen voor de armen en in de apotheken. Dat hoefde voor de minderbedeelden geen nadeel te zijn, want een lang praktiserende chirurgijn was zeker niet altijd de mindere van zo’n puur theoretisch geschoolde collega. Bovendien had de medicijnenstudie aan de universiteit indertijd te lijden onder doctrinaire inperkingen, ter voorkoming van ketterse tendensen. Daar kwam bij dat het Noord-Europese vasteland pas betrekkelijk laat zijn eerste universiteiten kreeg (die in Praag dateert van 1348). Men had er toen dus al last van een ‘artsentekort’. Daardoor bleef het overgrote deel van de bevolking op ‘handwerkers’ aangewezen als kwalen zich aandienden.

 

Plekken waar men kan aderlaten. Uit Hans von Gersdorff. Feldbuch der Wundarznei, Straatsburg 1517.

 

Lange leerschool: de praktijk
Net als bij al het andere stedelijke handwerk gold ook in de geneeskunst dat men alleen meester wordt door de tijd en vlijt van een lange opleiding. Wie zich als barbier of chirurgijn wilde vestigen, moest eerst een lange leertijd van vier tot acht jaar bij een erkende meester doorlopen, om daarna nog jarenlang als gezel rond te trekken en bij meesters in den vreemde ervaring op te doen. In de eerste fase van de opleiding werden de leerling de grondbeginselen van de ‘core business’ bijgebracht: scheren, knippen, een bad klaarmaken. Tevens maakte hij kennis met de medische aspecten van het beroep, zoals de kunst van het aderlaten, laatkoppen zetten (nog steeds door alternatieve genezers gepraktiseerd onder de naam cupping), wondverzorging en kleine chirurgische ingrepen. Natuurlijk stonden ook het aanleggen en uitkoken van zwachtels, het aanbrengen van arm- en beenspalken, alsmede het bereiden van zalfjes, kruidenaftreksels en laxeermiddelen op het lesprogramma. Na als gezel rondgetrokken te hebben moest hij ten overstaan van een commissie zijn meesterproef afleggen, voordat hij tot een gilde toe kon treden en zich definitief in een stad vestigen. Bij de uit het barbiersgilde voortgekomen chirurgijnen ofwel heelmeesters werd de proef publiekelijk aan een ‘levend object’ (een patiënt) voltrokken, waarna meesters en gecommitteerden van de raad over zijn toelating beslisten. De vertegenwoordigers van de medische beroepen voldeden dus aan dezelfde opleidingseisen als de leden van de overige gilden, al hadden ze geen bestuurlijke invloed. Klandizie hadden ze evengoed, want iedereen wordt immers wel een keer ziek.

Aambeien snijden, kiezen trekken
Als zoiets zich voordeed, begaf de patiënt zich naar een van de eenvoudige huizen die naast de deur een bont uithangbord hadden met een afbeelding van getrokken kiezen erop, of waar men schotels met aderlatingsbloed in de vensterbank ten toon stelde. De sobere inrichting boezemde niemand schrik in. Er was ook niet meer nodig dan een stoel in de achterkamer, een bijzettafel met scalpels, pincetten, boren, specula, tangen en sondes, eventueel een brits of bed voor wie zich liet purgeren. Het behandelingsspectrum was breed: aambeien en gezwellen opensnijden, kiezen trekken, een breuk fixeren met een in meel en eiwit gedrenkt verband, het aanleggen van kompressen, aanbrengen van zalf, het hechten van wonden met draad van hennep, runder- of schapendarm. De voornaamste ingrepen waren:

Aderlaten
Het universele geneesmiddel van die dagen, vaak toegediend nadat de patiënt een warm bad had genomen. Met een klein mes maakte de barbier een overlangse snee in een ader naar keuze, om dan het bloed in schotels op te vangen. Zijn kunst bestond erin de bloeding weer te stelpen als de gewenste hoeveelheid bloed was afgenomen, waarbij hij ook moest zien complicaties te vermijden. Het mes ging bij voorkeur in de binnenkant van de elleboog, maar bij bepaalde aandoeningen ook in de aderen aan het hoofd of de benen. Een aderlating werd ook preventief ingezet, om conform de vier-sappentheorie de balans in het lichaamsvocht te herstellen. De remedie werd ook aangeraden om besmetting met de pest te voorkomen. Bij uitvoering ervan diende de stand van de hemellichamen in aanmerking genomen te worden.

 

Aderlating. Schilderij van de Brit James Gillray, omstreeks 1805. (Victoria and Albert Museum)

 

Chirurgie
Voor amputaties beschikte de chirurgijn over diverse types zagen en messen. Met een vlijmscherpe, korte zaag kreeg hij in vijftien seconden een onderbeen doormidden. Zijn knechts hielden de op een stoel zittende patiënt in bedwang en drukten deze een spons op mond en neus die gedrenkt was in een narcoticum, zoals scheerlingextract of een opiumoplossing. Voor het stelpen van de hevige bloeding en het voorkomen van wondinfecties moest hij al zijn kunnen aanspreken.

Koppen zetten
Deze lichtere vorm van aderlaten werd toegepast bij mensen met een zwakker gestel. Met gloeiend hete, afgeplatte en cilindrische glazen trok de behandelaar (ook badknechten waren erin geoefend) opengekraste stukken huid vacuüm, waarbij maar weinig bloed uittrad. ‘Koppen zetten bewijst in elke situatie zijn nut, aangezien schadelijke sappen en slijm erdoor afnemen’, meende Hildegard van Bingen. ‘Bij oog-, oor- en hoofdpijn de koppen op de grens tussen nek en rug plaatsen, bij borstkwalen op de schouderbladen, bij pijn in de flanken op elk van de armen en daar waar de hand ophoudt. Bij pijn in de bovenbenen aan de zijkanten van het onderlijf.’ In plaats van koppen zette men ook wel bloedzuigers. De barbier of chirurgijn ving de dieren in helder stromend water en bewaarde ze thuis in speciale glazen. Het verwijderen van de bloedzuigers met as, zout of een ander ‘bijtende’ substantie ging niet altijd even vlotjes.

 

Medisch college aan de universiteit van Salerno.

Kiezen trekken
Cariës was in de Middeleeuwen wijdverbreid. Ontstoken tandvlees als gevolg van een slechte mondhygiëne brandde de heelmeester weg (cauterisatie). Als ook de tandwortel beschadigd was, restten nog slechts extractie en een greep naar de tang.

Cauterisatie
Een pijnlijke methode om hevige bloedingen te stelpen of zwerende wonden schoon te branden. Hiervoor drukte de heelmeester een gloeiend heet ijzer op het aangetaste weefsel. Voor de behandeling van wondranden, abcessen, aambeien en dergelijke aandoeningen beschikte hij over een reeks speciale instrumenten zoals brandstiften, sondes en kegelvormige ijzers. De heelkundige Hildegard van Bingen propageerde een mildere vorm van cauterisatie met organische materialen: ‘Het branden dient te gebeuren met tonderzwam, het merg van de kardinaalsmuts of een ineengeknoopt lapje linnen.’ In deze behoedzamere vorm achtte zij het branden van groot nut voor het beïnvloeden van de lichaamssappen onder de huid.

 

Aderlaten, miniatuur uit het Luttrell-psalmboek. Engeland, 1340.

 

 

Medicatie
Heelmeesters beschikten ook over een uitgebreid assortiment geneesmiddelen, die zij zelf toebereidden uit plantaardige en minerale grondstoffen, maar ook wel kochten in de apotheek en van reizende handelaars. Ze voorzagen hun patiënten van zalf, pleisters, kompressen en aftreksels. Vooral naar braak- en laxeermiddelen, bedoeld om parasieten en wormen kwijt te raken, bestond grote vraag. Spoel- en zweepwormen, brede lintwormen en aarsmaden, waarvan resten in middeleeuwse riolen zijn gevonden, kwamen zeer veel voor. Vandaar dat het toedienen van purgeermiddelen voor barbiers een even alledaagse handeling was als het aderlaten.
Hoewel de methoden van de vroege Westerse geneeskunst ons nogal drastisch voorkomen, hadden ze wel degelijk resultaat. Het wijdverbreide aderlaten bijvoorbeeld verlaagde het ijzergehalte in het bloed en remde daarmee de vermeerdering van bacteriële ziekteverwekkers. Ook bij hoge bloeddruk en overgewicht was aderlaten een zinvolle behandeling. Het jodiumrijke zeewier dat men voorschreef bij kropgezwellen had doorgaans een positieve uitwerking. Zelfs het weinig frisse appliceren van schapenkeutels op open wonden kon onder bepaalde omstandigheden goed uitpakken, doordat de uitwerpselen schimmels bevatten die een soort penicilline aanmaken.
Men leerde nu eenmaal al doende in die dagen. Zelfs de scherprechter, die men in gewone doen uit de weg ging, zocht men maar wat graag op met een ontwrichte ledemaat of een brandwond – zaken waar de man als folterknecht een gedegen kennis van had opgedaan. ‘Mumia’, lichaamsdelen van terechtgestelden, kon je trouwens ook bij hem kopen.
Het meeste baat had men echter vaak van een bezoek aan een van de Joodse artsen, die toegang hadden tot de medische literatuur in het Arabisch. Velen van hen hadden zich toegelegd op de behandeling van oogziekten.
Wat de reputatie van barbiers en chirurgijnen schaadde, was dus niet hun vermeende onkunde, maar hun van de hand in de tand levende, de jaarmarkten afreizende concurrentie. Zwervend volk dat met veel bombarie ten tonele verscheen en hoog van de eigen ‘specialistische’ kunde opgaf. Als de kiezentrekkers, staarstekers, breuk- en steensnijders, verkopers van Haarlemmer olie de stad aandeden, verwerd de geneeskunst tot een grote show, die handig inspeelde op de nieuwsgierigheid en het voyeurisme van het publiek. Ze stelden wonderbaarlijke genezing in het vooruitzicht en hadden zich allang uit de voeten gemaakt als het bedrog uitkwam. Niet voor niets waarschuwde de humanist Sebastian Brant zijn tijdgenoten: ‘De kwakzalver, hoe hij praktiseert, alsof hij al’ ziekte van je weert … Zo’n dwaas kan je in de afgrond storten, voor je het weet, je ’t leven korten!’
Hoewel het stadsbestuur de voorwaarde stelde dat dit zwervende volkje bij gemeenteraad en gildemeesters om toestemming vroeg voor het beoefenen van zijn ‘kunsten’, kreeg men niet echt vat op het probleem. De kwakzalverij droeg er in elk geval toe bij dat de geneeskunst lange tijd slecht aangeschreven stond. De vorsten zetten zich daar echter overheen. Zij hadden te velde bekwame chirurgijns nodig. In 1406 vond de Duitse koning Wenceslaus het nodig alle barbiers voor eerbare lieden te verklaren. Op de Rijksdag van Augsburg in 1548 nam keizer Karel V hen nogmaals uitdrukkelijk in bescherming. De weg naar het hoge aanzien dat medici tegenwoordig genieten was echter nog lang en bezwaarlijk.
(Karin Schneider-Ferber)

 

In de nieuwe G-GESCHIEDENIS nog veel meer artikelen over geneeskunst in de Middeleeuwen. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Klanktovenaar in de schaduw

Toen Ry Cooder in 2009 zijn (hoogstwaarschijnlijk) laatste concerten in de Lage Landen gaf, was de cirkel rond. In Nederland boekte hij namelijk in 1972 zijn eerste commerciële succes met een album dat gaat over de Dust Bowl en de Grote Depressie. Zijn empathie voor de kleine man had hij thuis – een communistisch nest van Europese migranten- meegekregen. Gitaar spelen leerde hij al zeer jong na een ongeluk waarbij hij een oog verloor.

Lees verder

Kroniek

Ont-brekend glas

De kranten melden begin september 1947, nu zeventig jaar geleden, dat drie jaar na de bevrijding van Nijmegen, een groot deel van de inwoners nog altijd verstoken is van glas in hun woningen. Dezer dagen echter, kreeg de gemeente de beschikking over 1.500 m2 glas. Hiervan kunnen alle woningen voor de winter van glas worden voorzien. Rijk en gemeente zullen hen, die de direct te maken kosten niet kunnen betalen, financieel tegemoet komen. Op de foto de door gallieerde bommen verwoeste binnenstad met op de achtergrond de Waalburg.

Lees verder

Heilige van de week

Theresia van Avilla - 15 oktober († 1582)

De naam Theresia komt waarschijnlijk van het Griekse woord voor warmte, zomer, of het Griekse jageres. Misschien betekent de naam wel bewoonster van het eiland Thera, tegenwoordig Santorini.

Lees verder