Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Rijker dan de bourgeoisie

21 september 2016 Siebrand Krul

Sinds Thomas More in 1516 in Leuven zijn ‘Utopia’ uitgaf, heeft de mensheid vergeefs gezocht naar een perfecte wereld. Tussen alle plannen van hemelbestormers is er één experiment geweest dat bijna een eeuw wist stand te houden. Dat van de Franse ondernemer, politicus en architect Jean-Baptiste André Godin. In zijn familistère was er plaats voor individuele verdiensten en vormden de sociale voorzieningen het equivalent van de rijkdom van de bourgeoisie.

De Utopiërs van More woonden in stenen rijwoningen van drie hoog, met veel licht en lucht aan de voor- en achterzijde. De deuren gingen niet op slot want er was geen privé-eigendom, en om de tien jaar werden de woningen bij lottrekking geruild.
Licht, lucht én ruimte waren ook de uitgangspunten van het modeldorp in het Noord-Franse Guise dat Godin (1817-1888), op alle vlakken een autodidact, voor zijn arbeiders ontwierp met evenveel precisie als de schetsen van zijn kachels. Inspiratie haalde hij bij zijn ideologische leermeester Charles Fourier (1772-1837), een van de grondleggers van het socialisme die in zijn werken een wereld beschreef waarin iedereen zijn talenten kon ontplooien. Fouriers phalanges waren coöperatieve gemeenschappen van 1.600 tot 1.800 personen die een phalanstère bewoonden. De plattegrond van zo’n gebouw bestond uit een centraal gebouw met twee, vooruitspringende vleugels zodat een paradeplein ontstond. Dat model verwees op zijn beurt naar hét paleis van onderdrukking en ongelijkheid, namelijk dat van Versailles. Godin nam de indeling over en sprak voortaan van zijn ‘Palais Social’.

 

Feest voor een burgerlijke plechtigheid want in de familistère was geen plaats voor godsdienst. De bewoners gebruikten de balustrade als balkon.

Feest voor een burgerlijke plechtigheid want in de familistère was geen plaats voor godsdienst. De bewoners gebruikten de balustrade als balkon.

Gemeenschappelijk
Tussen 1859 en 1879 bouwde Godin op wandelafstand van zijn kachelfabriek drie rechthoekige parallellogrammen, met elkaar verbonden door drie passages. De drie woonblokken samen telden tien jaar later 490 appartementen en boden onderdak aan 1.748 bewoners. De indeling van de ruimtes was simpel en praktisch. Een familistère telde drie verdiepingen, door brandmuren verdeeld in ruimtes van honderd vierkante meter. Die ruimte bestond doorgaans uit twee appartementen met een gemeenschappelijke vestibule. Een doorsnee appartement telde twee grote kamers van twintig vierkante meter en enkele functionele bergplaatsen, inclusief wasruimte.

 

Het paradeplein met het standbeeld van Godin.

Het voorplein met het standbeeld van Godin verwijst naar de ‘Cour d’Honneur’ van Versailles en zovele andere koninklijke paleizen.

Geen hiërarchie
Naargelang het aantal kinderen kon het aantal kamers uitgebreid worden tot vier of zes. Godin koos heel bewust voor de familie als hoeksteen van zijn samenlevingsmodel, vandaar ook de naam familistère en het symbool van de bijenkorf. Geen enkel detail was Godin ontgaan bij het ontwerp van zijn modelstad: functionele, brede trappen in de vier hoeken; een passerelle van 1,30 meter breed, voldoende om een persoon te kruisen; afvalkokers; gescheiden toiletten per verdieping en een ingenieus ventilatiesysteem van de kelders tot het glazen dak.
In dat sociaal paleis was er geen hiërarchie. De patron, de ingenieurs en de arbeiders woonden door elkaar. De binnenkoer diende als beschut dorpsplein en zorgde voor de nodige afleiding met een café, een bibliotheek of een kapper en op vaste tijdstippen een feest zoals de proclamatie van de schoolkinderen. Maar dat wooncomfort – ongezien in een tijd dat proletariërs samenhokten in mensonwaardige krotten en cités – was maar één onderdeel van wat Godin ‘het equivalent van de rijkdom’ noemde. Door voorzieningen als hygiëne, ontspanning, onderwijs en sociale bescherming collectief te organiseren en aan te bieden kreeg een arbeider in natura zijn bijdrage aan de bedrijfswinst terug, net zo goed als het kapitaal een dividend kreeg. Op het terrein van zes hectare in een bocht van de Oise verrezen achtereenvolgens een (verdwenen) kindercrèche, een economaat met aanpalende moestuinen, een school en theaterzaal en tot slot een badhuis annex wasruimte. In 1889 stelde de familistère 110 mensen te werk.

 

De familistère met wegwijzer.

Een wegwijzer geeft de afstand aan tussen Guise en andere utopische experimenten.

Religievrije moraal
In tegenstelling tot alle andere patroons van die tijd wilde Godin niet weten van paternalisme of filantropie: zijn arbeiders hadden recht op die voorzieningen. Punt uit. Godin zelf had vooral geleerd uit de mislukking van de fourieristische commune ‘La Réunion’ in Texas (1854-1856), waar hij een derde van zijn fortuin had verloren. Hij besloot toen alleen nog op zijn eigen organisatietalent en werkkracht te rekenen om de noodzakelijke sociale voorzieningen te realiseren. In tegenstelling tot Fourier was er in zijn familistère evenwel geen plaats voor een kerk. Als overtuigd socialist én republikein gaf hij elke zondag in de theaterzaal die plaats bood aan duizend man, lessen in moraal. In zijn ogen was het volk als een groot kind dat het juiste pad moest gewezen worden, los van kerk of hiernamaals. En anders dan de buitenwacht had voorspeld, ontaardden de familistères van Guise en Laken niet in Sodom en Gomorra. De sociale controle was door de architectuur zo sterk dat elke misstap of vergrijp vrijwel onmiddellijk werd opgemerkt, gesanctioneerd en geafficheerd, in het ergste geval met uitsluiting tot gevolg.

 

Bewoners van de familistère met vaak nadrukkelijk in beeld een Godinkachel.

Bewoners van de familistère met vaak nadrukkelijk in beeld een Godinkachel.

Weldoener
Behalve architect en weldoener was Godin evenwel op de eerste plaats een bedrijfsleider en selfmade man. Na zijn opleiding tot smid-slotenmaker startte hij in 1846 in Guise een bedrijf in geëmailleerde, gietijzeren kachels en fornuizen. Het groeide uit tot de marktleider in Frankrijk met een voortdurend veranderend assortiment van kachels, fornuizen, radiatoren, strijkijzers, tuinmeubelen… in alle kleuren en formaten. Godin kon daarom in 1880, na een langdurige vechtscheiding met zijn eerste vrouw, met een gerust hart zijn volledige kapitaal overdragen aan de ‘Société du Familistère’. Zijn arbeiders werden dus vennoten die, op basis van hun verdiensten, beloond werden en inspraak kregen. Godin huiverde van het communistische gelijkheidsideaal.

 

Nog altijd siert dit logo met de vlam uit 1938 de producten van het bedrijf.

Nog altijd siert dit logo met de vlam uit 1938 de producten van het bedrijf.

Nachtmerrie
Het bedrijf overleefde ook nog de omschakeling naar huishoudtoestellen op gas en elektriciteit maar vanaf de jaren 1950 zat de klad erin. De complexe eigendoms- en beslissingsstructuur van de coöperatie werkte inertie in de hand. In 1968 werd het bedrijf opgekocht door concurrent Le Creuset en werden de sociale voorzieningen wegens verlieslatend van de hand gedaan. Conflicten tussen oude en nieuwe bewoners, leegstand, verwaarlozing en vandalisme maakten van de utopie een nachtmerrie. Sinds de eeuwwisseling hebben de lokale autoriteiten met Europese steun die aftakeling weten om te buigen in een herwonnen solidariteit, het kernbegrip van Godins visie.

 

Kinderen na een muzikale opvoering met op de achtergrond een weelderig decor. Het interieur van de theaterzaal was geïnspireerd op dat van het Koninklijk Paleis van Parijs (1830).

Kinderen na een muzikale opvoering met op de achtergrond een weelderig decor. Het interieur van de theaterzaal was geïnspireerd op dat van het Koninklijk Paleis van Parijs (1830).

Brussel
Godin opende in 1858 een tweede kachelfabriek langs het kanaal van Willebroek, vlakbij de huidige Van Praetbrug. Hij nam die beslissing om economische én politieke redenen. In de jaren 1840 engageerde hij zich in de fourieristische beweging en stond op de barricades én de kieslijsten tijdens de revolutie van 1848 in Parijs. Na de staatsgreep van Napoleon III in 1851 was Godin een potentieel doelwit van de keizerlijke repressie. Een fabriek in het liberale België garandeerde daarom een politiek toevluchtsoord. Op economisch vlak diende de succursale vooral om de export naar Nederland te stimuleren. Eerst opende hij in Vorst een fabriek om vijf jaar later de katoendrukkerij Story-Van Waes aan de Werkhuizenkaai in Laken over te nemen. In 1887 had de fabriek voldoende winst opgeleverd om, naar het voorbeeld van Guise, een familistère te bouwen. De woonblok telde 72 appartementen maar oogt strenger en bescheidener dan die in Guise. De Lakense site had ook een eigen kinderdagverblijf, een school en tuintjes.

 

Om hun sociaal paleis te bereiken moesten de arbeiders na hun dagtaak alleen de straat oversteken. Het gebouw in het midden vooraan is het zwembad annex waszaal.

Om hun sociaal paleis te bereiken moesten de arbeiders na hun dagtaak alleen de straat oversteken. Het gebouw in het midden vooraan is het zwembad annex waszaal.

Tegenslagen
De Brusselse fabriek produceerde voor de Belgische en vooral de internationale markt, wat het bedrijf kwetsbaar maakte voor economische en monetaire schommelingen. Van 1903 tot 1913 discussieerde de directieraad verschillende malen over de opening van een filiaal in Nederland. Aanleiding was een reeks van protectionistische maatregelen en hogere douanetarieven die de Nederlandse regering had ingevoerd. De internationale crisis van de jaren 1930 toonde andermaal de structurele zwakte aan. Terwijl het zakencijfer van het moederbedrijf terugviel op zeventig à tachtig procent, daalde in Brussel de omzet met meer dan de helft. Dit was het sein om in 1936 de Amerikaanse ingenieur Wallace Clark in te huren, een volgeling van het taylorisme die met zijn eigen methode, bestaande uit budgettaire controle en planning, bedrijven saneerde.
(Luc Minten)

 

(Openingsbeeld: Vrouwen aan het werk in de waszaal. Godin hechtte veel belang aan een goede hygiëne. Badhuizen waren tot dan toe het privilegie van de bourgeoisie terwijl in Parijs in 1832 op een maand tijd 12.000 armen aan cholera stierven.)

Lees de andere helft van dit boeiende artikel in die nieuwe G-GESCHIEDENIS. Nu overal te koop voor slechts € 5,50!


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder