Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Van dorpspomp tot verkoopdoos

16 januari 2017 Siebrand Krul

‘De pompbediende, z’n taak is zwaar. Voor iedereen staat zo’n jongen steeds klaar. Maar langs de wegen, door het gespuis, soms komt zo’n jongen nooit meer naar huis.’ Met het nodige drama zongen in 1974 de Zangeres Zonder Naam en Johnny Hoes een duet over het vermeende harde bestaan van de pompbediende. Ondertussen is diezelfde pompbediende zo goed als verdwenen.

Benzinepompen zijn haast zonder uitzondering zelfbedieningen en de benzinestations zijn ‘servicestations’ geworden waar ‘servicemedewerkers’ allerhande producten en diensten aan de man proberen te brengen.
Een wereld zonder benzine lijkt ondenkbaar. Je zou bijna vergeten dat deze brandstof ruim honderd jaar geleden nog als een afvalproduct werd gezien. Voordat benzine en de benzinemotor in zwang raakten was petroleum het meest succesvolle aardolieproduct. Het werd gebruikt voor verwarming, koken en verlichting.

Benzine dankzij de auto

De komst van de auto tegen het einde van de 19de eeuw bracht daar verandering in. In 1859 construeerde de Belg Étienne Lenoir de eerste explosiemotor. Carl Benz ontwikkelde in 1883 de eerste benzinemotor. Gas, petroleum en benzine vochten een tijdlang om de gunst van de autofabrikanten. Benzine won uiteindelijk het pleit. Wie langere ritten wilde maken, nam de brandstof in kannen zelf mee, want pompen waren er nog niet. Dat ondervond de vrouw van Benz, Bertha Benz, in 1888. Zij was die dag op pad met de driewielige auto die haar man had ontworpen. De geplande 120 kilometer lange rit van Mannheim naar Pforzheim bleek net te ver. In het plaatsje Wiesloch was de laatste druppel brandstof verbruikt. Bij de apotheek van Willi Ockel kon gelukkig een aantal flessen wasbenzine op de kop worden getikt. Sindsdien geldt de apotheek in de hoofdstraat van Wiesloch als het eerste ‘tankstation’ ter wereld.

 

Een man vult omstreeks 1920 de tank van een Franse Decauville,
model ca. 1900.

 

Brandstof halen bij de apotheek

Met de groeiende populariteit van de auto werd de noodzaak van een uitgebreid netwerk van brandstofpunten meer en meer voelbaar. Wie met de automobiel op pad ging, moest zijn reis goed voorbereiden. Er kwamen gidsjes op de markt met daarin de plaatsen waar brandstof kon worden gehaald. De Nederlandse ANWB erkende zogenoemde bonds-benzinedepots. In 1905 waren dat er 91. Zulke depots konden bijvoorbeeld rijwielwerkplaatsen, drogisten of apotheken zijn. De brandstof werd verkocht in grote statiegeldblikken van maximaal tien liter. De nog jonge oliemaatschappijen begrepen maar al te goed dat benzine niet meer het waardeloze afvalproduct was waarvoor het lang was gehouden. Henri Helding, bestuursvoorzitter van de Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij, bekende al in 1906: ‘De verkopen gaan schitterend, ik vind voor iedere druppel benzine een markt’.
Daar was geen woord van overdreven. Benzine was ‘booming business’. Er kwamen nu ook straatpompen waarmee rechtsreeks benzine in de tank van de auto kon worden geheveld. In Nederland verscheen de eerste in 1920 voor hotel Pabst in Zeist. Twee jaar later volgde België. Ondertussen was de klant gewend aan benzine in afgemeten blikken. Hoe wist men dat de pomp de betaalde hoeveelheid benzine ook echt leverde? Hiervoor werd deze van een glazen reservoir met schaalaanduiding voorzien. Die werd gevuld om vervolgens in de benzinetank te worden geleegd. Voila! In de jaren dertig verschenen de eerste elektrische pompen met telwerk. Hierbij verraadde een rotor in een kijkglaasje het stromen van de benzine naar de auto. Dat tanken gebeurde toen nog enkel door pompbedienden. Zelf tanken was uit den boze.

 

De eerste Nederlandse straatpomp stond voor hotel Pabst in Zeist,
1920.

 

Eerste zelfbedieningspompen

De eerste pompen waren een allegaartje. De oliemaatschappijen probeerden daar verandering in te brengen. Esso kwam al voor de oorlog met een ‘Handleiding ter verbetering van aanzien en service-verleening van Standard-garages’ met daarin richtlijnen voor kleurgebruik en reclame. De nieuwe tankstations die de grote maatschappijen in de jaren dertig lieten bouwen waren vaak een toonbeeld van moderniteit met strakke, zakelijke lijnen en lichte, frisse kleuren. De bijbehorende kiosken waren van glas. Toen na 1945 het snelwegennet zich gestaag uitbreidde werden ook daar pompen geplaatst. Dat betekende dat er in een relatief korte tijd veel pompen moesten worden gebouwd. De maatschappijen kozen voor standaardstations van moderne materialen, niet zelden ontworpen door architecten van faam, zoals Dudok en Van Ravesteyn.

 

Benzinestation ontworpen door Sybold van Ravesteyn aan de
Apeldoornseweg in Arnhem.

In 1947 werden in de Verenigde Staten de eerste zelfbedieningspompen geplaatst, pas in de jaren zestig volgden Nederland en België. Voortaan kon de automobilist zelf de slang hanteren en daarna bij de kassa afrekenen. Er kwamen automaten waarbij het mogelijk was na inworp van geld te tanken. Daarmee was zelf de pompmedewerker feitelijk overbodig.
(Harry Stalknecht)

 

De eerste pompen
hadden een glazen reservoir
met schaalaanduiding
dat eerst moest
worden gevuld.

 

(Openingsbeeld: Van de benzinestations die door Willem Dudok zijn ontworpen bestaan er nog twee. Het station op de afbeelding stond oorspronkelijk aan de Rijksweg 2, afslag Vinkeveen. In 1995 is het verplaatst naar automuseum Autotron te Rosmalen. Het andere station is nog actief en staan aan de Turfsingel, kop Boterdiep, in Groningen.)

Lees het volledige artikel (en veel over Luther en 500 jaar Reformatie) in de nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder