Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Duitsland en de Vlaamse activisten

22 oktober 2016 Siebrand Krul

In 1916 werd het academisch jaar aan de Gentse rijksuniversiteit in twee bedrijven geopend. Op 21 oktober kwam baron Moritz von Bissing, het hoofd van het Duitse bezettingsbestuur, de gebouwen overdragen aan de rector en de senaat. Drie dagen later volgde een opening zonder Duitsers. De rector, de Luxemburger Peter Hoffmann, hield een toespraak over de sociale rol van de hogescholen. Opmerkelijk was dat deze plechtigheid in het Nederlands verliep en niet in het Frans zoals sinds decennia het geval was.

De ‘Vlaamsche Hoogeschool’ was geboren, ze zou twee jaar later in alle stilte verdwijnen, samen met de bezetter en zijn Flamenpolitik. Omstreeks 1900 was Frans de dominante taal in België, ook in Vlaanderen. Wie iets wilde betekenen in de politiek, de administratie, gerecht en onderwijs, handel of industrie, moest Frans spreken en schrijven, tot grote ergernis van een groeiende groep Vlaamsgezinden (flaminganten) die vonden dat Vlaams (Nederlands) een prominentere plaats in het maatschappelijk leven moest krijgen. De voornaamste eis van de Vlaamse Beweging werd de vernederlandsing van de rijksuniversiteit van Gent. Deze moest de Nederlandssprekende elite (advocaten, artsen) opleiden die het hele Vlaamse volk tot ontwikkeling kon brengen. In 1914 leek de realisatie van dit project langs parlementaire weg nog veraf. De tegenstanders wilden het baken van de Franse cultuur in Gent tot elke prijs behouden en vonden Nederlands niet eens geschikt als taal voor een universiteit.

 

Dominee Domela op de kansel van de Vlaamsche Olijfberg in Gent.

Dominee Domela op de kansel van de Vlaamsche Olijfberg in Gent.

Nederlandstalig

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en de Duitse bezetting van het grootste deel van België schiepen voor de radicale flaminganten onvermoede kansen. Te Gent zag al in oktober 1914 een clubje het licht dat de hulp van Duitsland vroeg om een einde te maken aan het verfranste België en een aparte Vlaamse staat op te richten. Deze jongeren verkozen als hun ‘leider’ een 44-jarige Nederlander, namelijk Jan Derk Domela Nieuwenhuis, de Duitsgezinde dominee van de hervormde kerk in Gent (en neef van de bekende Nederlandse anarchist Ferdinand Domela). De club noemde zich Jong-Vlaanderen en pleitte aanvankelijk voor de inlijving van Vlaanderen bij Duitsland om de Franse invloed volledig te kunnen uitroeien, maar zwakte dit snel af tot toenadering, mét behoud van de Nederlandse taal en cultuur. Over de gewenste verhouding met Nederland waren de meningen verdeeld.
Berlijn interesseerde zich voor die Vlaamse kwestie. Zo vond kanselier Theobald von Bethmann-Hollweg dat Duitsland de sympathie van de cultureel en taalkundig verwante Vlamingen moest trachten te winnen (‘bloed blijft bloed’) om met hun steun de militaire en economische afhankelijkheid van België te kunnen realiseren zonder dit land te blijven bezetten. In die geest stuurde hij eind 1914 instructies naar baron von Bissing, de Duitse gouverneur-generaal in Brussel. Omdat deze wist dat de anti-Duitse stemming in het bezette gebied de gevraagde ‘Flamenpolitik’ erg bemoeilijkte, wou hij de zaak heel discreet en terughoudend aanpakken en waarschuwde hij Berlijn meteen tegen de fantastische wensdromen van de Gentenaars. Later zou hij hen de ‘vooruitijlende lichte cavalerie’ noemen. De eigengereide Domela zou overigens de hele oorlog lang ‘cavalier seul’ spelen.

 

Carel Gerretson (midden) volgt een partijtje schaak van een paar activistische vrienden. Links Leo Picard.

Carel Gerretson (midden) volgt een partijtje schaak van een paar activistische vrienden. Links Leo Picard.

Vlaamse kwestie

Jong-Vlaanderen kreeg in februari 1915 toestemming, geld en andere hulp om met een eigen dagblad te beginnen. In De Vlaamsche Post (die hun tegenstanders De Vlaamsche Pest doopten) wilden ze hun ware ideeën evenwel slechts geleidelijk onthullen. Jong-Vlaanderen probeerde alvast in andere steden gelijkgezinde kernen op te richten en dat viel niet mee. Nog andere flaminganten bleken wel bereid met de Duitsers samen te werken maar dat leidde, net zoals in Gent, tot pijnlijke discussies met Vlamingen die daar vierkant tegen waren. In Brussel verscheen de Gazet van Brussel al dagelijks vanaf december 1914 met een mengeling van pro-Duitse en Vlaamsgezinde artikelen. Wie erachter zat, mochten de lezers niet vernemen. In Antwerpen kwam het in juni 1915 tot een breuk tussen de Vlaamsgezinden toen, na een discussie met de Duitse censuur, alle Antwerpse kranten behalve één beslisten niet meer te verschijnen. Onder impuls van de leraar August Borms beloofde Het Vlaamsche Nieuws verder de Vlaamse belangen te verdedigen.
Veel Belgen waren bij het uitbreken van de oorlog naar Nederland gevlucht en de discussie in Vlaanderen stak al snel de Nederlandse grens over. Begin 1915 kwam in Amsterdam De Vlaamsche Stem uit. Dit ‘algemeen Belgisch dagblad’, gesticht door enkele uitgeweken flaminganten, liet zijn Belgische koers na een half jaar helemaal varen. Daarvoor zorgde de 31-jarige Nederlander Carel Gerretson. Tijdens zijn studies in Brussel was hij bevriend geraakt met Leo Picard, nu hoofdredacteur van De Vlaamsche Post die hem als medewerker aanwierf. In de Gentse krant verdedigde Gerretson de samenwerking met de Duitse bezetter en ontvouwde hij zijn loyauteitstheorie: de Vlamingen hoefden slechts loyaal te zijn tegenover de Belgische overheid als deze hun belangen behartigde en dat was niet het geval. In de zomer van 1915 kocht hij via stromannen, met Duits geld, de aandelen van De Vlaamsche Stem op en eenmaal baas benoemde hij twee nieuwe hoofdredacteurs, de filoloog Antoon Jacob en de volksdichter René De Clercq. Deze laatste had al heel wat patriottische verzen geproduceerd en had zelfs de Vlaamse successchrijver Stijn Streuvels de mantel uitgeveegd omdat er Duitsvriendelijke passages in diens oorlogsdagboek stonden. Hij deed dat met de striemende regels:
Geen vriendschap, geen vriendschap,
Geen vriendschap onder de helm,
Wie met hen hand in hand kan staan,
Is in het hart een schelm.

 

De Gentse hoogleraar Paul Fredericq, die gedeporteerd werd als tegenstander van de vervlaamsing van de universiteit door de bezetter, in zijn kamer in het kamp van Gütersloh.

De Gentse hoogleraar Paul Fredericq, die gedeporteerd werd als tegenstander van de vervlaamsing van de universiteit door de bezetter, in zijn kamer in het kamp van Gütersloh.

Activisme en eerste martelaars

Gerretson verzekerde de Duitse legatie in Den Haag – die hem ‘onze Groot-Nederlandse vertrouwensman’ noemde – dat niemand het fijne van zijn putsch kende, dat alle medewerkers dachten dat ze met een Hollands-Vlaamse onderneming te maken hadden, en dat het van het grootste belang was dat dit zo bleef. In een ‘Open brief aan onze vrienden in Vlaanderen’ liet de nieuwe hoofdredactie weten dat ze weliswaar het herstel van het koninkrijk België wenste, maar niet van ‘een staatsorganisme dat de Vlaamse ziel verdrukt’. Ze pleitte daarom voor een federaal stelsel met zelfbestuur voor Vlaanderen en Wallonië. In zijn blad lanceerde Jacob de termen ‘actieven’ en ‘passieven’. Zo werd activist de benaming van een flamingant die met de Duitsers wilde samenwerken om Vlaamse eisen te realiseren en noemde men passivist een Vlaamsgezinde die dergelijke samenwerking afwees. De Belgische regering, die zich in de Franse havenstad Le Havre teruggetrokken had, liet het duo niet betijen. De Clercq werd afgezet als leraar en Jacob geschrapt van de lijst van de kandidaat-leraars. Zo had het activisme zijn eerste twee martelaars. De Clercqs rijmende repliek met de titel ‘Aan die van Havere, toen zij vergaten dat ook Vlaanderen in België lag’, werd een klassieker in activistische kringen.

 

Peter Hoffmann, de rector van de Vlaamse Hogeschool.

Peter Hoffmann, de rector van de Vlaamse Hogeschool.

Universiteit Gent vernederlands

Dé grote doorbraak van de Flamenpolitik en het activisme kwam er eind 1915, toen von Bissing aankondigde dat hij de Gentse universiteit wilde vervlaamsen. Veel flaminganten begonnen te twijfelen: ze konden deze hervorming, waarvoor ze reeds jaren ijverden, toch niet afwijzen, ook al kwam het initiatief van de vijand. Bovendien meenden sommige juristen dat de gouverneur-generaal juridisch bevoegd was om de onderwijstaal te wijzigen. De meeste personeelsleden waren het daar niet mee eens. Slechts een handvol heren durfde of bleek bereid aan die ‘Vlaamse Hogeschool’ te doceren. De Duitsers dachten er niet aan terug te krabbelen. Eerst deporteerden ze naar Duitsland de twee professoren die ze als de leiders van het verzet beschouwden, vervolgens gingen ze op zoek naar nieuw personeel, ook in Nederland. Om gemakkelijker kandidaten te vinden zwaaiden ze met hogere salarissen en financiële garanties. Zo konden ze net voldoende lesgevers aanwerven om te starten.
Maar het was ook niet eenvoudig studenten te vinden. Theoretisch waren er meer dan genoeg. Er stonden al drie lichtingen van het voortgezet onderwijs (humaniora) te wachten om met universitaire studies te beginnen, maar voor velen kwam de Vlaamse Hogeschool niet in aanmerking. De publieke opinie, ‘een dwingeland, waarbij de Duitse keizer Wilhelm niets is’, was tegen de vervlaamsing door de Duitsers, omdat ze alles afwees wat de Duitsers ondernamen, noteerde een flamingant. Verder stelde hij vast dat de afkeer voor de Duitsers al op de activisten overgeslagen was en dat alle vrijwillige omgang met de bezetter als landverraad veroordeeld werd. Niet alleen de sociale druk maar ook de vele praktische problemen eigen aan de bezetting (vervoer, huisvesting, voeding) schrikten veel jongeren af. Bij de start van de Vlaamse Hogeschool waren ze slechts met een zestigtal.
Vóór de oorlog zochten de Vlaamse studenten elkaar op in regionale en politieke verenigingen, maar nu besloten ze, naar Nederlands voorbeeld, een ‘corps’ op te richten dat alle uitingen van het studentenleven zou omvatten en alle politiek zou uitsluiten. Voor de gezelligheid moest een ‘sociëteit’ instaan. Als hoofddeksel verkozen ze de Nederlandse baret boven de Vlaamse studentenpet, Het model deed een beetje aan een bakker denken, zodat de Gentenaars de studenten spottend de ‘banketbakkers van de keizer’ noemden.

 

De Vlaamse Hogeschool telde slechts een paar meisjesstudenten, onder wie Hendrika Mahy, hier met haar baret van eerstejaars (één ster).

De Vlaamse Hogeschool telde slechts een paar meisjesstudenten, onder wie Hendrika Mahy, hier met haar baret van eerstejaars (één ster).

‘Macht in Vlaamse handen’

Voor de Duitse Flamenpolitik en een aantal activisten was de vernederlandsing van de Gentse universiteit slechts een begin. Een volgend stapje was de splitsing van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in een Franstalige en een Nederlandstalige vleugel. Von Bissing ondertekende dit besluit daags na de opening van de Vlaamse Hogeschool en benoemde zes activisten aan het hoofd van de Vlaamse afdeling. ‘Macht is nu gelegd in Vlaamse handen en daarvan zal gebruik gemaakt worden ten bate van ons volk’, schreef één van hen enthousiast aan een vriend. Vóór de Duitsers verder wilden gaan vroegen ze dat de activisten zich zouden verenigen met de ‘bestuurlijke scheiding’ van het land als programma. Dan konden de Duitsers de verdere splitsing van België als een eis van de Vlaamse Beweging voorstellen.
Toen er eind 1916 even van vredesgesprekken sprake was, realiseerden enkele activistische kopstukken zich dat samenwerking noodzakelijk werd om de belangen van Vlaanderen op de verwachte vredesconferentie te kunnen verdedigen. Dat mochten ze in elk geval niet aan de Belgische regering overlaten. Op zondag 4 februari 1917 kwam in Brussel een ‘landdag’ samen waarop de 125 aanwezigen een manifest goedkeurden dat stelde dat het oude België, ‘met zijn traditionele politiek van ontvlaamsing’, niet hersteld mocht worden, en dat het vredesverdrag alle maatregelen moest bevatten ‘die moeten leiden tot de volledige ontplooiing in eigen taal van onze Vlaamse nationaliteit’. Verder eiste dit manifest dat de Duitsers de bestuurlijke scheiding in alle ministeries zouden doorvoeren en dat al hun ingrepen ten voordele van de Vlamingen na de oorlog behouden bleven. Ten slotte meldden ze dat ze een Raad van Vlaanderen verkozen hadden om hun wensen te realiseren. Deze raad telde aanvankelijk 46 leden, maar op de eerste vergadering was slechts de helft aanwezig.

 

Op de vlag van het Gents Studentencorps ‘Hou ende Trou’ prijkten bovenaan de Nederlandse driekleur en de Vlaamse leeuw. Onderaan de Gentse leeuw en twee handen die de fakkel van de wetenschap torsen.

Op de vlag van het Gents Studentencorps ‘Hou ende Trou’ prijkten bovenaan de Nederlandse driekleur en de Vlaamse leeuw. Onderaan de Gentse leeuw en twee handen die de fakkel van de wetenschap torsen.

‘Geheime ontmoeting’ in Berlijn

Met de bezetter was afgesproken dat een afvaardiging bij de Duitse kanselier verslag zou uitbrengen en hem de Vlaamse eisen zou voorleggen. Dat moest in het grootste geheim gebeuren, want alle betrokkenen beseften dat een dergelijk bezoek geen goede indruk zou maken. ‘Het volk staat niet aan onze zijde, maar we moeten het tegen zijn wil genezen’, was het uitgangspunt. Op 3 maart 1917 ontving von Bethmann-Hollweg een delegatie van zeven man in Berlijn. Tot hun verbijstering verscheen er een verslag en zelfs een groepsfoto in de Duitse pers. Vooral de ‘bieravond’ – het ging om stijve receptie – die op de ontvangst gevolgd was, wekte in het bezette land veel verontwaardiging.
De kanselier beloofde zijn bezoekers dat de Duitsers de gevraagde administratieve splitsing van België zo snel mogelijk zouden doorvoeren en zowel bij de vredesonderhandelingen als daarna de vrije ontwikkeling van de Vlaam¬se stam zouden bevorderen. Al op 21 maart 1917 tekende von Bissing een besluit dat België in twee bestuurlijke gebieden verdeelde. Vlaanderen bestond voortaan uit de Vlaamse provincies plus de arrondissementen Leuven en Brussel, Wallonië uit de Waalse provincies plus het arrondissement Nijvel. Brussel werd de hoofdstad van Vlaanderen, Namen die van Wallonië.

 

Op 7 maart 1917 trokken zeven activisten naar Berlijn om aan de kanselier de bestuurlijke splitsing van België te vragen. Tot hun schrik en afgrijzen verscheen hun foto (met een Duitse begeleider) in de Duitse pers.

Op 7 maart 1917 trokken zeven activisten naar Berlijn om aan de kanselier de bestuurlijke splitsing van België te vragen. Tot hun schrik en afgrijzen verscheen hun foto (met een Duitse begeleider) in de Duitse pers.

De Duitsers splitsten eerst hun eigen administratie. Zo kwam er een apart burgerlijk bestuur voor Vlaanderen, met de Beierse ambtenaar Alexander Schaible aan het hoofd. Bij de verdere verdeling van het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Kunst kreeg Vlaanderen de Koninklijke Bibliotheek en het Rijksarchief toegewezen. Dan volgden enkele andere ministeries zoals Landbouw, Binnenlandse Zaken en Justitie. Financiën raakte nooit helemaal gesplitst. Post en Verkeer hielden de Duitsers liever in eigen handen, Buitenlandse Zaken en Defensie kwamen wegens de oorlogssituatie niet ter sprake. Een verordening van 9 augustus 1917 bepaalde dat Nederlands de enige bestuurstaal in Vlaanderen werd. Zo was het voortaan verboden Frans te spreken in de Gentse gemeenteraad.
(Daniël Vanacker)

Dit is het eerste van twee artikelen over de Flamenpolitik in G-GESCHIEDENIS. Koop het nummer in de winkel voor de hele bijdrage, en vanaf 2 november de nieuwe editie met deel 2 en slot.


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder