Stelling

Rusland leert selectief uit zijn eigen geschiedenis

Stem

Agenda

Manhattan Masters

Het Haagse museum Mauritshuis wist een zeer bijzondere tentoonstelling voor elkaar te krijgen: tien schilderijen van Hollandse meesters uit The Frick Collection in New York. Voor het eerst in zijn bestaan zal het Amerikaanse museum deze kunstwerken in bruikleen geven aan een Europees museum, terwijl het eigen gebouw wordt gerenoveerd.

Op weg naar het einde

Na restauratie is De dood van Maria van Hugo van der Goes terug in het Sint-Janshospitaal. Oog in oog met de dood. Hugo van de Goes, oude meesters, nieuwe blikken is een studie naar de sterfelijkheid. Samen met Jan van Eyck (1390-1441) en Rogier van der Weyden (ong. 1399-1464) is Hugo van der Goes (1440-1482/83) één van de spilfiguren van de Vlaamse Primitieven.

Stinkend verleden

01 september 2016 Siebrand Krul

Voor de Industriële Revolutiue stonken steden sterk naar riool. Dat stelt archeologe en historica Roos van Oostenel in haar artikel 'The Dutch Great Stink'. Zij onderzocht het in onbruik raken van de beerput vanaf de Late Middeleeuwen in enkele Nederlandse steden. Beerputten zijn voor de meeste archeologen een soort schatkistjes. Vanaf het ontstaan van grote steden was vrijwel elk huis voorzien van een beerput. Op de meeste van deze ronde, doorgaans van baksteen gebouwde putten bevond zich een eveneens uit baksteen opgetrokken koepel. Onder de koepel bevond zich een reservoir van enkele meters diep waarin je je behoefte deed of gooide en waar je daarnaast allerlei afval in kwijt kon.

Het afval dat tijdens archeologisch onderzoek in beerputten aangetroffen wordt, bestaat onder andere uit etensresten, oude schoenen en kleding, keukengerei, beschadigd of kapot vaatwerk en allerlei soorten gebruiksvoorwerpen. De combinatie van al dit afval met de menselijke uitwerpselen wordt ‘beer’ genoemd. Het zal niet tot veel verbazing leiden dat beerputten regelmatig geleegd dienden te worden. Beer was handel in de Middeleeuwen. Het werd verkocht als meststof en het legen van de putten gebeurde door gespecialiseerde vaklui. Tot groot geluk van archeologen gebeurde dit niet altijd tot op de bodem van de put en zo kan het zijn dat er in een enkele beerput informatie opgeslagen zit uit meerdere, niet noodzakelijkerwijs aaneensluitende, fases van gebruik. Deze verschillende fases zijn op basis van het aardewerk dat er in de lagen afval gevonden wordt vrij nauwkeurig te dateren. Het afval van toen vertelt de onderzoekers van nu veel over bijvoorbeeld de ontwikkelingen in eetgewoontes en materiaalgebruik van de gebruikers van de putten.

 

Zijaanzicht van een opgegraven beerput in Leiden. (Afbeelding BAAC BV)

Zijaanzicht van een opgegraven beerput in Leiden. (Afbeelding BAAC BV)

Bevolkingsgroei
In de Late Middeleeuwen nam de bevolking in de steden explosief toe. Het was niet ongebruikelijk dat het aantal inwoners in een stad in een periode van 100 tot 150 jaar verviervoudigde, maar in een aantal steden was er zelfs sprake van een nog grotere bevolkingsgroei. De belangrijkste oorzaak voor deze toename was de stroom politieke vluchtelingen vanuit het zuiden van de Nederlanden; mensen op de vlucht voor de Spaanse overheerser tijdens de Tachtigjarige Oorlog. De steden verwelkomen de vluchtelingen (vooral om economische redenen) maar kunnen de massale toestroom van mensen niet aan; er is een groot tekort aan woonruimte.

Gracht
De grachten werden niet alleen gebruikt om het afval uit de riolen af te voeren. Zo werden zij als vanzelfsprekend ook gebruikt als vaarwegen. Aan- en afvoer van goederen verliep voor het belangrijkste deel over water. Opvallender is dat het water uit de gracht ook gebruikt werd als drinkwater en als grondstof voor de bierbrouwerijen. Ook nadat de secreetgoten/riolen uitmonden op de grachten veranderde dit gebruik in eerste instantie niet. Pas later werd drinkwater van elders aangevoerd.

Afvalmanagement
Als een logisch gevolg namen de aantallen huizen en bijbehorende beerputten in deze periode ook explosief toe. Maar dan, in de loop van de 17de eeuw, verandert er iets. Naarmate de steden dichter en dichter bevolkt raakten, werd de destijds gebruikelijke beerput steeds vaker vervangen door een zogeheten secreetgoot; een directe verbinding tussen het buitenhuis of het inpandige toilet naar de dichtstbijzijnde gracht. Vanaf dat moment werden de menselijke uitwerpselen dus rechtstreeks de gracht ingespoeld. Pas in de 19de eeuw wijzigde deze situatie weer wanneer – als reactie op een grote cholera-epidemie – het tonnenstelsel wordt ingevoerd. Vanaf dat moment wordt ontlasting verzameld in tonnen of emmers die periodiek geleegd worden door een ophaaldienst.

 

Tonnenstelsel in Amsterdam: de zogenoemde 'Boldootkar' komt langs. Boldoot is een ironische verwijzing naar de parfum. (Stadsarchief Amsterdam)

Tonnenstelsel in Amsterdam: de zogenoemde ‘Boldootkar’ komt langs. Boldoot is een ironische verwijzing naar de parfum. (Stadsarchief Amsterdam)

Sanitaire geschiedenis
Recent onderzoek heeft echter aangetoond dat deze ontwikkeling niet in alle steden op dezelfde manier verlopen is. ‘Zoveel steden, zoveel sanitaire geschiedenissen’, aldus Van Oosten. Zij onderzocht het in onbruik raken van de beerput in Haarlem, Leiden, Dordrecht, Alkmaar, Den Bosch, Amersfoort en Deventer. De fasering die hierboven geschetst is, lijkt vooral van toepassing op de waterrijke, Hollandse steden zoals Leiden, Alkmaar, Haarlem en Dordrecht. In de steden meer landinwaarts blijkt de ontwikkeling anders te verlopen. Het onderzoek van Van Oosten laat zien dat het aantal beerputten in Den Bosch, in tegenstelling tot de situatie in de steden in het westen, achter lijkt te blijven bij het hoge aantal inwoners in de Late Middeleeuwen. Daarnaast blijven beerputten veel langer in gebruik en is Den Bosch vrijwel de enige stad waar het tonnenstelsel niet wordt ingevoerd. ‘Dit heeft veel te maken met de goede afzetmarkt voor stadsmest in de Meierij’, vertelt Van Oosten. ‘Mest werd er als een heilige vereerd, aldus een 19de-eeuwse verhandeling over landbouw in de Meierij.’ Mest, waaronder dus ook de beer uit steden, was een welkome, voedingsstoffenrijke aanvulling op de relatief arme bodems in de regio. Als gevolg van eeuwenlange bemesting wordt het boerenlandschap langzaam opgehoogd en ontstaan uiteindelijk de zogenoemde ‘bolle akkers’.

Leiden en Haarlem
Het contrast met de Hollandse steden was groot maar ook tussen de Hollandse steden onderling waren er grote verschillen. Het grootste contrast was er tussen Haarlem en Leiden. In beide steden was er wetgeving die het omgaan met de menselijke ontlasting reguleerde. Zo diende in Leiden elk huis de beschikking te hebben over een beerput en was het verboden om een overloop te hebben die uitkwam op de gracht. In Haarlem werd het als schadelijk voor de lokale economie gezien wanneer de grachten verstopt zouden raken met vuil en afval. Daarnaast zouden verstopte grachten de aanvoer van bluswater bij brand bemoeilijken. Het vervuilen en verstopt raken van de grachten, die gezien werden als de slagaders van de stad, werd als kwalijk voor het gemeenschappelijk goed gezien. Het verdwijnen van de beerputten valt in Haarlem samen met de afname van de bierconsumptie. En dat is geen toeval

Bier en textiel
Maar mentaliteiten veranderen en wetgeving kan aangepast worden. In Haarlem blijven beerputten lang in gebruik omdat de stad een grote en voor de stad belangrijke bierbrouwerindustrie kent. De brouwers halen het voor hun bier benodigde water uit de stadsgrachten en hechten dus veel waarde aan de goede kwaliteit van het water. Zij konden daarnaast ook boetes krijgen wanneer zij bier produceerden met een ongewenste bijsmaak. Een goede waterkwaliteit was dus van groot belang voor de welvaart van zowel de stad als de brouwers. Het verdwijnen van de beerputten valt in Haarlem samen met een afname van de bierconsumptie en daarmee een afname van de relevantie van de bierproducerende industrie.
Tegelijkertijd neemt het belang van de textielindustrie toe. Het bleken en kleuren van textiel is een ‘vuile’ industrie en er was de fabriekseigenaren veel aan gelegen om hun afvalstoffen direct in de grachten te lozen. En zo kwam het geregeld voor dat het water in de grachten dezelfde kleur had als het textiel dat verderop gekleurd werd. In Leiden was de textielindustrie van begin af aan veel groter dan de brouwersindustrie. Daar waar in Haarlem de brouwers nog hun invloed konden uitoefenen om de waterkwaliteit te behouden, waren de brouwers in Leiden vrij kansloos. De stap naar de op de grachten uitkomende secreetgoten was in Leiden veel kleiner en gebeurde dan ook veel eerder.

Huurders en huisbazen
De enorme bevolkingsgroei in de steden leidde niet alleen tot een toename van het aantal huizen maar ook tot een toename van het aantal huizen dat gehuurd werd. Het was de verantwoordelijkheid van de huisbazen om de beerputten te laten legen. Het onderzoek van Van Oosten toont aan dat de kosten voor het legen van een beerput gelijk waren aan de opbrengst van één tot drie maanden huur. Het legen van de beerputten diende regelmatig (elke paar jaar) te gebeuren en de huisbazen zagen in de secreetgoten dan ook de ideale oplossing om onder deze financiële last uit te komen.
“Het samenspel tussen de industrie, de huisbazen, de lokale overheid en de bewoners leidt er uiteindelijk toe dat de beerputten in de Hollandse steden vrijwel helemaal verdwijnen”

Oorzaak en gevolg
Het samenspel tussen de industrie, de huisbazen, de lokale overheid en de bewoners leidt er uiteindelijk toe dat de beerputten in de Hollandse steden vrijwel helemaal verdwijnen. De belangrijkste oorzaken zijn economische motieven en een veranderende mentaliteit. Het is belangrijk om in gedachten te houden dat er in deze periode sprake was van grote verschillen tussen arm en rijk. De gouden eeuw was vooral goud voor een kleine elite terwijl de ‘gewone man’ onder zeer erbarmelijke omstandigheden probeerde om rond te komen. Het perspectief van bestuurders verlegde zich van wat goed was voor de publieke zaak naar wat in het belang was voor een kleine elite.
De gevolgen zijn legio; het vervuilde drinkwater en verstopt raken van de grachten leidt tot het verdwijnen van levende vis, het drinken van ditzelfde water vergemakkelijkt de verspreiding van ziektes en veroorzaakt epidemieën. Maar bovenal leidt het verval van de beerput en het gebruik van de secreetgoten tot een enorme stank. Een stank die, zeker naar onze maatstaven, in de zomer haast ondragelijk moet zijn geweest.
(Sander de Bondt/Scientias.nl)

R. van Oosten (2016): The Dutch Great Stink: the end of the cesspit era in de pre-industrial towns of Leiden en Haarlem, European Journal of Archaeolog.


Zoeken

Vul hieronder uw zoekterm in:



Boekbespreking

Het gezicht van de Eerste Wereldoorlog

Vol van haat voor alles wat Duits was, kon de Britse soldaat F.A.J. ‘Tanky’ Taylor er niet aan weerstaan om een krijgsgevangene die hij ‘een bijzonder lelijk specimen’ vond de huid vol te schelden. Als reactie haalde de Duitser een aantal foto's uit zijn borstzak. ‘De eerste foto toonde een hoofd, maar onder de ogen, die een meelijwekkende, wanhopige blik hadden, was helemaal geen gezicht te zien. Alleen maar een afschuwelijke puinhoop.

Lees verder

Kroniek

Wilde anti-piratenactie

Op 9 november 1822, tweehonderd jaar geleden, vond voor de kust van Cuba een zeeslag plaats tussen de schoener USS Alligator van de Amerikaanse marine en een squadron van drie piratenschoeners. De actie moest een einde maken aan de piraterij in West-Indië. Zo’n 25 kilometer van Matanzas, Cuba, had een grote bende piraten verschillende schepen gekaapt en hield ze vast voor losgeld.

Lees verder

Heilige van de week

Carolus Borromeus

4 november († 1584) Carolus is een Latijnse vorm van het Germaanse woord karel of kerel, dat vrije man betekent. Al op drieëntwintig jarige leeftijd is Carlo kardinaal en aartsbisschop van de Italiaanse stad Milaan. Zijn oom is paus en kan deze slimme jongeman goed gebruiken in Rome. Hij geeft hem het bestuur van de pauselijke staat. Aartsbisschop van Milaan is hij, tot zijn verdriet, alleen maar in naam.

Lees verder