Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Wonderlijk klein ongedierte

16 januari 2017 Siebrand Krul

De wondere wereld van de insecten staat in de belangstelling. 2017 wordt het ‘Insectenjaar’ met tentoonstellingen, symposia en de heruitgave van werk van geleerden en kunstenaars die zich eeuwen geleden vol verbazing met de ‘kleine dierkens’, bezig hielden. De meeste zien we op stillevens die werden opgetuigd met een vlindertje hier en een kevertje daar.

Aristoteles wist het zeker; muizen ontstaan in het graan, bladluizen worden geboren in dauwdruppels, maden kruipen uit rottend vlees en vliegen komen uit het stof. Hij noemde het spontane generatie en verbaasde zich over de wondere wereld van het kleine ongedierte. Eeuwen was men ervan overtuigd dat er zomaar vormen van leven kunnen ontstaan. Degenen die zich aan het begin van de 17de eeuw bezighielden met insecten, waren theologen. De Statenvertaling had daarop grote invloed. De met veel zorg tot stand gebrachte teksten werden tot op de komma bestudeerd. Er was aanleiding genoeg voor dominees om eens een preek te houden over de vlijtige mieren, de alles verwoestende sprinkhaan of het kunstige werk van de spinnen, die bovendien overal binnen wisten te dringen. Neem bijvoorbeeld teksten als: ‘Ga tot de mier gij luiaard, zie haar wegen en word wijs’ (Spreuken 6:6). Of: ‘En hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan’(Psalm 48:46) een regel over de straffende hand des Heren. Of de curieuze tekst: ‘De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen. (Spreuken 30:28). Of de voor zich sprekende tekst: ‘Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan gegeten… enz. (Joël 1:4).

 

Johannes Goedaert op een prent van Reinier Persijn naar een schilderij van Willem van Eversdijck. (Rijksmuseum Amsterdam)

 

De bijenkoning…

Natuurlijk was er de imker die onder zijn ogen het wonderlijke leven van de bijen aanschouwde, de huisvrouw die ondanks haar goede zorgen maden uit het vlees zag kruipen, of het avontuurlijke kind dat rupsen ving en die tot zijn verbazing zag veranderen in poppen waar op een goede dag kleurige vlinders uit kwamen.
Het zit anders dan we denken, zei de Leidse hortulanus Dirck Cluyt (1546-1598). Hij observeerde zijn bijen en kwam tot de conclusie dat er een hoofdbij was die hij de bijenkoning noemde. De koning legde smalle langwerpige ‘zaadjes’ in de raat. De bijen droegen voedsel aan in de vorm van dauw, modder en stof uit bloemen. Daarna werd het kamertje in de raat met was afgesloten totdat een jonge bij naar buiten kroop. Aldus Cluyt in zijn boekje Van de byen, een tweespraak, zoals in die tijd gebruikelijk was, met zijn voorganger en vriend Carolus Clusius. Prompt werden de bijen onderwerp van preken en emblemata, als een eendrachtig samenwerkend volk onder de leiding van een koning.

 

De fabel van de beer die bij het honing snoepen een korf omver werpt en zich de woede van de bijen op de hals haalt. Moraal: bemoei je niet met andermans zaken. Prent van Marcus Gheeraets uit 1567. (Rijksmuseum Amsterdam)

 

…blijkt een koningin, jammer voor de metafoor

In Middelburg was Johannes Goedaert ( 1617-1668) bezeten van de metamorfose van insecten. Hij moest bestaan van zijn vak als kunstschilder, maar al zijn vrije tijd stak de goeie man – en dat moeten we letterlijk nemen want Johannes was volgens zijn tijdgenoten een beminnelijk mens – in het bestuderen van insecten. Hij verzamelde rupsen, maden en insecteneitjes en legde vol verbazing de veranderingen vast in teksten en tekeningen.
Hij gaf de insecten Hollandse namen zoals Klok-luyer (Atalanta) en Gulsigaert (Kleine Vos). Zijn vrienden bewonderden zijn werk en haalden Goedaert over tot publiceren. In 1660 verscheen het eerste van drie delen met de titel: Metamorphosis Naturalis. Het derde deel verscheen in 1669, een jaar na het overlijden van Goedaert.
Jan Swammerdam las het boek en haalde zijn schouders op. ‘Er staat veel onzin in’, was zijn kritiek. Swammerdam bestudeerde insecten met het blote oog, maar maakte ook gebruik van de microscoop. Hij beschikte zowel over een scherp oog als over een vaste hand en zag kans om insecten te ontleden en hun ingewanden in nauwkeurige tekeningen weer te geven. Zo ontdekte hij dat de zogenoemde koning der bijen over vrouwelijke voortplantingsorganen beschikte en dus een koningin was. Daarmee viel het veelvuldig gebruik van de bijenmetafoor in het water. Een volk, geleid door een koningin kon immers niet vergeleken worden met de besturen van die tijd, met uitsluitend mannen aan het roer. Van Swammerdam verscheen in hetzelfde jaar 1669 zijn Historia Insectorum Generalis ofte Algemeene Verhandeling van de Bloedeloose Dierkens. Swammerdam constateerde dat zelfs de allerkleinste insecten zich geslachtelijk voortplanten en dat de leer van de ‘spontane generatie’ onzin was. De vrome geleerde, die af en toe zweefde op het randje van godsdienstwaanzin, vond de gedachte aan spontane generatie zelfs een vorm van godslastering. Het zou immers een onderschatting van de schepping zijn om te beweren dat insecten spontaan ontstaan. Swammerdam zag de hand des Heren tot in de kleinste diertjes. De afschuw van uit modder, vuil en kadavers voortgekomen schepselen sloeg om in bewondering.

 

Toen de Lutherse predikant Jan Brandes in 1778 werd beroepen door de gemeente in Batavia, maakte hij op zijn reis en na zijn aankomst schetsboeken vol tekeningen en aquarellen van de mensen en dieren die hij zag, zoals dit blad met insecten. (Rijksmuseum Amsterdam)

 

Bewonderaars en verzamelaars

De frivole dichter en kasteelheer Jacob Westerbaen kon op zijn buiten Ockenburgh geen genoeg krijgen van het turen door een microscoop. Door een mug gestoken dichtte hij vol verbazing over het venijnige aanvalswapen van het insect:

Hoe dat hij met de punt van zo een dunne snuit
door menig dikke huid kan boren zonder buigen,
daar nog een goot in is, waardoor hij bloed kan zuigen?

Gelaten noteert hij verderop:

De mugge zuipt mijn bloed, de vlieg komt bij mij drinken
en eet van mijn kapoen (haantje) en doet de reste stinken.

Kooplui en regenten breidden hun rariteitenverzamelingen uit met kasten vol vlinders en kevers. Zij gebruikten hun contacten met de VOC en de WIC om insecten uit Azië en Amerika te laten komen. Het kabinet van de Delftse medicus en burgemeester Henricus d’Acquet was vermaard. Maar de verzameling van Levinus Vincent overtrof alles. De handelaar in damast had een aparte zaal vol vitrines met dieren op sterk water en ladenkasten vol met insecten. Hij liet een geïllustreerde catalogus drukken die ieders verbazing wekte en ontving veel belangstellenden in zijn kabinet. Buitenlandse gasten schreven dat een bezoek aan Holland niet compleet was zonder een bezoek aan het kabinet van Vincent. Hij werd twee keer weduwnaar en toen hij voor de derde keer trouwde, had hij de pech dat zijn vrouw niets wilde weten van insecten en andere ‘enge dieren’. Er zat voor hem niets anders op dan zijn collectie te verkopen.

 

Frontispiece in ‘Wondertoneel der nature’ van Levinus Vincent uit 1715. Afgebeeld is het enorme rariteitenkabinet van Vincent, met bezoekers. (Universiteit Straatsburg)

 

Schouburg der Rupsen, Wormen, Maden

Sommige verzamelaars kozen ervoor om er als een ‘Prikkebeen avant la lettre’ zelf op uit te trekken met een vlindernetje, potjes en doosjes. Verzamelaar Steven Blankaert wijdde het laatste hoofdstuk van zijn boek Schouburg der Rupsen, Wormen, Maden en Vliegende Dierkens, aan het vangen van insecten.
Als je mooie vlinders wilt hebben, moet je ze zelf uitbroeden, want ‘als sy gevlogen hebben, verliesen haar verwe (kleur) wel’. Om vlinders onbeschadigd te kunnen vangen, adviseerde hij een fijn zijden netje aan een lange stok. ‘Wanneer dan eenig beesjen stil sit, laat men het netjen daar over vallen, en men steekt door het netje een spelt in de borst van het Vlindertjen, ’t welk men dan in een doos set’. Hij had een lugubere oplossing voor het opzetten van spinnen: ‘.. wanneer men twee Spinnen by malkanderen in een doos set, soo sal de een den anderen uitsuigen, en het lighaam sal niet indroogen, gelyk het ordinaris (gewoonlijk) doet’. Insecten trokken ook de aandacht van kunstenaars als interessante bron van inspiratie.
(Ruud Spruit)

(Openingsbeeld: Insecten en vlinders, met linksboven een ééndagsvlieg of haft, geschilderd op koper door Jan van Kessel (detail). (Rijksmuseum Amsterdam))

Lees de rest van dit boeiende artikel in de nieuwe G-GECHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder